Luc De Vos schopt tegen het lijk van Lumumba

In haar editie van 17 januari 2006 herdacht Gazet van Antwerpen de moord op de eerste Congolese premier Patrice Lumumba, in een lang interview met professor Luc De Vos. De datum was niet toevallig: dag op dag 45 jaar geleden werd Lumumba vermoord. De geschiedenis is nu afdoende gekend, en zelfs op het officiële vlak min of meer erkend.

Ik heb al eerder in Uitpers (‘De moord op Lumumba: academici tussen waarheid en raison de’état’, nummer van januari 2005) uiteengezet hoe enkele jaren geleden een onderzoekscommissie van het Belgische parlement – ondanks zware conservatieve druk – niet helemaal om de verantwoordelijkheid van de toenmalige regering-Eyskens voor het drama heen kon, en de Belgische regering van Guy Verhofstadt en Louis Michel zich genoodzaakt zag om zich voor het aandeel van haar voorganger in de moord te verontschuldigen.

Conservatieve waakhond

Een van de belangrijkste conservatieve stemmen in dat parlementaire onderzoek was de man die in Gazet van Antwerpen de moord in herinnering mocht brengen: Luc De Vos, professor aan de Koninklijke Militaire School en de universiteit van Leuven. De Vos was ooit kolonel, maar hij heeft ondertussen ontslag genomen uit het leger. Hij deed dat zogezegd om geen twijfel te laten bestaan over zijn onafhankelijkheid als wetenschapper, maar zijn ontslag zet weinigen op het verkeerde been: de ex-officier is een verwoed pleitbezorger van het militaire establishment in het algemeen, en de militaire veiligheidsdiensten en hun Amerikaanse evenknie in het bijzonder. Dat De Vos niet omwille van zijn wetenschappelijke merites in het college van vier experts van de parlementscommissie is opgenomen, moge blijken uit zijn absurde stelling dat veel volkeren in Centraal-Afrika voor de komst van de Belgen zich aan kannibalisme overgaven ten gevolge van ondervoeding en vooral een tekort aan vlees.(1) Het fantasma van een endemische antropofagie is één van de ideologische ankerpunten waarmee de koloniale verovering en plundering van het hart van Afrika werd gerechtvaardigd. Er bestaat dus weinig twijfel over dat De Vos omwille van politieke evenwichten (de Franstalige liberalen en de christen-democraten roerden zich hevig als advocaten van de stelling van Belgische onschuld) in het college van experts is terechtgekomen, als conservatieve pleitbezorger van Koning, God en Vaderland.

De man nam ten tijde van het onderzoek zijn taak als conservatieve waakhond met zo’n gedrevenheid waar dat hij meer dan eens de commissievoorzitter, de commissieleden en zijn collega-experts in verlegenheid bracht. Tijdens het onderzoek beweerde hij van alles, de ene stelling al ongeloofwaardiger van de andere: dat in naam van Lumumba honderden blanke vrouwen zijn verkracht; dat Lumumba blauwhelmen wou vermoorden om de terugtrekking van de VN uit Congo te bespoedigen; dat het plan om Lumumba ‘fysiek te neutraliseren’ geen moordplan was; dat de Belgische topofficieren tegen Lumumba’s executie waren. Toppunt was een radio-interview waarin hij – nog voor het onderzoek was afgerond! – stelde dat de Belgische militairen in Katanga/Congo er alleen waren om de stabiliteit van het land te garanderen en dus onschuldig waren aan de liquidatie van het Congolese nationalisme, en dat er heel veel bewijzen waren dat ze absoluut tegen de moord op Lumumba waren gekant – hoewel het voor iedereen zonneklaar is dat ze de Katangese secessie en het uiteenvallen van Congo organiseerden en een sleutelrol speelden in de omverwerping van de eerste (en tot vandaag enige) verkozen regering van het land, en dat één van hen (majoor Weber) zelfs koning Boudewijn op de hoogte hield van moordplannen tegen Lumumba (van die ‘bewijzen’ moeten we het eerste nog zien).(2)

Gazet van Antwerpen

In haar editie van 17 januari 2006 herdacht Gazet van Antwerpen de moord op Lumumba. De krant liet Luc De Vos ongeremd aan het woord, en het moet gezegd: hij was op dreef. Niet gehinderd door de gekende feiten of de relativerende vragen en opmerkingen van de journalist zette hij de geschiedenis even op z’n kop. De Vos belijdt een negationisme dat inzake diepgang niet verschilt van wat ontkenners van de judeocide in handen van de nazi’s opdissen. Maar terwijl revisionisten als Verbeke en Faurisson processen en de gevangenis wachten, krijgt De Vos van een grote Vlaamse krant alle ruimte om de Belgische autoriteiten vrij te pleiten van betrokkenheid op de moord op Lumumba.

De Vos dist het oude verhaal op dat de zwarten schuldig zijn, hoewel de Belgen in Katanga, waar Lumumba is vermoord, alle sleutelposten bezet hielden. Hij ‘denkt’ ook dat koning Boudewijn de draagwijdte van het drama niet goed inschatte, hoewel de koning een brief in handen kreeg waarin zwart op wit wordt bericht over het plan om Lumumba te vermoorden. Verder zegt hij dat de Belgen met bloed aan de handen alleen zwarte chefs hadden, wat formeel ook zo was… maar ondertussen is afdoende aangetoond dat zelfs kleine, tactische beslissingen in Katanga door Belgische topmilitairen en diplomaten werden genomen. Over die laatsten zegt hij dat ze tegen de moord waren, hoewel enkelen van hen achteraf erkenden dat er niets anders opzat dan Lumumba op te ruimen als men tenminste wilde vermijden dat hij terug aan de macht zou komen. Ten slotte wil De Vos doen geloven dat de moord was geïmproviseerd door dronken zwarten, hoewel de executieplaats op voorhand door de manschappen van Belgische officieren was klaargemaakt. Zijn besluit? De Vos wuift de verontschuldigingen van de Belgische regering voor het aandeel van Brussel in de moord weg: ‘we leven in een tijd van excuses’.

Negationisme in opmars

Men kan zich afvragen of het zin heeft om aandacht te besteden aan de media-activiteiten van Luc De Vos, een man met alleen vulgariserende publicaties op zijn naam en door vriend en vijand niet echt beschouwd als een intellectueel zwaargewicht. En toch: het feit dat hij in een krant tienduizenden Vlamingen een geschiedvervalsing mag opdissen, en dat hij dat ongestoord mag doen (een wederwoord van ondergetekende is niet gepubliceerd in GVA – uit gêne vanwege of voor de journalist die het interview afnam?) doet een belletje rinkelen. Waarom kan De Vos inzake Congo probleemloos van wit zwart maken?

In Uitpers is al eerder ingegaan op het aan kracht winnende negationisme in de wereld: Wim De Neuter deed dat in zijn artikel ‘Oud kolonialisme, nieuw negationisme’ (nummer van mei 2005) en Freddy De Pauw in ‘De verdonkermaande bladzijden van de geschiedenis’ (nummer van september 2005). Een recent voorbeeld? De Amerikaans-Franse journalist Stephen Smith ontving voor zijn boek Négrologie de prijs Essai France Télevisions uit handen van de gerespecteerde juryvoorzitter Bernard Pivot. De auteur was jarenlang de Afrikaspecialist van prestigieuze Franse kranten als eerst Libération, nadien (en tot vandaag) Le Monde. Dat belette Smith niet een neoracistisch pamflet te schrijven. Bij wijze van voorbeeld, een ingekort citaat: ‘Afrika is een natuurlijk paradijs van wreedheid (…). De Afrikanen doden mekaar massaal, en – vergeef me de woorden – ‘ze eten mekaar op’ (…). [Ze zijn behept met] een weigering om in de moderniteit te stappen, tenzij als verstekeling of als consument die leeft op kosten van de rest van de wereld. (…) Als ten gevolge van een vreemde demografische ruil 6 miljoen Israëliërs de plaats zouden kunnen innemen van de inwoners van Tsjaad, die amper met meer zijn, dan zou het land opbloeien.’(3)

Krachtige factoren verklaren de tendens om de geschiedenis van interventionisme en kolonialisme op te smukken, niet in het minst de huidige dadendrang van het imperialisme om in het Nabije Oosten en in zwart Afrika halfkoloniale en neokoloniale regimes te versterken of er nieuwe te vestigen. Wie vandaag wil interveniëren, moet de publieke opinie laten geloven dat het humanitaire doeleinden dient, en dan worden zwarte bladzijden over eerdere operaties best uit het collectieve geheugen weggevlakt. Een neokoloniaal negationisme is dus in de dominante ideologieën van de imperialistische metropolen als het ware ingebakken. België ontsnapt niet aan die tendens: er zijn de historische aanspraken van de Belgische politieke en economische elites in Centraal-Afrika, en er is het ambitieuze project van Parijs, Berlijn en Brussel om de Amerikaanse supermacht te beconcurreren met een Europees imperialisme, inclusief een sterk Europees leger dat overal in de wereld kan interveniëren.

Een recent en kras voorbeeld van die neiging tot negationisme, geplukt uit de tentoonstelling over Belgisch Congo die vorig jaar onder de naam Het geheugen van Congo in het Museum voor Midden-Afrika is georganiseerd. Op een muurpaneel stond het volgende over de ontvolking van de kolonie onder het schrikbewind van Leopold II: ‘Vandaag is er een wetenschappelijke consensus over [de ontvolking van] geheel Centraal-Afrika (…) De geschiedenis van de demografische achteruitgang in de periode van 1875 tot 1925/1930 [wordt] geschat op 20 percent.’ Dat is een bijzonder laag cijfer, want professor Jan Vansina, een antropoloog met wereldfaam, schat dat de Congolese bevolking ‘ten minste met de helft’ is verminderd. Zowel koloniale bronnen in de jaren ’20 van vorige eeuw (de jezuïet Van Wing en de koloniale ambtenaar Liebrechts) als hedendaagse auteurs (Isodore Ndaywel, Daniel Vangroenweghe) onderschrijven die raming of schatten het dodental nog hoger. Hoe zit het nu: 50 percent of meer? Of 20 percent? Het lijkt een macabere discussie, die door leopoldistische milieus op gang is getrokken na het megasucces van Adam Hochschilds boek De geest van Leopold II en de plundering van Congo. Professor Jean-Luc Vellut (UCL), de verantwoordelijke voor de tentoonstelling, vermeldt als bewijs voor zijn 20-percentraming drie auteurs. Hochschild nam de moeite Velluts bewijsvoering tegen het licht te houden. De drie vermelde auteurs geven de volgende ramingen van de demografische achteruitgang: ‘met een tiende, een vierde, de helft? Het is niet te schatten’ (Gilles Sautter); ‘met 30 tot 50 percent’ (Bouda Etemad); ‘met ten minste een derde, wellicht met de helft’ (Léon de St. Moulin). Conclusie: er bestaat geen wetenschappelijke consensus over deze zaak, en de geciteerde bronnen staan haaks op wat Vellut beweert. Vellut staat enkele trapjes hoger op de wetenschappelijke ladder dan De Vos, maar wat hij daar heeft geschreven, is puur bedrog. Met die zwendel geconfronteerd, heeft Jean-Luc Vellut het over een ‘fout’.(4)

Vandaag wordt die omslag in de geesten geïntroduceerd door een Luc De Vos, een man die dankzij zijn simpel, ‘plat’ wereldbeeld van goeden tegen slechten, van vrienden tegen vijanden, van democraten (Eyskens, Boudewijn, Tshombe) tegen communisten (Lumumba), als ideologische stormram kan fungeren. Respectabele ‘opiniemakers’ en ook veel progressieven kijken wat meewarig tegen hem aan, en zwijgen. Waarom reageren op het negationisme van een De Vos, of, om het bij de Congospecialisten van de VRT te houden, op het neoracisme van een Walter ‘ik begrijp ze want ik ben zelf een Bantoe’ Geerts, of op de simplismen van een Peter ‘ten tijde van de Belgen was het beter’ Verlinden (niet toevallig publiceren ze alle drie bij het Davidsfonds, de uitgeverij die het getourmenteerde geheugen van onze kolonialen soigneert)?(5) Ik denk dat ze zich vergissen. De Vos zelf is niet gevaarlijk, maar de tendens die hij aankondigt is dat wél. Hij hakt zich onbehouwen een weg die straks door andere, intelligentere woordvoerders van het establishment met groot gemak zal worden ingeslagen om met meer nuances en raffinement dit destructieve revisionisme ingang te doen krijgen.

(Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006)

Voetnoten:

(1) L. De Vos, ‘Les militaires belges au Congo : un choc culturel, 1885-1960’, 24ième Congrès International sur l’Histoire Militaire, Lisbonne, 24-29/8/1998.

(2) Interview van A. Puissant met L. De Vos, VRT-journaal, 25 april 2001, 13 uur.

(3) Stephen Smith, Négrologie, pourquoi l’Afrique meurt, Calmann-Lévy, Paris, 2003. Zie voor een kritiek op Négrologie, het boek van Boubacar Boris Diop, Odile Tobner en François-Xavier Verschave, Négrophobie, Les Arènes, Paris, 2005.

(4) Adam Hochschild, ‘In the Heart of Darkness’, The New York Review of Books, 6/10/2005, en een reactie van Jean-Luc Vellut in The New York Review of Books, 12/1/2006. Mensen van het Museum voor Midden-Afrika vertellen off the record dat het paleis een ongewone belangstelling aan de dag legde voor de voorbereiding van de tentoonstelling: drie keer kwamen mensen van het paleis de voortgang inspecteren.

(5) Peter Verlinden publiceerde eind 2001 het boek Weg uit Congo. Het is een verzameling van getuigenissen van kolonialen – over hun werk in Congo als variaties op de thema’s van dominer pour servir of van koloniseren als the white man’s burden; over hun traumatische vertrek uit Congo, dat in lijn met hun bunkeropvattingen is veroorzaakt door die duivel van een Lumumba; enzovoorts. Verlinden gaat niet in op de koloniale onderdrukking, met de militaire strafexpedities, de dwangarbeid, de interne verbanningen, de repressie van het politieke leven en de verstikkende censuur. Het lijkt wel alsof Congo in de jaren vijftig opperbest draaide, tot sommigen op dat duivelse idee van de onafhankelijkheid kwamen… Het boek bevat geen duiding of contextualisering, zelfs niet één bronverwijzing. Het verscheen midden in de campagne die verenigingen van oud-kolonialen voerden voor gerechtigheid voor ‘de slachtoffers van Lumumba’. Toeval? Gedurende de werkzaamheden van de Lumumbacommissie probeerde Verlinden in zijn tv-reportages koste wat het kost de stelling van Belgiës onschuld te verkopen. Zie voor een recensie van Weg uit Congo, Ludo De Witte, ‘Echo’s van de propaganda van weleer’, De Morgen, 30/1/2002.

Walter Geerts heeft in zijn boek Binza 10, dat van 1970 dateert, de moord op Lumumba afgedaan als een Bantoe-aangelegenheid: ‘Lumumba, de revolutionair, de geniale begeesterende tribuun, stierf een gewelddadige dood, gemarteld door zijn eigen volk.’ Een racistische saus zorgt voor de verklaring: ‘in de Bantoe-benadering van het begrip [democratie-LDW] hoeft dit begrip hoegenaamd niet dezelfde inhoud te hebben als in het Atlantische Westen. (…) Ook de terechtstellingen van het Pinkstercomplot en van P. Mulele zijn Bantoe. Ook de onmenselijke folteringen en vernederingen van zwarte tegenstanders of van blanke gijzelaars. Omdat de waarden van leven en dood in de Bantoefilosofie anders gekleurd zijn dan in onze christelijke beschavingen’. Het geeft te denken dat de auteur van deze lijnen decennialang de Vlaamse publieke opinie inzake Congo en Afrika mee heeft gemodelleerd.

Nu we het over Geerts en Verlinden hebben, even een zijsprongetje, want de BRT/VRT was een ware kweekvijver voor neokoloniale ‘ingenieurs van de geest’. Zelfs Walter Zinzen, de mentor van mannen als Peter Verlinden en Zana Etambala, bleef niet ongeschonden – getuige de betekenisvolle ondertitel van zijn boek Mobutu. Van mirakel tot malaise (1995). In dat boek typte Zinzen de traditionele clichés over Lumumba en de Congocrisis uit de literatuur gewoon over. Volgens hem ging Congo in juli 1960 ‘ten onder aan plunderingen, verkrachtingen en moorden door muitende soldaten. Het kabinet-Lumumba was niet bij machte ze te bedwingen.’ Op de achterflap van zijn boek staat samengevat wat hij met het ‘mirakel’ Mobutu bedoelt: ‘Toen de toenmalige kolonel Mobutu in 1965 een einde maakte aan vijf jaar bloedige burgeroorlogen en politiek gekrakeel, waren de verwachtingen hooggespannen. De economie ging sprongsgewijze vooruit en de zeer gedreven en geïnspireerde Mobutu maakte een einde aan zowel het economische als het culturele neokolonialisme.’ Even eraan herinneren dat Mobutu zijn regime vestigde op een kerkhof van honderdduizenden doden (volgens expert Jules Gérard-Libois vielen er in de jaren 1964-65 bijna 1 miljoen slachtoffers), en onder Mobutu het neokolonialisme pas echt tot bloei kwam…

Deze passages uit Zinzens Mobutu (niet uit 1965 of 1975, maar uit 1995!) leren ons dat het negationisme in ons land altijd aanwezig is geweest. Al kan het best dat er bij Zinzen nog een andere, persoonlijk-emotionele factor meespeelt. Voor Zinzen in 1968 VRT-journalist werd, werkte hij in Katanga als leraar en ook als correspondent van Gazet van Antwerpen. Het leverde hem naar eigen zeggen ‘vrienden voor het leven’ op, zoals… Gerard Soete, de Belgische politiecommissaris die Lumumba’s lijk in stukken sneed en oploste in zwavelzuur, en een grote bewondering voor Witte Pater Walter Aelvoet, een ideoloog van de ‘democratische Huturevolutie’ die in Rwanda de tegenstelling tussen Hutu en Tutsi hielp betonneren en zo mee de kiemen voor de genocide van 1994 zaaide (zie Mobutu, pp. 14, 205).

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 88 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook