Londen stopt Lockerbie-affaire in doofpot

Abdel Basset al-Megrahi, 57, kan in Libië sterven. Dat gebeurde wel onder voorwaarde dat hij zijn beroep introk tegen de levenslange gevangenisstraf die hij op 31 januari 2001 in het Nederlandse Kamp Zeist kreeg van drie Schotse rechters voor de Lockerbie-aanslag. Die beroepsprocedure was al in 2007 gestart nadat de Scottish Criminal Cases Review Commission zes gronden vond die op een gerechtelijke dwaling wezen. Met andere woorden, de vrijspraak lag zo goed als voor de hand. En dat wou Londen ten allen prijze voorkomen.

Want in dat geval zou de vraag rijzen wie dan wel de aanslag had uitgevoerd en waarom Londen en Washington van Libië een zondebok hadden gemaakt. Dat zal dank zij deze doofpotoperatie wellicht niet snel duidelijk worden. Maar goede verstaanders weten wel dat het om een proces ging, dat om politieke redenen werd gevoerd. Om politieke –kolonel Kadhafi is nu een westerse bondgenoot – en economische redenen – de Libische olie- en gasvoorraden – wordt het nu afgevoerd, onder voorwaarde dat de waarheid niet bekend wordt gemaakt.

Eén ding in deze zaak staat vast: op 21 december 1988 ontploft boven het Schotse plaatsje Lockerbie een Boeing 747 van de Amerikaanse luchtvaartmaatschappij Panam, die van Heathrow (Londen) op weg was naar New York. De 259 inzittenden, evenals 11 mensen in Lockerbie, kwamen daarbij om het leven. Uit het onderzoek blijkt dat de explosie veroorzaakt werd door een met een timer uitgeruste semtex-bom, die verborgen zat in een Toshiba-radio in een Samsonite-valies in het bergruim.

Onmiddellijk begint een grootscheepse zoektocht naar mogelijke daders door de Schotse politie, de Britse en Amerikaanse geheime diensten. Een link wordt bijna onmiddellijk gelegd met het neerschieten van een Iraanse Airbus, op 3 juli 1988, op weg naar Mekka, boven de Perzische Golf door de Amerikaanse oorlogsbodem USS Vincennes. Daarbij komen 290 mensen om het leven. Officieel heette het dat de kapitein, die blijkbaar niet in staat was een onderscheid te maken tussen een burgerlijk en een veel kleiner militair toestel, dacht dat het om een Iraans gevechtsvliegtuig ging dat zijn schip zou aanvallen. Het incident gebeurde in de eindfase van de oorlog tussen Irak en Iran (1980-1988). De Amerikaanse bevelvoerder werd nooit vervolgd voor deze misdaad. Een paar maanden na het incident, op 26 oktober 1988, arresteert de Duitse politie bij grootscheepse huiszoekingen in heel het land 14 Palestijnen. Er worden wapens en semtex gevonden evenals twee Toshiba-radio’s met bommen in – zoals het radiotoestel dat bij de Lockerbie-aanslag werd gebruikt.

Onder de gearresteerde Palestijnen bevinden zich leden van het dissidente Volksfront voor de Bevrijding van Palestina-Algemeen Commando van Ahmed Jibril, dat zijn hoofdkwartier in de Syrische hoofdstad Damascus heeft. De puzzelstukken worden snel bij elkaar gevoegd: Iran zou een wraakactie tegen een Amerikaans burgervliegtuig hebben besteld bij het Volksfront van Jibril, die daarbij hulp zou hebben gekregen van Syrië. Iran zou bereid geweest zijn daarvoor 10 miljoen dollar te betalen. Ook na de veroordeling van al-Megrahi houden Britten en Amerikanen dit spoor open – alsof ze zelf niet geloven in het door hen ineengestoken verhaal.

De bezetting van Koeweit

Inmiddels is het al 1990 geworden en is het onderzoek nog niet afgrond. Maar dan verandert de politieke situatie. De Iraakse president Saddam Hoessein bezet in juli 1990 het olierijke Koeweit. De hele wereld wordt gemobiliseerd om het emiraat te bevrijden. En daarin speelt Syrië, met zijn lange grens met Irak, een sleutelrol. Het komt erop aan Damascus in het kamp van het westerse bondgenootschap tegen Saddam Hoessein te krijgen. Omdat de toenmalige Syrische president Hafez al-Assad alles behalve goede maatjes was met zijn ideologische vijand Saddam Hoessein – beide zijn leiders van rivaliserende Baath-partijen – lukt dat aardig. Meer nog, Syrië krijgt internationaal eerherstel, zijn isolement wordt opgeheven en plots wordt er een voor Syrië gunstige oplossing voor de burgeroorlog in Libanon (1975-1990) gevonden, waar Syrië van meet af aan bij betrokken was. Een beschuldiging van medeplichtigheid aan de Lockerbie-aanslag zou dus uiterst onfortuinlijk zijn en het Arabische front tegen Saddam Hoessein kunnen doen uiteenvallen.

Het geweer wordt van schouder veranderd. Libië leeft al sedert de revolutie van 1 september 1969 – veertig jaar geleden dus – op gespannen voet met het Westen. De nieuwe machthebber, kolonel Muammar al-Khadafi laat geen gelegenheid voorbijgaan om het Westen een hak te zetten – zo levert bij bv. wapens aan het Iers Republikeins Leger (IRA) dat toen een guerrilla voerde tegen het Britse leger – en pro-westerse regimes in het Midden-Oosten te ondermijnen. Hij was een supporter van de islamitische revolutie in Iran, waarbij de pro-westerse sjah werd omvergeworpen. Ook weigert hij zich aan te sluiten bij de anti-Iraakse coalitie. Bovendien is Libië wel een groot land qua omvang, maar met een bevolking van toen slechts 4 miljoen mensen – dus weinig weerbaar. Het heeft wel olie, maar die was er toen nog in overvloed in de wereld. Een ideaal doelwit dus om het Lockerbie in de schoenen te schuiven.

Britten en Amerikanen laten in oktober 1990 – de oorlogsvoorbereidingen tegen Irak zijn in volle gang – voor het eerst verstaan dat ze Libië verdenken. Op 14 november 1991 vaardigen ze internationale aanhoudingsmandaten uit tegen Abdel Bassel al-Megrahi en Al Amin Khalifa Fhimah, twee bedienden van Libyan Airlines, de Libische luchtvaartmaatschappij op Malta. Fhimah zou de springstoffen op de Maltese luchthaven Luqa verborgen hebben gehouden en al-Megrahi zou de man zijn die in een boetiek in de Maltese stad Sliema de kleren kocht, waarin de bom werd verstopt. De valies met kleren en bom zou door hen op de luchthaven van Luqa bij de bagage voor een vliegtuig van Air Malta met bestemming Frankfurt zijn geplaatst, vanwaar ze naar Londen ging en daar op vlucht 103 van PanAm naar New York werd gezet.

Londen en Washington verwierpen het principe van onschuld tot de schuld is bewezen, achtten Libië zonder meer verantwoordelijk voor daden van zijn onderdanen, eisten schadevergoeding van de Libische staat evenals de uitlevering van de verdachten – alhoewel de Libische grondwet dat niet toestaat – en verwierpen de “Conventie van Montréal” van 1971 (voluit: “Conventie voor het bedwingen van Onrechtmatige Daden tegen de Veiligheid van de Burgerluchtvaart”), die net was opgesteld ter bestrijding van aanslagen zoals die van Lockerbie. Onder artikel 7 van de Conventie moest Libië de verdachten in eigen land berechten. Wat Kadhafi best wou doen, zelfs met medewerking van Amerikanen en Britten.

Er volgen jaren van getouwtrek en sancties van de Veiligheidsraad tegen Libië, plus nog aparte Amerikaanse en Europese sancties. Het duurde tot 1999 tot, onder bemiddeling van onder meer de Zuid-Afrikaanse president Nelson Mandela, er een akkoord werd bereikt voor een proces in Nederland, onder Schots recht, voor een speciale rechtbank van drie Schotse rechters.

Schots en scheef

Het minste dat men zeggen is de zaak voor die rechtbank schots en scheef zat. Zo kon niemand uitleggen hoe een stuk onbegeleide bagage zo maar van het ene vliegtuig in het andere kon worden geladen. Air Malta heeft altijd ontkend dat het mogelijk was een onbegeleide koffer in een vliegtuig te krijgen. De Britse media Granada Television en de krant The Independent werden aangeklaagd door Air Malta en moesten schadevergoeding betalen voor hun onbewezen verhalen over de koffer op de luchthaven op Malta.

De drie kroongetuigen leken ook niet van het meest betrouwbare type. Zo voerden de Amerikanen een Libiër op die asiel had gevraagd in de Verenigde Staten, ene Abdul Maged Giacha, die officier van de Libische inlichtingendiensten zou zijn geweest en op de luchthaven van Luqa werkte. Hij zou er gezien hebben hoe de twee verdachten de bom plaatsten. Een verklaring die op veel scepticisme stuitte toen bleek dat de man, die anoniem getuigde opdat niemand hem zou kunnen herkennen, 4 miljoen dollar had gekregen van de Amerikanen voor zijn getuigenis.

Een tweede dubieuze getuige was Tony Gauchi, een winkelier in Sleima. Tien maanden na de aanslag gaf hij de Britse en Amerikaanse diensten een nauwkeurige beschrijving van de man, die net die kledingstukken, waarvan de overblijfselen in het wrak werden teruggevonden, zou hebben gekocht: al-Megrahi. Voor zijn verhaal kreeg hij 2 miljoen dollar van de Amerikanen als “beloning” voor het helpen oplossen van de Lockerbie-zaak. Bovendien werd de verklaring die hij aflegde door de politie opgesteld. Niemand vroeg zich of hoe het komt dat de gevonden kleding exclusief in die ene boetiek te koop zou zijn aangeboden en welke redenen al-Megrahi erbij zou hebben gehad om exclusieve stukken te kopen, die enkel maar moesten dienen als vodden rond de bom. Het was duidelijk dat die absoluut op Malta moest zijn gekocht om het verhaal rond te krijgen.

De derde man was de Zwitserse elektronicafabrikant Edwin Bollier, die de timers zou hebben verkocht aan Libië. De man wijzigde voortdurend zijn verklaringen en het bleek dat hij aan iedereen verkocht, ook aan bv. de Oost-Duitse Stasi en aan Syrië.

Een minuscuul stukje van een timer zou in Lockerbie zijn teruggevonden – wat door vele experts wordt betwijfeld omdat de timer in de semtex-springstof zat en logischerwijs volledig verpulverd had moeten zijn. Ook de omstandigheden van de vondst van het fragment zijn verdacht. Er werd geen regelmatig proces verbaal over opgemaakt en het stukje werd naar de Verenigde Staten gestuurd. Volgens sommigen werd het stukje door een Amerikaanse agent op het rampterrein in Lockerbie geplaatst. Anderen stellen zelfs dat het stukje nooit de VS heeft verlaten. De Zwitserse getuige was ook niet echt in staat het fragmentje te identificeren. Vermoed wordt dat men dreigde zijn duister handeltje op te doeken als hij niet kwam getuigen. Ook had de openbare aanklager laten verstaan dat hij van medeplichtigheid aan de aanslag zou kunnen worden beticht.

Het bewijsmateriaal was dus uiterst zwak. Zelfs de Schotse jurist Robert Black, die mede het speciale tribunaal in Kamp Zeist op poten zette vond dat het niet volstond om de verdachten te kunnen veroordelen. Ook in hun vonnis uiten de drie Schotse rechters twijfels. Normaal had vrijspraak het oordeel moeten zijn, maar de rechters wilden de geit en de kool sparen. Ze lieten Al Amin Khalifa Fhimah gaan, maar veroordeelden Abdel Baset al-Megrahi tot levenslang. Zonder duidelijk te maken hoe één man alleen dit allemaal had kunnen organiseren.

Al-Megrahi ging onmiddellijk in beroep, maar ondanks de vele twijfels werd dit in maart 2002 afgewezen. Zijn advocaten werkten echter hardnekkig voort aan de zaak en brachten steeds nieuwe elementen aan, die wezen op een gerechtelijke dwaling. En in tegenstelling met de Amerikaanse verwanten van de slachtoffers hebben ook de Britse familieleden heel wat twijfels over de zaak. Ondanks het vonnis zijn Amerikanen en Britten uiteindelijk niet zover gegaan, zoals ze aanvankelijk wel deden, Libië zelf verantwoordelijk te stellen. Via een afpersingsprocedure (o.m. sancties allerhande) dwongen ze Kadhafi wel enorme schadevergoedingen te betalen – 10 miljoen dollar per slachtoffer (terwijl de Amerikanen in Irak en Afghanistan hooguit een paar honderd dollar betalen voor burgerslachtoffers van hun bombardementen) – maar zonder dat dit gepaard ging met erkenning van de Libische verantwoordelijkheid. Ten slotte besloot de herzieningscommissie van het Schotse gerecht in 2007 dat er inderdaad zes gronden waren die op een gerechtelijke dwaling wezen.

Alles wees erop dat de zaak onvermijdelijk tot een vrijspraak voor al-Megrahi zou leiden. Tot plots bekend werd dat de man aan een terminale prostaatkanker lijdt. Hopelijk kreeg hij in Schotland de nodige zorgen en behandeling, want een andere uitzonderingsrechtbank, het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag weigerde zorgen voor hartproblemen aan de Servische leider Slobodan Milosevic, waardoor hij stierf in de gevangenis. Meer zelfs, “zijn” Nederlandse dokter verspreidde het verhaal dat Milosevic zelf verantwoordelijk was voor zijn dood door pillen te slikken die zijn ziektesymptomen zouden verergeren. Van medische deontologie gesproken!

De ziekte van al-Megrahi was het gedroomde voorwendsel voor Londen om de hele zaak te begraven. Een vrijspraak zou de Britse en Amerikaanse manipulaties hebben blootgelegd. Nu kon men hem om “humanitaire redenen” vrijlaten. Daarmee was Libië tevreden, dat steeds is blijven ijveren voor de vrijlating en liet verstaan dat er ernstige represailles zouden volgen moest al-Megrahi in de gevangenis sterven. Door de clausule dat eerst het beroep moest worden ingetrokken blijft al-Megrahi voor Londen officieel de dader – tot spijt van de
Britse verwanten van de slachtoffers die vrezen dat de waarheid nu nooit aan het licht zal komen – en moet er niet verder worden gezocht naar de echte daders. Door de vrijlating, die steevast geëist werd bij alle handels- en investeringgesprekken tussen Libië en Groot-Brittannië, kan Londen zijn economische belangen vrijstellen in Libië en meedoen aan de lucratieve zoektocht naar energiebronnen. British Petroleum heeft al een contract in Libië, waarvan de uitvoering achterwege bleef vanwege al-Megrahi. Wat nogal wat Brits ongeduld opwekte. De energiesituatie is sedert 1990 grondig veranderd zodat het nodig is Libië te sparen, een Libië dat bovendien na de Amerikaanse invasie van Irak in 2003, uit vrees op zijn beurt te worden aangevallen, voor het westerse kamp heeft gekozen.

De aanslag op Joannes-Paulus II

Het Lockerbie-verhaal is exemplarisch voor de manier waarop internationaal wordt gesjoemeld en de politiek onderzoeken stuurt. Denken we maar aan de aanslag op paus Joannes-Paulus II op 13 mei 1981 op het Sint-Pietersplein te Rome door de Turk Mehmet Ali Agça. De dader was een lid van de extreem-rechtse Turkse wolven, die verbonden is met de Partij voor Nationale Actie in Turkije, die naast extreemnationalistisch ook extreemantichristelijk is. De man was zgn. ontsnapt uit de gevangenis waar hij vastzat wegens moord en had al bedreigingen tegen de paus geuit. Een duidelijker motief kon er niet zijn.

Maar de westerse geheime diensten zagen in de aanslag een buitengewone propagandacoup tegen de Sovjet-Unie: Moskou zou de Poolse paus hebben willen elimineren omwille van de dreiging die van hem uitging voor het communistische blok. Dat was het domste wat de Russen ooit hadden kunnen doen, want dan zouden ze onherroepelijk gediscrediteerd zijn geworden en zou de val van het blok wellicht jaren eerder hebben plaatsgehad dan in 1989. Maar propagandalui van de NAVO e.a. konden niet aan de verleiding weerstaan. Moskou zou de aanslag hebben uitbesteed aan Bulgarije en dus werd in Rome Sergei Antonov, bediende van de Bulgaarse luchtvaartmaatschappij, ervan beticht de aanslag te hebben georganiseerd. (Bedienden van luchtvaartmaatschappijen zijn blijkbaar in trek als zondebokken – ambassadepersoneel betichten zou tot heel wat diplomatieke problemen leiden.) Om dit waar te maken werden meinedige getuigen ten tonele gevoerd, onder meer een Belgische monseigneur, en zelfs valse foto’s voorgelegd om het contact tussen Antonov en Agça te bewijzen. Antonov had echter het geluk dat hij niet voor een uitzonderingsrechtbank, waarvan de samenstelling in de zin van het bereiken verdict wordt gemanipuleerd, moest verschijnen. Hij werd dan ook vrijgesproken, maar bracht wel lange tijd in de gevangenis door.

Wie even verder doordenkt, zou eerder in de NAVO de organisator van de aanslag op de paus kunnen zien. De Turkse Grijze Wolven maakten, zoals zovele Europese uiterst rechtse groepen, deel uit van het Gladio-netwerk dat door de NAVO werd opgezet om in geval van eventuele Sovjet-bezetting van Europa verzets- en inlichtingswerk te doen. Als ze een paus uit het communistische blok zouden laten neerschieten door één van hun kompanen en dat de Russen in de schoenen zouden kunnen schuiven, zou dat een fantastisch propagandasucces hebben opgeleverd…

Hariri-tribunaal

Een ander exemplarisch verhaal is dat van de moordaanslag op de Libanese premier Rafik Hariri op 14 februari 2005. Onmiddellijk werd duidelijk dat Syrië, dat totaal uit de westerse gratie was omwille van o.m. zijn vermeende steun aan de anti-Amerikaanse opstandelingen in bezet Irak, de dader moést zijn – alhoewel het daar objectief bekeken geen enkel motief kon voor hebben, integendeel zelfs, en bv. Israël een meer voor de hand liggende dader kon zijn omdat het Libanon onstabiel en gepolariseerd wil houden.

De moord werd alvast gebruikt om de aftocht van de Syrische troepen, waarvan de aanwezigheid in Libanon in 1990 ter wille van de oorlog tegen Saddam Hoessein, internationaal werd gelegaliseerd, af te dwingen. En de rapporten van de eerste leiders van de door de Veiligheidsraad ingesteld Internationale Onderzoekscommissie, de Ier Peter FitzGerald en de Duitser Detlev Mehlis, leken meer op anti-Syrische pamfletten dan op objectieve onderzoeksrapporten. Mehlis’ opvolger, de Belg Serge Brammertz, inmiddels ook niet meer betrokken bij het onderzoek, hield zich wijselijk meer op de vlakte. Niettemin besloot de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 30 mei 2007 tot de oprichting van een Bijzonder Tribunaal voor Libanon. Ook in het onderzoek naar de moord op Hariri blijken “getuigen” met miljoenen dollars te zijn gekocht om valse verklaringen af te leggen. De onderzoekers kwamen in nauwe schoentjes toen een aangesproken Syriër uit de biecht begon te klappen.

Momenteel staat het onderzoek op een laag pitje. Enkele Libanese generaals die een paar jaar in de gevangenis zaten werden eerder dit jaar vrijgelaten. De reden daarvoor is, evenals in de Lockerbie-zaak, een ommekeer in de internationale conjunctuur. De Amerikanen, die na de moord op Hariri hun ambassadeur uit Damascus terugriepen, stuurden een nieuwe man naar Syrië en de betrekkingen zijn zo goed als genormaliseerd. Ook de Franse president Nicolas Sarkozy vrijt de Syrische president Bashar al-Assad op. Vorig jaar mocht die zelfs naast hem op de tribune op de Champs Elysée staan voor het militaire défilé ter gelegenheid van de Franse nationale feestdag op 21 juli.

Inzet van die westerse koerswijziging is Iran. Syrië is immers de voornaamste bondgenoot van de ayatollahs in Teheran en Iran komt meer en meer in de westerse, en Israëlische vuurlijn, omwille van zijn atoomprogramma. Syrische neutraliteit bij een aanval op Iran is noodzakelijk. Het is immers geen geheim dat Syrië anders de Libanese sjiitische verzetsbeweging Hezbollah, die zich herbewapend heeft en over raketten beschikt die Tel Aviv kunnen treffen, in actie kan brengen. Ook kan het het verzet in Irak kan activeren tegen de Amerikanen. Syriërs, en Libanese bondgenoten van hen nu voor een rechtbank dagen, zou fataal zijn voor de pogingen om Damascus los te weken van Teheran. Maar om het bondgenootschap uit elkaar te halen zal het Westen wel wat meer moeten doen vriendelijk zijn en wat geld vrijmaken. Syrië beseft maar al te best dat het dan alleen komt te staan en binnen de kortste keren, en geïsoleerd, weer tot vijand kan worden verklaard. Bovendien heeft het nog nergens een garantie gekregen dat Israël de bezette, en officieel geannexeerde Syrische Golan-hoogten, zou willen ontruimen.

De tribulaties van het Internationaal Strafhof in Den Haag zijn een ander voorbeeld van politieke invloed. Totnogtoe behandelt het alleen maar zaken tegen Afrikanen. De Afrikaanse Unie zegt niet onterecht dat het een anti-Afrikaans hof is. Afrika legt nu eenmaal weinig gewicht in de internationale gemeenschap. Door berechting van Afrikanen wordt nergens in de wereld op zere tenen getrapt. Na de oorlog in Gaza van eind december tot in januari werd door de Palestijnse Autoriteit bij het Hof gevraagd om een onderzoek naar Israëlische misdaden in te stellen. Er is sedertdien wel een vooronderzoek gestart, maar zoals de Belgische rechter bij het Hof, Christine van den Wyngaert, aan de pers verklaarde, kan er geen zaak worden geopend omdat Israël het Statuut van Rome, waaronder het Hof werd opgericht, niet heeft ondertekend. Die uitzondering geldt niet voor Afrika. Daar heeft Soedan ook het Statuut niet aanvaard, maar dat verhinderde hoofdaanklager Luis Moreno Ocampo er niet van om op 14 juli 2008 een internationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen tegen de Soedanese president Omar al-Bashir wegens vermeende oorlogsmisdaden in Darfur. Israël, dat wordt gesteund door het hele Westen en door Rusland, stampt men niet tegen de schenen. Soedan wel.

Opmerkelijk in al deze zaken is dat China en Rusland, die nochtans vetorecht hebben in de Veiligheidsraad, meegaan met de westerse manipulaties en vlot sancties goedkeuren, zoals dat met Libië het geval was, ook al zijn er geen echte bewijzen. Opmerkelijk is eveneens dat alle onderzoekscommissies en rechtbanken vol zitten met westerlingen en dat Chinezen en Russen er uitblinken door hun afwezigheid, en dat noch Peking noch Moskou daar blijkbaar problemen mee hebben.

Manipulatie, propaganda- en doofpotoperaties door de westerse landen zijn schering en inslag, alhoewel die zeggen op te komen voor “waarden”. Maar in de praktijk lijken ze geen waarden te hebben. Zo heeft de NAVO bv. altijd geweigerd tekst en uitleg te geven over, laat staan verantwoordelijkheid op te nemen, voor het neerschieten van een Italiaans passagiersvliegtuig boven het eilandje Ustica, niet ver van de Siciliaanse hoofdstad Palermo op 27 juni 1980. Daarbij verloren 81 passagiers en de bemanning het leven. Het onderzoek ernaar werd op alle mogelijke manieren gesaboteerd, maar aangenomen wordt dat het vliegtuig werd neergeschoten tijdens een oefening of een andere opdracht van Amerikaanse, Franse en Italiaanse gevechtsvliegtuigen. Geen enkele westers eerbetoon aan de slachtoffers, want dat behoort blijkbaar niet tot de “waarden” van de NAVO. Schadevergoeding ook niet.

(Uitpers, nr. 112, 11de jg., september 2009)

(Visited 9 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 73 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook