Leopold II, een compleet portret

Naar aanleiding van de 60ste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid verschenen in 2020 nogal wat boeken, waarvan dit voorlopig het laatste is, en de ondertitel veelbelovend. De meeste boeken beperken zich tot Congo-Vrijstaat van Leopold II, dit boek bekijkt ook zijn hele leven, zijn visie op defensie, op de sociale beweging, de taalpolitiek, het kiesrecht. Voor de kolonisering van Congo verwijst de auteur naar o.a. Zana Etambala, Congo 1876-1914.

Het boek begint met een beschrijving van de kille sfeer in het paleis van Laken en het opgelegde huwelijk van de 18-jarige en 1,90 meter grote Leopold met de 16-jarige Marie Henriette van Oostenrijk. Dan volgen de snode plannen van de jonge Leopold (°1835) om in 1854 Nederland aan te vallen en zo het katholieke zuiden en de kolonies te annexeren. De Franse keizer Napoleon III liet weten dat dit niet mocht gebeuren (p. 44).

Op zijn reizen in Egypte (1855 en 1862) ontmoette Leopold twee keer Ferdinand de Lesseps, de bouwer van het Suezkanaal en onderhandelde hij met de (onbetrouwbare) onderkoning over een scheepvaartlijn Antwerpen-Caïro. Op zijn 20ste, dus 21 jaar vóór zijn Congo-avontuur, was hij al veel ondernemender dan het parlement en de regering en stelde hij hun tevergeefs voor om Brussel te voorzien van parken en grote monumenten. Bij diplomaten zoals Lambermont en militairen zoals Brialmont vond hij wel gehoor. En al in 1859 pleitte hij in de senaat voor handel met China. In 1861 en 1866 herhaalde hij dat pleidooi (p. 75, 98, 113). In 1864-65 reisde hij ernaartoe, maar hij moest vervroegd terugkeren omdat zijn vader op sterven lag. In december 1865 volgde hij hem op. Iedereen was overtuigd van zijn intelligentie en sluwheid. In 1866 wou hij de Filipijnen overkopen van Spanje, maar de verkoop ging niet door. Familiale tegenslagen bleven hem niet gespaard: zijn schoonbroer Maximiliaan werd in Mexico geëxecuteerd (1867), zijn zus Charlotte werd daarop gek, zijn zoontje en troonopvolger Elias stierf in 1869, de relatie met zijn vrouw was slecht. Bovendien wilden zowel Napoleon III als Bismarck België annexeren. Leopold pleitte daarom voor algemene dienstplicht, maar het parlement en de regering boden weerstand tot 1909. En lang vóór Congo, was hij al aan het bouwen in Brussel: de koninklijke serres, lanen, kazernes, de Beurs, parken zoals het Jubelpark en het Zuiderpark (net ten noorden van het Dudenpark), het Justitiepaleis, allemaal tegen de zin van de bekrompen regeringen (p. 177).

Afrika dan. Vanaf 1875 kreeg hij informatie van ontdekkingsreizigers over wantoestanden daar: slavenhandel, verkrachtingen, moorden, kannibalisme, … Hij kon dus iets goeds doen en tegelijk er economische voordelen uit halen. In 1876 belegde en betaalde hij in zijn paleis in Brussel met succes een grote, geografische conferentie. Er werd een internationale vereniging opgericht voor de verkenning en beschaving van Midden-Afrika. Heel Europa beschouwde Leopold als de leider van de strijd tegen de slavernij, behalve de Belgische en Britse politici en de koninklijke familie, die vreesde dat hij al het geld zou besteden aan Congo. In 1878 ontving hij Stanley twee keer en vond hij geldschieters zoals bankier Lambert(Rotschild). De exploratie van Congo kon beginnen.

Men trof er georganiseerde maatschappijen aan, maar ze hadden slavenhandel en ze martelden slaven dood en vilden ze levend (p. 225). De wreedste slavenhandelaar was wellicht Tippo Tip, een Afrikaanse islamiet. Kannibalisme was een normale zaak in vele regio’s. Begrijpelijk dat velen in Europa zich geroepen voelden om hier beschaving te brengen (p. 226-230).

In 1879 begon Stanley zijn tocht langs de Congostroom. Vanaf 1880 sloot hij vele verdragen met analfabete stamhoofden. Hij kreeg snel concurrentie van Brazza, die voor Frankrijk gebieden inpalmde. Bismarck geloofde niet in Leopolds avontuur en dacht dat hij zijn fortuin zou kwijtspelen. Hij organiseerde in Berlijn een grote Afrika-conferentie (1884-1885) met 15 landen. Grote triomfator was Leopold, die Congo kreeg nadat hij in 8 jaar tijd 29 expedities betaald had. Maar hij was geen sant in eigen land: hij kreeg geen financiële of militaire steun van België (p. 271). In 1886 was hij al 19 miljoen kwijt van zijn fortuin van 50 miljoen BF (p. 315, 319). De inkomsten van Congo bedroegen 10% van de uitgaven: het faillissement kwam dichtbij (p. 332).

In 1887 hield hij in Brussel zijn eerste toespraak in het Nederlands (p. 279). Hoewel hij sociaalvoelend was (hij liet op eigen kosten een groot park aanleggen voor de Brusselse arbeiders), was hij geen voorstander van algemeen stemrecht, dat rond 1890 door de BWP (Belgische Werkliedenpartij) met veel straatgeweld opgeëist werd (p. 347-352). In 1893 werd het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd: het aantal kiezers steeg van 46.000 naar 1,37 miljoen. De socialisten deden hun intrede in het parlement met 28 leden (p. 365).

Toen in 1894 de Engelse wapenhandelaar Stokes opgehangen werd wegens levering van moderne wapens aan de slavenhandelaars, kreeg Leopold de Britse publieke opinie tegen zich (p. 376). In 1897 had hij nog graag Soedan en Egypte veroverd en eventueel ook Marokko, maar dat mislukte.

China dan. Al drie pogingen had hij ondernomen: 1859, 1864, 1872. Telkens mislukte hij, deels door tegenwerking van de Belgische regering (p. 416). Hij wou dat België er spoorwegen mocht aanleggen en fabrieken bouwen. Daarom ontving hij in 1896 de Chinese mandarijn Li Hongzhang. In 1897 was het zover: België mocht de spoorweg Beijing-Hankou (nu Wuhan) aanleggen. Daarover gaat een flink deel van het boek van Johan Mattelaer: ‘A Belgian Passage to China’, dat hier niet vermeld wordt.

Rond 1890 vond de Ier Dunlop de rubberband uit. De Fransman Michelin volgde. De behoefte aan rubber schoot de hoogte in: men had het nodig voor autobanden en voor telefoon- en elektriciteitsnetwerken (p. 434). De inlanders werden met geweld verplicht om vaste hoeveelheden rubber in te zamelen en te leveren. Bij de Belgen die toezicht hielden, waren onervaren en wrede figuren. Leopold kwam zelf nooit in Congo, omdat hij als actief staatshoofd geen verre reizen meer mocht maken. Dat gold ook voor de staatshoofden van de buurlanden (p. 440). Geweld was toen helaas eigen aan elk koloniaal systeem en ook in Britse, Franse en Duitse kolonies werden handen afgehakt van gedode rebellen om de afgevuurde kogels te verantwoorden. Pas in 1896 werd het verminken van lijken bij wet verboden. Er werden geen handen afgehakt van levende mensen die te weinig rubber leverden: dat was een fabel, aldus Daniël Vangroenweghe (p. 447-448). De zwaarste vergrijpen speelden zich af in de gebieden van de twee Antwerpse concessiemaatschappijen: de Anversoise en de ABIR (p. 449). In het koninklijk domein was het verboden om dorpen plat te branden, moest men vrouwen, kinderen en privébezit respecteren en mocht men enkel rebellen straffen (p. 450-452).

Vanaf 1888 trokken de Scheutisten naar Congo, op verzoek van Leopold en met de steun van het Vaticaan. Bij de wereldtentoonstellingen in Antwerpen (1885, 1894) en Tervuren (1897) werden dorpen met Congolezen getoond. Toen zag men daar geen probleem in. Leopold maakte zich wel zorgen om de vele betogingen en stakingen die de BWP organiseerde om enkelvoudig mannenstemrecht te krijgen. Dat kwam er in 1919. Al rond 1900 voorzag Leopold een Duitse aanval en pleitte hij bij de regering voor nieuwe forten. Tevergeefs.

In 1902 overleed de koningin in Spa. Leopold zat in een ander kuuroord, Bagnères-de-Luchon, met Blanche Delacroix, een meisje van eenvoudige afkomst, dat hij had leren kennen op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. Het duo haastte zich naar de begrafenis van de vrouw met wie hij 49 jaar meer leed dan vreugde had gedeeld. In dat jaar ontsnapte hij aan een aanslag gepleegd door een anarchist.

In de kolonie kreeg men de rubberarbeiders enkel met grote dwang aan het werk. Dat leidde tot wandaden, die Leopold wel wilde stoppen: hij stuurde een onderzoekscommissie en wenste dat elke wreedheid tegenover inlanders bestraft zou worden (p. 521-527). Maar op de wandaden in de gebieden van de concessiemaatschappijen had men weinig controle. Massamoordenaar Léon Fiévez werd in Boma door de rechtbank dan ook vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen. Pas in 1903-1904 kwam er verandering, maar toen was de internationale en vooral Angelsaksische hetze tegen Leopold niet meer te stoppen. Vooral de Britten Edmund Morel en Roger Casement schreven tegen betaling anti-Leopold-artikelen. De auteur toont aan hoe vooral de Amerikaanse activist Adam Hochschild vals speelde door bewust stukken uit teksten weg te laten (p. 543-550) en hoe Casement een foto verspreidde van een ’afgehakte hand’, die in feite door een wild dier afgebeten was (p. 579). Het onheil was geschied. De Britse activisten repten met geen woord over de veel ergere gedwongen arbeid en zelfs concentratiekampen in hun eigen kolonies en over hun repressie in hun dichtstbijzijnde kolonie Ierland (p. 655-658).

Leopold decreteerde dat inlanders maximum 40 uur per week mochten werken voor de staat, tegen gangbare lonen. In september 1904 stuurde hij een internationale commissie naar Congo om de waarheid te achterhalen. Hun rapport was genuanceerd: verplichte arbeid was het enige dat de inlanders konden leveren in ruil voor een moderne staat. Maar ze moesten vaak te lang werken op te verre afstanden van huis. Nooit had een blanke een hand afgehakt bij een levende Congolees. De rechtspraak was vaak arbitrair en seksuele misbruiken bleven onderbelicht (p. 577-584).

Het rapport had gevolgen: de twee Antwerpse concessiemaatschappijen stopten ermee.

In 1905 stelde keizer Wilhelm II aan Leopold voor om toe te staan dat Duitsland via België in Frankrijk zou binnenvallen. Als beloning zou België dan de (tijdens Lodewijk XIV) verloren Vlaamse gebieden terugkrijgen.

Leopold trok zich steeds meer terug in Zuid-Frankrijk, samen met zijn Blanche, die in 1906 beviel van een zoontje. Leopold overlaadde Blanche met kastelen en andere geschenken, de socialistische pers met hatelijke scheldwoorden (p. 612-615). Hij reageerde als volgt: “Ik ben de vorst van een klein land met kleine mensen. Heel mijn leven heb ik opgeofferd om hen te dienen. Maar zij behandelen mij als een dief en een moordenaar.” (p. 617). In 1906 was de groothertog van Luxemburg ziek en kinderloos. Leopold deed een bod om het hertogdom, dat in 1839 van België was afgepakt, terug te kopen. Dit mislukte (p. 620-623). In hetzelfde jaar besefte de koning dat hij Congo zou moeten afstaan aan een vijandig België, maar hij wilde zelf de voorwaarden en het tijdstip bepalen. In 1908 gaf hij zich gewonnen (p. 661). De meeste liberale en bijna alle socialistische parlementsleden waren tegen de overname. Vanaf 15 november 1908 was België een koloniale mogendheid, zonder er trots op te zijn. Tot dan had Congo niets gekost aan België, integendeel (p. 661-670).

Rond 1900 had Leopold het grootste deel van zijn fortuin nagelaten aan de ‘Koninklijke Schenking’, dus aan de gemeenschap. Zijn dochters Stephanie en Louise waren boos en spanden een proces in tegen hem, maar ze verloren het (p.676-680). In 1909 kreeg Leopold een ernstig medisch probleem: zijn dikke darm was geblokkeerd. Op zijn sterfbed won hij nog een decennialange strijd: zijn eis om de algemene legerdienst in te voeren werd verwezenlijkt. Premier Schollaert beperkte ze wel tot één zoon per gezin (p. 688-690). En op zijn sterfbed trouwde hij op zijn 74ste met Blanche Delacroix (26). Op 17 december 1909 overleed hij aan een hersenbloeding, precies op dezelfde dag waarop hij in 1865 koning was geworden. Blanche werd door Goffinet, beheerder van Leopolds vermogen, uit het paleis gezet en mocht op 22 december de begrafenis niet bijwonen (p. 693-700). Dan ontstond de discussie over de erfenis. De Belgische staat, die hem altijd had tegengewerkt, verrijkte zich met het grootste deel, ten koste van zijn drie dochters.

In de laatste twee hoofdstukken zoekt de auteur het antwoord op de vraag: “Hoe groot is de schade die Leopold al dan niet heeft aangericht in Congo?” (p. 714). België haalde het meeste voordeel uit het project: het investeerde 40 miljoen BF en kreeg er 66 miljoen terug (p.716-717). Voor Leopold stond het overleven van België en van de monarchie voorop. Daarvoor moest het volgens hem een kolonie hebben. Zelfverrijking was niet zijn drijfveer. Congo kostte hem 5 à 10 miljoen BF. België haalde ook voordelen uit zijn bouwwerken en zijn Koninklijke Schenking.

De balans in Congo zelf was minder fraai. Het aantal doden kennen we niet: niemand weet hoeveel inwoners er waren vóór 1885: 15 miljoen? 28 miljoen? Volgens UCL-demograaf Jean-Paul Sanderson waren het er 10 tot maximaal 15 miljoen in 1885 (p. 718). Op sensatie beluste auteurs zoals Hochschild spreken over 10 miljoen doden door het geweld bij de rubberwinning: dan bleef er bijna niemand meer over. Zij verzwijgen ook de andere doodsoorzaken: lage geboortecijfers, voedseltekorten door misoogsten en droogte, stammenoorlogen, slaapziekte, pokken en andere epidemies (p. 719). Bij ontdekkingen ging de sterfte overal omhoog.

Bij Leopold was er alleszins nooit een doelbewuste uitroeiing: het begrip ‘genocide’ is hier dus ongepast. Hij had het onheil kunnen verminderen door parlementaire controle toe te laten, meer toezichters aan te duiden voor de ontginningen en voor de lange tochten naar de rubber en meer rechters om de wandaden te bestraffen. Wanneer hij berichten kreeg over gruweldaden, veroordeelde hij die, maar dacht hij dikwijls dat het geïsoleerde gevallen waren. Critici van toen zijn veel genuanceerder dan de huidige beeldenstormers en activisten: zelfs de Britten Casement en Grenfell prezen hem voor het grondig uitroeien van de Arabische slavenhandel, de goed onderhouden posten, de spoorwegen, de transporten over rivieren (p. 726-727). De Belgen maakten ook zoveel mogelijk een einde aan het kannibalisme en aan andere gruwelen. Bovendien zorgden ze voor infrastructuur: wegen, spoorwegen, havens, scholen, medische centra. En voor één gemeenschappelijke taal voor de 400 stammen én voor een geschrift. Want behalve het Arabisch in Oost-Congo, was er enkel analfabetisme. Voortaan konden de Congolezen communiceren met andere volkeren en andere werelddelen (p. 728).

Leopold heeft onvoldoende krachtig gereageerd op de wantoestanden, zijn topambtenaren (Liebrechts, Van Eetvelde, Thys, de Browne de Tiège, …) en zakenlui eveneens, maar die zijn steeds buiten schot gebleven, ook bij de huidige critici, die vaak veroordelen met de normen van nu (p. 731-733).

Zana Etambala signaleert dat Leopold de stichter is van Congo, dat zijn portret ginds overeind blijft en dat degenen die zijn standbeeld op het Troonplein willen verwijderen zich beter zouden bezighouden met de bestrijding van de Afrikaanse drugsdealers in de Matongewijk (p. 734).

Congolese historici oordelen veel genuanceerder over Leopold dan vele huidige Belgische: hij heeft van 400 elkaar bestrijdende stammen een natie gemaakt door middel van het onderwijs, de kerstening en de Franse eenheidstaal. De katholieke missies waren de enige die deze taak op zich wilden en konden nemen (p. 734-736).

Als vorst van België had hij ideeën die te groot waren voor de kleinburgerlijke bevolking en dito politici. Als bijna enige waarschuwde hij in 1906 voor het plan von Schlieffen en voorspelde hij de Eerste Wereldoorlog. Niemand luisterde. 6 jaar later deed Churchill dezelfde voorspelling.

Leopold ondernam ook heel veel voor de industrie en voor de Antwerpse haven. Van Brussel wou hij de mooiste stad van Europa maken, met natuurbehoud, parken en mooie lanen zoals de Tervurenlaan. En dit al vóór het Congo-project, dus met eigen centen (p. 741-742). In 1925 organiseerde (de hem vijandige krant) ‘Le Peuple’ een opiniepeiling over ‘De Grootste Belg”. Leopold won met grote voorsprong. Bij de beoordeling hebben historici en publieke opinie zich te veel gefocust op de wandaden in Congo en niet op zijn prestaties daar en in België.

De auteur eindigt met een naschrift over Blanche Delacroix, die ongelukkig en berooid stierf.

Beoordeling

Johan Op de Beeck heeft een zeer rijke woordenschat, hij is op de hoogte van vele details, hij vertelt alsof hij er zelf bij was, zijn taal klinkt soms wat barok en ouderwets (‘de koning verscheidde’, p. 112 in plaats van ‘stierf’), bij momenten langdradig. Maar als lezer geniet je wel van zijn proza.

Hij behandelt ook heel de binnenlandse politiek, de ruzies tussen liberalen en katholieken, de stakingen voor het algemeen enkelvoudig stemrecht, de school- en taalstrijd, kortom: het gaat niet enkel over Congo. We krijgen dus wat de titel belooft: het hele verhaal, een compleet portret.

Een kaart van Congo ontbreekt: plaatsen zoals Boma of Stanley Pool moet je dus zelf opzoeken. Er is een register, maar het is niet volledig. In 1886 waren er nog geen communisten in België (p. 302). Elders trouwens evenmin.

Bij een volgende uitgave mogen er enkele drukfouten uit: opna (p. 148, 165, 395) schrijf je in twee woordjes, Baudouain (p. 171) zonder die tweede a. Na evenveel zeg je ‘als’ i.p.v. ‘dan’ (417). Bij ‘aten voorbijgaan’(p.418) ontbreekt de letter ‘l’. Chinees (p. 425) is met een hoofdletter. Bij ‘de kolonie maakten’ (p. 728) moet de -n weg. ‘Zich verwachten aan’ (p. 452) is een gallicisme. De nieuwe eeuw begon niet op 1/1/1900 (p. 465, 476), maar op 1/1/1901. ‘1917’ (p. 650) moet 1907 zijn. Het aantal kiezers ging van 46.000 naar 1,37 miljoen: de auteur noemt dat ‘x 10’ (p. 365), ik zou zeggen: ‘x 30’. Allemaal details dus.

Johan Op de Beeck

Hardcover, 22x15x7 cm, 39,99 euro.

© Jef Abbeel            februari 2021            www.jefabbeel.be

Leopold II - Het hele verhaal
Johan Op de Beeck
Uitgeverij Horizon/Overamstel, Antwerpen/Amsterdam
september 2020
813 p. + 16 p. foto’s/stamboom, bibliografie, noten, registe
978-94-639-6209-4
(Visited 133 times, 1 visits today)
Deel dit artikel