Lapidarium van Ryszard Kapuscinski. De derde wereld en de verloedering van het journalistenvak

Ryszard Kapuscinski, "Lapidarium. Observaties van een wereldreiziger. 1980-2000", Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2003, 196 bladzijden, 22,95 euro.

Van 1990 tot 2000 schreef de Poolse reporter, Ryszard Kapuscinski, de tetralogie "Lapidarium". Met deze losse verzameling van teksten, fragmenten en journalistieke anekdoten blikt hij terug op zijn leven en werk als wereldreiziger. Kapuscinski heeft er vier decennia journalistiek opzitten.

Hij was getuige van meer dan dertig burgeroorlogen, revoluties en staatsgrepen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Eind vorig jaar publiceerde de Nederlandse vertaler, Gerard Rasch, bij uitgeverij "De Arbeiderspers" een bloemlezing uit de vier delen van Lapidarium. Het werd een boeiende verzameling teksten. De Poolse journalist kijkt met gemengde gevoelens naar de snel om zich heen grijpende globalisering van de wereldeconomie. Hij is somber gestemd over de toekomst van de meeste landen in de derde wereld. Afrika, een continent dat hem bijzonder na aan het hart ligt, ziet hij dieper en dieper wegzinken in het moeras van ellende, ziekte, uitzichtloosheid en onderontwikkeling. En de verloedering van zijn vak – de journalistiek – is voor Ryszard Kapuscinski een permanente bron van frustratie en ergernis.

Pinsk is een armoedig provincienest in Polen. Houten huizen, verpauperde ambachtslui, keuterboeren met wat kleinvee en koeien en een plaatselijke kleine landadel, die met weemoed terugdenkt aan zijn vergane glorie. Op 4 maart 1932 wordt Pinsk het geboortestadje van Ryszard Kapuscinski. Zeven jaar later breekt de Tweede Wereldoorlog uit. "Mijn ouders hadden niet eens geld om in de winter schoenen voor mij te kopen," schrijft Kapuscinski. Hij herinnert zich de eerste Duitse vliegtuigen, de eerste bommen, de vlucht naar veiliger oorden. "Op mijn twaalfde liep ik nog steeds achter de koeien aan. Ik had nog nooit een boek gelezen, om de eenvoudige reden dat er geen boeken waren in Pinsk."

Na de Tweede Wereldoorlog behoort Pinsk niet langer tot Polen. Het stadje ligt voortaan in de Sovjetrepubliek Wit-Rusland. De familie Kapuscinski wijkt uit naar Warschau.

Rondom de wereld zeilen

Ryszard Kapuscinski heeft nog een vreemde herinnering aan zijn prilste jeugdjaren. Als knaap is hij er rotsvast van overtuigd dat "elke weg eindeloos is en rondom de wereld leidt". "Dat komt omdat ik vanuit mijn geboortestadje Pinsk met een bootje alle wereldzeeën kan bereiken. Als ik vanuit mijn uit hout opgetrokken stadje vertrek, kan ik rond de hele wereld zeilen."

Die jongensdroom komt later uit. In 1956 wordt Kapuscinski journalist bij het Poolse persagentschap PAP en weldra begint hij aan zijn eerste grote reizen. Daarvoor heeft hij geen zeilbootje nodig. De luchtvaart brengt hem naar de plekken waar hij voor zijn reportages moet zijn. Hij verblijft in India, Pakistan, Afghanistan, Japan en Hong Kong. Hij is enige tijd vaste correspondent voor PAP in de Chinese Volksrepubliek. Van 1962 tot 1967 werkt hij voor het Poolse persagentschap in Afrika. Daarna volgt Latijns-Amerika (van 1967 tot 1972). Vanaf 1973 is hij voor PAP voortdurend op reis. Hij keert af en toe naar Warschau terug om er een van zijn reportageboeken af te werken. In augustus 1980 gaan de scheepswerven van Gdansk en Szczecin in staking. Polen lijkt uit een lange winterslaap op te staan. De Communistische Partij moet een aantal toegevingen doen aan de stakende arbeiders. Plots lijkt alles te kunnen in Polen, ook al maakt de grote socialistische broer in het buurland, de USSR, zich ernstig zorgen. Kapuscinski laat de pas verworven vrijheid niet aan zich voorbijgaan. Hij gaat aan de slag bij de redactie van het onafhankelijke weekblad ‘Kultura’. Enkele maanden later zet generaal Jaruzelski de klok terug. Voor Moskou is het welletjes geweest. De vrije vakbond in Polen en onafhankelijke kranten als Kultura worden verboden. Kapuscinski wordt onafhankelijk journalist en begint weer te reizen.

De derde wereld ontwaakt

"In 1955, na mijn studie geschiedenis, wilde ik op een minder academische manier contact met de geschiedenis blijven houden," schrijft Kapuscinski begin 1990. "Ik wilde weten hoe de geschiedenis ontstaat, hoe geschiedenis geschiedenis wordt. En halverwege onze eeuw ontwaakte net de derde wereld. Dat was een buitengewoon historisch verschijnsel. De twintigste eeuw was uniek, niet allen vanwege de ervaring van het totalitarisme, maar ook vanwege de geboorte van de derde wereld. Als we een politieke wereldkaart uit de eerste helft van de eeuw naast een uit de tweede helft leggen, dan zien we twee volkomen verschillende werelden. Op de eerste kaart is de wereld hiërarchisch geordend. De aarde werd gedomineerd door enige onafhankelijke staten, de rest van de wereld had de status van kolonie, semi-kolonie, dominion. Alles maakte deel uit van een door West-Europa en de Verenigde Staten gedomineerde structuur. De wereld die we nu zien is volkomen anders. We zien tegen de tweehonderd staten, een kaart zonder kolonies, semi-kolonies of protectoraten. Ik spreek niet over de materiële en feitelijke stand van zaken, maar formeel en juridisch is de wereld van vandaag een onafhankelijke wereld. Mij viel het geluk ten deel om dat fenomeen met eigen ogen te kunnen volgen, als journalist, reiziger en historicus. De geboorte van de onafhankelijke derde wereld verliep bijzonder snel. Alleen al in 1962 ontstonden in Afrika zeventien zelfstandige staten."

"Ik werd gefascineerd door die mensen uit de derde wereld die al strijdend hun eigen staten en volken hebben geschapen. Dat is het thema van mijn leven. Misschien is het een gevolg van het feit dat ik uit het armste deel van Europa kom."

"Handlanger van Lumumba"

Ryszard Kapuscinski heeft als geen ander dit ontwaken van de derde wereld beschreven in schitterende literaire reportages. Hij was in het pas onafhankelijke Congo, toen Belgen en Amerikanen afrekenden met de eerste Congolese premier, Patrice Lumumba. Deze Congolese episode werd bijna het einde van zijn journalistieke loopbaan. Hij werd er opgepakt door enkele op wraak beluste Belgische (tot de tanden gewapende) kolonialisten, die maar wat graag een "communistische agent" en "handlanger van Lumumba" voor het executiepeloton wilden slepen. Kapuscinski schreef boeiende portretten van de eerste leiders van de Afrikaanse onafhankelijkheidsbeweging: de Congolees Lumumba, de Ghanees Nkroemah of de Algerijn Ben Bella. Zijn ervaringen met de onafhankelijkheidsbewegingen in Afrika, maar ook in de rest van de derde wereld, zijn voor het Nederlandstalige publiek toegankelijk in de twee uitstekende reportagebundels "De voetbaloorlog" (1991) en "Ebbenhout" (2000).

Keizers en Sjahs

Ryszard Kapuscinski zag in de jaren zeventig één van de meest absurde en feodale regimes van Afrika ten onder gaan: het keizerrijk Ethiopië van Haile Selassie. Na de val van de Ethiopische keizer, praatte Kapuscinski met tientallen voormalige hoogwaardigheidsbekleders van het keizerlijke hof, die hun fortuin en status te danken hadden aan de "nachtmerrie van de macht", waarvan Haile Selassie de verpersoonlijking was. Maar de Poolse reporter luisterde ook naar de verhalen van de kleine paleisbedienden: de tuiniers, koks, zaalwachters, obers, kamerbedienden, chauffeurs… In zijn reportageboek "De Keizer" (1984) beschrijft hij de waanzin van de Ethiopische keizer, die zijn land bijna vijftig jaar lang regeerde, alsof hij in de middeleeuwen leefde.

Kapuscinski verbleef in Iran, toen de Reza Pahlevi, de Sjah van Perzië, één van de belangrijkste bondgenoten van het Westen in de olierijke regio van de Golf en het Midden-Oosten, door een volksrevolutie van de politieke kaart werd geveegd. Kapuscinski schreef er het unieke boek "De Sjah aller Sjahs" over (1986).

Neokoloniale restauratie

Later zou Kapuscinski getuige zijn van de neokoloniale restauratie. De pas onafhankelijk geworden derde wereld – in het bijzonder Afrika – ging ten onder aan corruptie en dictaturen van neokoloniale leiders. Tijdens de koude oorlog vochten de twee supermachten vaak hun rivaliteit uit op het Afrikaanse continent, in Azië of Latijns-Amerika. En eens de koude oorlog voorbij, geraakte de hele wereld in de ban van de globalisering. "Het probleem van de negentiende eeuw," schrijft Kapuscinski in Lapidarium, "was de uitbuiting." "Het hoofdprobleem van onze tijd is de marginalisering (uitsluiting, afwijzing)". "De marginalisering betreft niet alleen mensen, maar ook zaken en problemen, die onrust en vrees zouden kunnen wekken, en die op een zijspoor worden gezet, uit het gezichtsveld verwijderd. In de media wordt hun plaats ingenomen door amusement, door aangenaam, zorgeloos tijdverdrijf zonder conflicten."

"Eén van de dingen die de ontwikkeling van de derde wereld belemmeren, is de omstandigheid dat iedere vooruitgang gevaar oplevert voor de belangen van de welvarende landen. De oorzaak? Bijvoorbeeld dat de natuurlijke reserves van onze planeet begrensd zijn en dat ze daardoor in beperkte mate worden gebruikt. Een burger van een welvarend land benut gemiddeld vijfentwintig tot dertig keer meer van die reserves dan de statistische burger van een land in de derde wereld. Als zo’n burger, omdat hij zijn bestaan wil verbeteren, meer grondstoffen van onze planeet zou gaan verbruiken, dan zou hij het deel dat een burger van een rijk land toevalt, geringer maken. Vandaar de tegenstrijdigheid van belangen van deze twee werelden."

"In Afrika," stelt Kapuscinski vast, "maar niet alleen daar, nemen we een nieuw verschijnsel waar, namelijk de privatisering van de oorlogen. Dat is het gevolg van het einde van de koude oorlog. De grote mogendheden hebben er geen belang meer bij ergens in de buitengebieden van de planeet vervangende oorlogen te voeren. Er zijn dus lege slagvelden ontstaan, in zekere zin gebieden die van niemand zijn, waar al gauw privé firma’s zijn binnengetrokken, firma’s van huurlingen die, in opdracht van een of andere regering, een monopolie of een politieke partij, militaire operaties uitvoeren. Bijvoorbeeld in Afrika, waar zulke firma’s grote aantallen voormalige soldaten uit Zuid-Afrika, Oekraïners, Bulgaren enzovoort in dienst hebben."

Aan het front

"Vroeger was het front mijn hartstocht," schrijft Kapuscinski. "Uitsluitend het front, aan het front verblijven, daarover schrijven. Nu interesseert mij steeds meer de andere kant van de conflictsituatie." En hij waarschuwt meteen voor een reeks perverse tendensen van de hedendaagse journalistiek. "Een cynicus leent zich niet voor het beroep van oorlogscorrespondent of buitenlandse verslaggever. Dat beroep, die missie, veronderstelt begrip voor de menselijke ellende, vereist sympathie voor de mensen," zo oordeelt hij. "Je moet je lid voelen van de familie, waartoe ook al die andere gewone mensen op onze planeet horen, zij die niet eens het meest elementaire bezitten. Je moet je met heel oude problemen bezighouden, met ellende en armoede – zo is de wereld. Menselijke warmte is voor dit soort werk een voorwaarde. Het cynisme en nihilisme, het verval van de waarden en de minachting voor anderen zijn er de oorzaak van dat het leven op de wereld moeilijk te dragen is."

"Natuurlijk maak ik me ongerust over de onwetendheid en het gebrek aan belangstelling voor de situatie in de derde wereld. Het vult me met verdriet dat de kloof tussen de consumptiemaatschappij en de arme landen onoverbrugbaar is."

"Ons geheugen wordt steeds korter," stelt Kapuscinski vast. "We zijn getuigen van het wegslinken van het historisch bewustzijn. De geschiedenis wordt vervangen door de collage." "De televisie heeft tegenwoordig het monopolie op het beeld, levert voortdurend beelden uit de wereld, maar is niet in staat ze te verdiepen met een beschouwing. Ik zie de oplossing in een verbinding van beeld en beschouwing."

"Een beproeving voor onze wijsheid"

"Op het gevaar dat het tv-scherm ons in een land van suggestieve illusies leidt, werd al in de jaren dertig gewezen door de grote cultuurtheoreticus Rudolf Arnheim," zo frist Kapuscinski even ons geheugen op. "De moeilijkheid is, schreef Arnheim in zijn boek "De film als kunst", dat de mensen de wereld van de zintuiglijke ervaring met die van de wereld van het denken verwarren en dat ze menen dat "zien" hetzelfde is als "begrijpen". Bovendien wees Arnheim erop dat de menigte beelden die zonder onderbreking en snel voor onze ogen passeert, het domein van het gesproken en geschreven woord beperkt, en daarmee het domein van het denken. De televisie, schreef hij, zal een zware beproeving voor onze wijsheid worden. Ze kan ons verrijken, maar ze kan onze geest ook in slaap sussen."

Lid van de kudde…

Kapuscinski slaat met toenemende ongerustheid de huidige evolutie van de media gade. "De wereld van de media is tegenwoordig zo uitgegroeid dat ze genoeg heeft aan zichzelf en haar eigen, gesloten leven leidt. De concurrentiestrijd tussen de verschillende centrales en stations is nu belangrijker dan de ons omringende wereld," stelt hij vast. "Een enorme massa afgezanten van de media beweegt zich tegenwoordig als een dichte kudde over onze planeet, terwijl iedereen elkaar in de gaten houdt en erop let niet door de concurrentie geklopt te worden. Vandaar dat ook al kunnen er in de wereld verschillende belangrijke dingen tegelijk gebeuren, de media toch maar over één ervan zullen vertellen, en wel de gebeurtenis waarbij de kudde aanwezig is. Ik ben zelf meer dan eens lid van die kudde geweest en weet hoe hij functioneert. Ik herinner mij de crisis die het gevolg was van de gijzeling van de Amerikanen in Teheran. Daar gebeurde in wezen niets, niettemin verbleven er maandenlang duizenden afgezanten van de media uit heel de wereld in de stad. Datzelfde leger verhuisde jaren later naar de Perzische Golf, waar het in feite zo goed als niets anders kon doen, omdat de Amerikanen niemand toestonden om naar het front te gaan. In dezelfde tijd vonden er hevige gevechten plaats in Mozambique en Soedan, maar dat interesseerde niemand, omdat de kudde bij de Perzische Golf verbleef. Het ging net zo tijdens de putsch in Rusland in 1991. Echte gebeurtenissen – stakingen en demonstraties – vonden plaats in Sint-Petersburg, waarvan de wereld echter niets wist, omdat de media wachtten op de gang van zaken in Moskou, waar niets buitengewoons gebeurde."

"Arrogante, nieuwe kolonialen"

De ontwikkeling van de moderne communicatiemiddelen, in het bijzonder die van de mobiele telefonie en het internet, heeft volgens Ryszard Kapuscinski "een radicale verandering teweeggebracht in de verhouding tussen de afgezanten van de media en hun bazen, de managers." " De eersten zijn hun zelfstandigheid kwijt, hun onafhankelijke oordeel, het recht op een eigen vertolking, en dat is weer van invloed op de kwaliteit en het waarheidsgehalte van de informatie. Vroeger had de correspondent van een krant, een persagentschap of de radio een hoge mate van zelfstandigheid en het recht op eigen initiatief. Hij zocht informatie, probeerde iets te ontdekken, iets te scheppen. Tegenwoordig is hij een pion die als een schaakstuk wordt verplaatst door zijn baas in de centrale (die zich aan het andere einde van de aardbol kan bevinden). Deze baas beschikt over informatie omtrent de gegeven gebeurtenis uit velerlei bronnen tegelijk. Hij kan een heel ander beeld van de gebeurtenissen hebben dan de reporter ter plaatse. Zonder te wachten op de resultaten van het werk van zijn reporter informeert de centrale hem wat men van de gebeurtenis weet, en verwacht van hem louter en alleen een bevestiging dat de situatie er inderdaad zo voor staat als de centrale zich voorstelt. Veel correspondenten die ik ken durven tegenwoordig niet zelf meer achter de waarheid aan te gaan. Je kunt de reporters echter moeilijk iets kwalijk nemen. Zij zijn het slachtoffer van de arrogantie van hun bazen. ‘Wat kan je van mij verlangen?’ zei een collega, cameraman van de Italiaanse televisie, ‘in één week heb ik in vijf verschillende landen gewerkt, op drie continenten!’".

Ryszard Kapuscinski beschrijft de arrogantie van de moderne media vanop het terrein. "Oktober 1999, een dorpje in het door de oorlog getroffen Kosovo. Uit een helikopter stapt een televisieploeg van NBC. Ze landen als paratroopers, gehaast, brutaal, snel, arrogant. Ze laden een piramide van kisten uit, stellen koortsachtig hun driepoten en camera’s op. De nieuwsgierige kinderen die komen aanrennen jagen ze de hele tijd weg. Ze geven de politieagenten die de ploeg vergezellen bitse instructies en komen in actie. Ze sleuren een vrouw uit de groep arme, doodsbange mensen die in de buurt staan. De vrouw huilt, schikt zenuwachtig haar hoofddoek, schudt haar zuigeling heen en weer, zegt snikkend een paar onbegrijpelijke woorden, zij filmen het, de scène duurt een paar minuten. Vervolgens halen ze nog een vrouw uit de menigte, na haar nog een tandeloze boer (hij mag geen tanden hebben, wie tanden heeft wordt niet gefilmd). Ze zijn klaar met hun opnamen en pakken haastig hun kisten in, stoppen hun driepoten en camera’s erin, gaan erop zitten, kijken onrustig op hun horloges, kijken in de lucht of de helikopter nog niet komt aanvliegen. Geen woord tegen de stakkerds die in een kring om hen heen staan. Het kwam niet eens bij ze op om hen te vragen of ze hier mochten zijn en iets doen. Geen enkel gebaar van vriendelijkheid, geen enkel teken van begrip. Alleen geringschatting, hoogmoed en ongeduld. De nieuwe hoge heren. De nieuwe kolonialen."

"Lapidarium" van Ryszard Kapuscinski zou best op elke kranten-, radio- en televisieredacties in tientallen exemplaren gelezen – en liefst verslonden – worden.

(Uitpers, nr. 50, 5de jg., februari 2004)

Print Friendly, PDF & Email
Visited 10 times, 1 visit(s) today

Visited 217 Times, 1 Visit today

×