Landen, groeperingen en personen met belangen en motieven voor mogelijke betrokkenheid bij 9/11

· 1 september 2006 Like

Inleiding

Gelovers in het officiële complot van 9/11, waarin Arabische kapers vliegtuigen kaapten en de gelovers in alternatieve complotten hebben weinig oog voor de kracht van elkaars argumenten. Als echte gelovers zijn ze heilig overtuigd van het eigen gelijk. Gelovers in alternatieve complotten worden daarbij regelmatig neergezet als paranoïde complotdenkers en gelovers in het officiële complot als personen, die kritiekloos alles slikken wat de autoriteiten over 9/11 vertellen. Wel is het zo, dat steeds meer mensen vraagtekens zetten bij de officiële lezing. Daaronder bevinden zich prominenten, zoals de voormalige Duitse minister Von Bulow, die gespecialiseerd is in techniek en geheime diensten.

Om bij te dragen aan een meer onbevangen en onbevooroordeelde kijk op 9/11 zal in dit artikel aan de hand van ontwikkelingen voor en na 9/11 in met name Amerika, aan de hand van motieven en belangen van landen, groeperingen en personen en de mogelijkheid om een gecompliceerde operatie als 9/11 uit te voeren beoordeeld worden, welke landen, partijen en personen daarbij betrokken kunnen zijn geweest.

Par. 1 Landen, groeperingen en personen met belangen en motieven voor 9/11

De volgende landen, groeperingen en personen hadden belangen en motieven om bij 9/11 betrokken te kunnen zijn geweest:

1. Israël heeft er belang bij om in het M-O en de rest van de islamitische wereld gebruik te maken van de mogelijkheden van bondgenoot Amerika. Bondgenoot Amerika kan bedreigingen van Israël vanuit de islamitische wereld militair, economisch en politiek tegengaan. Israël heeft er mede daarom belang bij om Amerika ertoe te bewegen troepen naar de islamitische wereld te brengen. Een omslagpunt in de publieke opinie was daarbij heel welkom. PEARL HARBOR fungeerde in WO II als zo’n omslagpunt.. Op pagina 51 van het belangrijkste document van de PNAC met een sterk pro-Israëlische agenda REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) staat:

“Further, the process of transformation, even if it brings revolutionary change, is likely to be a long one, absent some catastrophic and catalyzing event – like a new PEARL HARBOR.”

Negenelf kan dat nieuwe PEARL HARBOR zijn.

Onder dekking van Amerika kan Israël ook zelf aan de Israëlische agenda werken. Zo heeft de MOSSAD grootschalig operaties uitgevoerd in Iraaks Koerdistan. En als Amerika besluit IRAN aan te vallen kan Israël onder dekking van die aanval operaties in IRAN uitvoeren, waarbij gebruik gemaakt kan worden van door Amerika beheerst Irakees en Afghaans grondgebied.

Door een grote militaire aanwezigheid in de islamitische wereld van Amerika zal Amerika ook eerder bereid zijn op te treden tegen IRAN. En onder dekking van Amerika kan Israël ook zijn agenda met betrekking tot Libanon en SYRIE gemakkelijker uitvoeren.

2. De neocons in Amerika hadden er belang bij. De strategie van de neocons in en rond de regering BUSH, waarbinnen de joodse neocondenktanks AEI en PNAC en de groep van 25 neocons rond BUSH, gedomineerd door joodse neocons, gesteund door de AIPAC (American Israel Public Affairs Committee) en de joodse Conference, een grote invloed hebben, was er op gericht om zo min mogelijk daglicht te zien tussen de belangen van Amerika en Israël.

3. Er zijn joodse groeperingen in Amerika en Israël, die op basis van een religieuze agenda voor de Groot-Israël gedachte zijn of eigenlijk vinden, dat onder meer Jordanië tot Israël zou moeten behoren. Negenelf kan ertoe hebben gediend om de realisering van die agenda dichterbij te brengen. Zo is de belangrijke joodse neocon en Amerikaans onderminister voor defensie op politiek gebied tot augustus 2005 DOUGLASH FEITH een volgeling van rabbijn Jabotinsky, die vindt, dat ook Jordanië eigenlijk tot Israël zou moeten behoren. Reserve-luitenantkolonel Larry Franklin, die in 2005 werd tot 12 jaar werd veroordeeld vanwege spionage voor Israël, werkte op het kantoor van DOUGLAS FEITH.

4. De zakelijke belangen van president BUSH en vice-president CHENEY. BUSH heeft zijn achterban in de oliestaat Texas. De familie BUSH heeft grote belangen in de olie-industrie en alleen al de verhoging van de spanningen doet de kassa rinkelen. En een militaire aanwezigheid van Amerika in de islamitische wereld kan het voor de familie BUSH gemakkelijker maken om daar grote oliebelangen te verwerven en te verdedigen. En de BUSH familie heeft met de positie van expresident en vader van de huidige president bij de Carlylegroep ook via deze bank grote belangen in IRAK. CHENEY was eerder topman bij Halliburton. Dat bedrijf heeft samen met dochtermaatschappijen in IRAK bij de wederopbouw vele grote orders gekregen.

5. AL-QAIDA en andere radicale groeperingen zoals de Taliban. Motieven kunnen dan zijn pure wraak voor de bemoeienis van Amerika met de islamitische wereld, 9/11 als een onderdeel van de strijd tussen Amerika en de politieke islam, niet alleen in het kader van een gewapende strijd maar ook als PR stunt, of om Amerika een islamitisch moeras in te lokken, of een combinatie van deze motieven.

6. De Amerikaanse geostrategische militaire en economische belangen. Hierbij gaat het om de olie- en gasvoorraden in de islamitische wereld en Centraal-Azie en het economische expansionisme van China en India maar ook om het streven van IRAK en IRAN om de oliehandel niet meer in dollars te gaan verrekenen maar in euro’s. Dat zou de positie van de dollar aanzienlijk kunnen verslechteren.

7. Gematigde moslimlanden en groeperingen in die landen, die hun positie door radicalisering binnen de islamitische wereld bedreigd zien. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld Saoedi-Arabië, Koeweit en de Arabische Emiraten. De meeste kapers van 9/11 kwamen ook uit Saoedi-Arabië en Osama Bin Laden is uit een gegoede Saoedische familie afkomstig. Door een militaire aanwezigheid van Amerika uit te lokken zouden de belangen van die landen en groeperingen net als ten tijde van de Golfoorlog beschermd kunnen worden.

Door gemeenschappelijke belangen kunnen landen, groeperingen en personen van de verschillende hiervoor genoemde categorieën ook gelegenheidscoalities zijn aangegaan.

Par. 2 Welke landen, groeperingen en personen met belangen en motieven konden een operatie als 9/11 uitvoeren.

De volgende vraag is dan, welke van die landen, groeperingen en personen, eventueel in de vorm van coalities, in staat zouden zijn een dergelijke grote operatie uit te voeren. Laat ik dan beginnen met de Taliban en AL-QAIDA. Die laatste twee organisaties zijn volgens de officiële lezing direct en indirect bij die aanslagen betrokken geweest. Direct omdat het netwerk van AL-QAIDA de aanslagen zou hebben gepleegd en indirect omdat door de steun van de Taliban die aanslagen konden worden voorbereid. Maar juist die beide organisaties zijn opgericht met steun van Amerika met daarbij op de achtergrond nog enige steun van andere landen, zoals Engeland, Saoedi-Arabië en Pakistan. Maar Amerika was de regisseur. Dat betekent, dat de CIA daar grote invloed had. De CIA zal er vanwege de grote belangen in de islamitische wereld alles aan gelegen zijn geweest om daar invloed te behouden. Door de ontstaansgeschiedenis is dat betrekkelijk eenvoudig. Bovendien is het door de vertakkingen van het netwerk van AL-QAIDA relatief eenvoudig om binnen het netwerk te komen en daar te blijven. In het verlengde hiervan zal ook grote vriend MOSSAD daar invloed hebben. Er mag dan worden aangenomen, dat de CIA en MOSSAD in ieder geval van belangrijke ontwikkelingen op de hoogte moeten zijn en die ook zonodig direct of indirect geheel of gedeeltelijk aan kunnen sturen. Op grond daarvan lijkt het welhaast uitgesloten, dat een grote operatie als 9/11 onbekend was. Kennis van deze operatie met mogelijk directe of indirecte aansturing ligt dan meer in de rede. Een grote operatie als 9/11 is dan mogelijk.

Bij de persoonlijke zakelijke belangen van BUSH en CHENEY gaat het om de twee hoogste leiders, die politiek en bestuurlijk al vele jaren op hoog niveau werkzaam zijn. En de vader van de huidige president BUSH is niet alleen president geweest, maar ook directeur bij de CIA. En ook hij heeft zo zijn zakelijke belangen. En hij was leider van de coalitie, die SADDAM uit Koeweit verdreef, waar hij vele waardevolle contacten aan zal hebben overgehouden. Door samenspanning en het inzetten van vertrouwelingen binnen de geheime diensten voor de eigen persoonlijke belangen zijn dan geheime operaties op een behoorlijke schaal mogelijk. Doordat kennis over de operaties dan slechts aan heel weinig mensen bekend is, is de kans op uitlekken redelijk klein. Voor een grote operatie als 9/11 lijkt de basis dan wel vrij smal te zijn.

Religie kan mensen tot radicale opvattingen brengen. Dat geldt voor moslims maar ook voor joden. Onder de religieus geïnspireerde joodse groeperingen in Israël en Amerika zullen er dan ook voldoende zijn, die in hun handelingen ver willen gaan om religieus geïnspireerde doeleinden te bereiken. Daarbij kan gedacht worden aan de verwezenlijking van de Groot- Israël gedachte maar ook aan een Israël groter dan Groot-Israël. Door contacten met Israëlische politici, individuele personen en groeperingen met onder meer relaties binnen de geheime diensten moeten dan in beginsel grote operaties als 9/11 mogelijk zijn. Een voorbeeld van een religieus geïnspireerde jood op een voldoende hoge positie om daadwerkelijk invloed uit te oefenen was de Amerikaanse onderminister voor defensie op politiek gebied tot augustus 2005 DOUGLAS FEITH. In 1997 pleitte hij in A strategy for Israël voor het annexeren van de Palestijnse gebieden.

Aan de Amerikaanse geostrategische militaire en economische belangen wordt onder meer aandacht besteed aan REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) van de joodse denktank PNAC. Zo valt erin te lezen, dat Amerika noch regionaal, noch globaal uitdagingen van zijn positie als superpower moet accepteren en dat die uitdagingen in de kiem moeten worden gesmoord. Amerika beschikt over voldoende mogelijkheden voor een operatie als 9/11.

Landen als Saoedi-Arabië, Koeweit, Afghanistan en de Arabische Emiraten zullen beseffen, dat hun positie bij een versterking van de radicale elementen binnen de islam meer en meer onder druk zal komen. En binnen een land als Saoedi-Arabië zijn ook machtige privé-personen met hun achterban met vergelijkbare opvattingen. Denk maar aan het uitgebreide aantal prinsen daar. En Saoedi-Arabië kan ook mede vanuit zijn speciale verantwoordelijkheid als hoeder van de islam de wil hebben de radicalisering te bestrijden. Door Amerika ertoe te brengen troepen naar de islamitische wereld te brengen kunnen de belangen van deze landen en groeperingen worden beschermd. Gezien de bemoeienis van de CIA en de MOSSAD met de islamitische wereld en de grote logistieke knowhow, die een operatie als 9/11 vraagt, ligt het niet voor de hand, dat vanuit die hoek een dergelijke operatie uitgevoerd zou kunnen worden zonder dat de CIA en de MOSSAD er lucht van zouden krijgen.

Uiteraard geldt ook hier net als bij de belangen en motieven van par. 1, dat er op basis van de gemeenschappelijke belangen gelegenheidscoalities zouden kunnen worden gevormd, waardoor landen, groeperingen en personen, die een dergelijke operatie niet zelf konden uitvoeren er toch bij betrokken konden worden.

Par. 3 Operaties in de internationale politiek

Als er grote belangen op het spel staan, gaan overheden soms erg ver om politieke doeleinden te verwezenlijken. Zo worden er soms grote operaties uitgevoerd, die erop gericht zijn door meningsbeïnvloeding omslagpunten in politieke stellingnames van het publiek te bewerkstelligen, of om grootschalig terreur te bedrijven om elders een andere politieke koers af te dwingen, of om anderszins agressie te plegen om politieke doeleinden te bevorderen. Regelmatig wordt er dan getracht de schuld in de schoenen van anderen schuiven. Sommige van die operaties leiden zelfs tot vele slachtoffers onder de eigen bevolking.

In 1967 werd het Amerikaanse marineschip USS Liberty door de Israëli’s bij Egypte tot zinken gebracht. Na een onderzoek van een jaar na zijn pensionering sprak admiraal Thomas Moorer, voorzitter chef van staven in de zeventiger jaren, die dat onderzoek in samenwerking met andere professionals had uitgevoerd, van een van de schokkendste coverups uit de geschiedenis. De Israëli’s hadden USS Liberty uitgeschakeld om geen lastige pottenkijkers in de buurt te hebben. De Israeli’s spraken van een vergissing en konden daarmee wegkomen. Onder de Amerikaanse bemanning vielen 34 doden en bijna 200 gewonden te betreuren.

Toen Israël in de vijftiger jaren de terugtrekking van de Amerikanen en de Britten uit de zone rond het Suezkanaal wilde verhinderen, bracht een cel van de MOSSAD in Egypte in verschillende Amerikaanse en Britse publieke gebouwen bommen tot ontploffing. Omdat een van de aanvallers werd gepakt, kon de cel worden opgerold. Die Lavon affaire kostte in Israël enkele ministers de kop.

Maar ook valt te denken aan het binnenvallen van Polen door Hitler-Duitsland, nadat er eerder Duitse soldaten in Poolse uniformen Polen waren binnengegaan om van daaruit op Duitse grensposten te schieten. Daarop werd ‘teruggeschoten’ en was WO II een feit.

En vele historici zijn er van overtuigd, dat de aanval op PEARL HARBOR werd uitgelokt. Dat is niet zo gek, als het lijkt. Als Amerika gewacht had met deelname aan WO II, dan was de kans reëel geweest, dat er van Engeland tot Japan totalitaire regimes aan de macht zouden zijn gekomen en dat Amerika in een later stadium een confrontatie met die regimes toch niet had kunnen vermijden. De kans op een nederlaag was dan reëel geweest. In zo’n geval kan een false flag operatie een mogelijkheid zijn om te zorgen voor een omslagpunt in de pubieke opinie. Voorafgaand aan PEARL HARBOR had Japan voor maar enkele maanden olie in huis. Toen de Nederlandse regering in Londen de olieleveranties vanuit Indonesië stopzette, bracht dat Japan in een moeilijk parket, wat een offensieve strategie bevorderde.

Ook het Tonkin-incident, waardoor Amerika zich intensief met de Vietnamese oorlog kon gaan bemoeien, kan als voorbeeld dienen. En toen Sharon omstuwd door honderden politieagenten een ‘wandelingetje’ maakte op de Tempelberg kon hij weten, dat dat een intifada tot gevolg zou hebben, waarbij ook veel joods bloed zou vloeien.

Zonodig wordt er ook op grote schaal met het terreurwapen gewerkt. Zo waren er in Zuid-Amerika jarenlang Contrabewegingen actief, die werden opgericht door de CIA met het primaire doel de landen van tegenstanders te destabiliseren door terreur te bedrijven. Ook binnen de islamitische wereld is Amerika zo actief geweest. Voorbeelden zijn AL-QAIDA en de Taliban, die door de CIA werden ingezet in Afghanistan. Met de Taliban hoopte Amerika in Afghanistan een regime als in Saoedi-Arabië aan het bewind te brengen. Wel orthodox islamitisch maar toch bereid om met Amerika in zee te gaan. Na verloop van tijd wilde de Taliban daar niet langer in meegaan.

Ook 9/11 kan gediend hebben als omslagpunt voor de realisering van politieke doeleinden. Daarbij kan gedacht worden aan alle in par. 2 genoemde categorieën, die of op zichzelf of in de vorm van gelegenheidscoalities zo’n omslagpunt konden realiseren. En zoals al in par. 1 staat beschreven, wordt er ook in REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) van de door joodse neocons gedomineerde denktank PNAC gesproken over een nieuw PEARL HARBOR.

Par. 4 De neocon spinnen in het web

Bij de in par. 1 genoemde landen, groeperingen en personen lijkt het onwaarschijnlijk, dat de neocons in Amerika door de uitgebreide contacten met mensen als BUSH en CHENEY, met politiek Israël, met gematigde moslimlanden en direct of indirect met groeperingen als AL-QAIDA en de Taliban er geen lucht van zouden hebben gekregen, als er buiten de neocons om aan een operatie als 9/11 zou worden gewerkt. Sterker nog, door de dominante positie op strategische gebieden van de neocons kunnen dergelijke operaties moeilijk buiten de neocons om gerealiseerd worden en zou waarschijnlijk in beginsel de instemming van een aantal belangrijke neocons nodig zijn geweest, als er buiten de neocons om aan een operatie als 9/11 kon worden gewerkt. Vanwege die bijzondere positie van de neocons zal hierna aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen binnen de neoconwereld in Amerika sinds 1992 om te bezien hoe 9/11 binnen die ontwikkelingen geplaatst kan worden en of de neocons inderdaad als beweging invloedrijk genoeg zijn om als spinnen in het web te kunnen opereren. Daarbij is het jaar 1992 gekozen als startpunt, omdat toen een belangrijk document van de belangrijke neoconstrateeg WOLFOWITZ en medeauteur LIBBY in de openbaarheid kwam.

Par. 5 De Defense Planning Guidance (1992)

Begin 1992 circuleerde er in de hoogste kringen binnen het Pentagon, waaronder de belangrijkste militaire adviseur van de president generaal POWELL, bekend van de Golfoorlog en later minister van buitenlandse zaken en CHENEY, nu vice-president en toen minister van defensie, het paper Defense Planning Guidance. Dat paper was onder supervisie van de joodse neoconstrateeg WOLFOWITZ, die later minister van defensie werd, in overleg met de president en zijn belangrijkste adviseurs geschreven door onder meer de joodse neocon LIBBY, tot oktober 2005 de rechterhand en kabinetschef van vice-president CHENEY. In het paper werd een beleid voorgesteld, waarin Amerika geen enkele superpower naast zich zou moeten dulden. Wanneer landen of samenwerkingsverbanden van landen deze positie op regionaal of wereldniveau zouden willen uitdagen, dan zouden die initiatieven in de kiem moeten worden gesmoord. In het document werd IRAK een van de landen genoemd, die de positie van Amerika zou kunnen gaan uitdagen. CHENEY was van plan om het document in maart 1992 te publiceren. Kort daarvoor kreeg de New York Times het echter in handen en bracht het in de openbaarheid.

Over de hiervoor genoemde LIBBY het volgende: op 28 oktober 2005 nam hij ontslag als kabinetschef van CHENEY, nadat hij een dagvaarding had ontvangen voor het plegen van 5 strafbare feiten, waaronder het liegen onder ede en het afleggen van valse verklaringen. Het gaat daarbij om de zaak Plamegate, een zaak, waarin de naam van de CIA agente Valery Plame met opzet bekend werd gemaakt om haar man Joseph Wilson een hak te zetten. De affaire begon in 2002 met het vertrek van Valery’s man Joseph Wilson (ex-ambassadeur in Afrika en voormalig diplomaat in Irak) naar Niger. Hij zou daar in opdracht van de CIA onderzoeken of Niger uranium heeft verkocht aan IRAK. Wilson vond echter geen bewijzen, dat SADDAM op zoek was naar uranium in West-Afrika. Toch zei BUSH in de State of the Union van 2003:

“The British government has learned that SADDAM HUSSEIN recently sought significant quantities of uranium from Africa” (State of the Union, 28 januari 2003).

“Toen de regering BUSH bleef speculeren over aankopen van uranium door SADDAM, schreeft Wilson in de zomer van 2003 een kritisch stuk in The New York Times. Kort daarop kwam een rechtse columnist met de CIA-achtergrond van Wilsons vrouw. De veronderstelling is geweest dat het Witte Huis de identiteit van Plame liet lekken uit wraak op haar man Joseph Wilson” (Volkskrant, 14 juli 2006). In het verlengde hiervan gaat Valery Plame “vice-president Dick CHENEY, de belangrijkste adviseur van de president Karl Rove en de voormalige stafchef van CHENEY, Lewis LIBBY voor de rechtbank slepen. Ze beschuldigt hen van een samenzwering met als doel haar carrière te vernietigen” (Volkskrant, 14 juli 2006).

In het paper (1992) van WOLFOWITZ en LIBBY werd dus een beleid voorgesteld, dat gericht zou moeten zijn op wereldhegemonie en dat uitdagingen van die positie in de kiem zou moeten smoren. En als een van die landen werd IRAK genoemd. WOLFOWITZ en LIBBY waren toen werkzaam op hoog politiek niveau. Tot voor kort waren beide dat nog, WOLFOWITZ als minister van defensie, maar inmiddels is hij topman bij de Wereldbank en LIBBY is dus noodgedwongen opgestapt als kabinetschef van CHENEY, omdat hij wordt beschuldigd van het plegen van ernstige strafbare feiten. Ook zijn baas vice-president CHENEY ligt inmiddels onder vuur.

In het paper van WOLFOWITZ en LIBBY zijn duidelijk opvattingen te herkennen, die zijn opgenomen in REBUILDING AMERiCA’S DEFENSES (2000) van de PNAC.

Par. 6 A Clean Break (1996)

In 1996 schreven 8 vooraanstaande joodse Amerikaanse opiniemakers, waaronder RICHARD PERLE en DOUGLAS FEITH A clean break: A new strategy for securing the realm. Het document werd voor de regering Netanyahu geschreven in opdracht van The Institute for Advanced Strategic and Political Studies in Jerusalem. In het document staat onder meer, dat door Israël nauw met Turkije en Jordanië zou moeten worden samengewerkt om enkele van de gevaarlijkste bedreigers van Israël in bedwang te houden, te destabiliseren en aan te pakken. En zo zouden onder meer SYRISCHE doelen in Libanon moeten worden aangevallen en als dat niet voldoende zou zijn, zouden ook doelen in SYRIE zelf moeten worden aangevallen. De politiek in de afgelopen jaren van Amerika en Israël rond SYRIË, Libanon en IRAN past binnen de opvattingen van A clean break.

Een belangrijke strategische overweging bij de opvattingen zoals verwoord in A clean break was, dat die een basis zouden kunnen bieden om SADDAM in IRAK uit het zadel te wippen, wat als een belangrijk onderdeel van de Israëlische strategie werd gezien om de regionale ambities van SYRIE in te tomen. De toekomst van IRAK werd daarbij gezien als sterk bepalend voor de strategische balans in het M-O.

Ook in A clean break zijn de opvattingen in REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) van de PNAC herkenbaar aanwezig.

Par. 7 De PNAC (Project for the New American Century (1997)).

In 1997 werd de door joodse neocons gedomineerde denktank PNAC opgericht oftewel The project for the New American Century (PNAC). De eerste officiële daad van de PNAC was een open brief aan de regering Clinton (januari 1998), waarin werd opgeroepen om SADDAM in IRAK te verdrijven. Tot de ondertekenaars van de principeverklaring van de PNAC behoorden JEB BUSH (gouverneur van Florida en broer van president BUSH), MIDGE DECTER, vice-president CHENEY (inmiddels onder vuur door Plamegate), ELIOT A. COHEN, RUMSFELD, AARON FRIEDBERG, FRANK GAFFNEY, DONALD KAGAN, NORMAN PODHORETZ, DAN QUAYLE, PAUL WOLFOWITZ, RICHARD PERLE (Prince of Darkness), LEWIS LIBBY (opgepakt i.v.m. Plamegate) en ELLIOTT ABRAMS (veroordeeld in het IRAN/Contraschandaal).

Onder de ondertekenaars zijn er met belangrijke posities in en rond de regering BUSH. De meesten van hen zijn ook te vinden bij de ondertekenaars van de brief van 20/9 van de zoon van KRISTOL, waarover in par. 10 gesproken wordt.

Par. 8 REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000).

Het belangrijkste document van de PNAC is REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000). In de inleiding van dat document staat het doel van de PNAC:

“the Project for the New American Century is a nonprofit, educational organization whose goal is to promote American global leadership.”

De PNAC is dus openlijk gericht op het bevorderen van het globale leiderschap van Amerika.

In REBUILDING AMERICA’S DEFENSES worden onder meer IRAN en IRAK aangeduid als grote bedreigingen.

Voorzitter van de PNAC is KRISTOL. Hij is een zeer invloedrijk mediaman en ondermeer uitgever en columnist van de WEEKLY STANDARD. Hij is tevens de stichter van de groep van rond de 25 tot 30 neocons rond BUSH, waarvan het grootste deel uit joodse neocons bestaat met onderling vriendschappelijke banden en uitgebreide contacten met politiek Israël. Die groep heeft Amerika in IRAK gebracht. Dat kan worden opgemaakt uit het artikel van de joods-Israëlische schrijver A. Shavit in de joods-Israëlische kwaliteitskrant Haaretz White man’s burden (Haaretz, april 2003). In dat artikel kwam onder meer KRISTOL uitgebreid aan het woord. Twee fragmenten:

“The war in Iraq was conceived by 25 neoconservative intellectuals, most of them Jewish, who are pushing President Bush to change the course of history. Two of them, journalists William Kristol and Charles Krauthammer, say it’s possible. But another journalist, Thomas Friedman (not part of the group), is skeptical.”

en

“In the course of the past year, a new belief has emerged in the town: the belief in war against Iraq. That ardent faith was disseminated by a smallgroup of 25 or 30 neoconservatives, almost all of them Jewish, almost all of them intellectuals (a partial list: RICHARD PERLE, PAUL WOLFOWITZ, DOUGLAS FEITH, WILLIAM KRISTOL, ELIOT ABRAMS, CHARLES KRAUTHAMMER), people who are mutual friends and cultivate one another and are convinced that political ideas are a major driving force of history.”

Die namen zijn ook te vinden bij de ondertekenaars van de brief van 20/9 van de zoon van KRISTOL, waarover in par. 10 gesproken wordt. En de meesten hebben de principeverklaring van de PNAC ondertekend.

WiLLIAM KRISTOL was eerder universitair docent politiek. In 1985 ging hij naar Washington en diende daar als stafchef van vice-president DAN QUAYLE in de regering BUSH en als kabinetschef bij onderwijsminister WILLIAM BENNETT onder president Reagan.

Een van directors van de PNAC en eveneens joods neocon was JOHN R. BOLTON. Hij was tevens vice-president van de pro-Israëlische denktank AEI en een belangrijk adviseur van president BUSH. BOLTON is nu Amerikaans VN ambassadeur. Zijn benoeming tot ambassadeur deed nogal wat stof opwaaien, onder meer omdat hij eerder had gezegd, dat Amerika na IRAK ook SYRIE en IRAN ging aanpakken.

Medeoprichter van de PNAC is RICHARD PERLE, in Amerika ook wel de Prince of Darkness genoemd. Hij is de goeroe van de door KRISTOL opgerichte groep van zo’n 25 tot 30 neocons rond BUSH. PERLE werd in de zeventiger jaren door de FBI betrapt op het verstrekken van classified information aan de Israëlische ambassade. Hij was toen medewerker van senator Jackson. De FBI drong toen aan op zijn ontslag, maar dat verzoek werd door de als zeer pro-Israëlisch bekend staande Jackson niet gehonoreerd. PERLE werkte voor de Israëlische wapenproducent Soltam, was betrokken bij de verkiezingscampagne voor Netanyahu in Israël, is director bij een van de twee belangrijke kranten in Israël de Jerusalem Post, die WOLFOWITZ in 2003 tot joods man van het jaar uitriep en was een paar jaar geleden voorzitter van de invloedrijke Defense Policy Board binnen het Pentagon. Hij beëindigde het voorzitterschap, nadat hij in opspraak was gekomen, doordat een bedrijf hem veel geld had beloofd, als hij zijn invloed ten gunste van dat bedrijf in het Pentagon zou aanwenden. Zelf vond hij dat een normale zaak, maar onder druk legde hij de voorzittershamer toch neer. RICHARD PERLE is ook senior fellow bij de andere belangrijke door joodse neocons gedomineerde denktank de AEI, de nieuwe werkgever van Hirsi Ali. Toen DOUGLAS FEITH, Amerikaans onderminister voor defensie op politiek gebied tot augustus 2005, in de 80-er jaren uit de National Security Council was gezet, nadat van daaruit naar Israël was gelekt, regelde WOLFOWITZ een baan voor hem bij RICHARD PERLE. Samen met een andere joodse neocon Frum, eerder tekstschrijver op het Witte Huis, schreef RICHARD PERLE het boek An end to evil, waarvan Buchanan in de American Conservative van 1-3-2004 in No end to war overtuigend aantoonde, dat het zich laat lezen als een rapport van het Israëlische ministerie van defensie.

En dan nog ter aanvulling op de informatie over DOUGLAS FEITH. Hij was ook advocaat in Israël, adviseur van Sharon en Likud en verkocht geavanceerde Israëlische wapensystemen. Hij is hoofd van het advocatenkantoor Feith & Zells, dat zich onder meer bezighoudt met de facturering van Israëlische wapenverkopen.

Par. 9 Over de aanslagen op het WTC op 9/11 (2001).

In 1945 vloog een B 25 tegen het Empire State Building, toen het hoogste gebouw. Hij sloeg in op de 79e verdieping. Er vielen daarbij 14 doden te betreuren. De schade bedroeg 1 miljoen dollar. De afmetingen van een B 25 waren dan wel aanzienlijk kleiner dan de afmetingen van een modern vliegtuig, maar de schade aan het Empire State Building was dan ook gering. En de stabiliteit werd niet aangetast. Bij Tower 7 van het WTC was er zelfs geen inslag. Toch stortte dat gebouw van 47 verdiepingen, waar slechts kleinere branden hadden gewoed, plotseling als een kaartenhuis in zes seconden in elkaar, bijna dezelfde snelheid als een vrije val. Het Empire State Building dateert uit 1931. Het WTC was zo’n 40 jaar jonger en de structuur was berekend op inslagen van vliegtuigen.

Bij de TWINS leken de inslagen van de vliegtuigen de gebouwen in eerste instantie ook niet echt te deren. Ogenschijnlijk bleven de gebouwen stabiel op hun grondvesten staan. Toch stortten ze na korte tijd als een kaartenhuis in elkaar met de snelheid van praktisch een vrije val. Een sloper die op basis van controlled demolition dat effect had weten te bereiken bij deze zeer hoge gebouwen, had trots kunnen zijn op zijn werk. De instortingen lijken dan ook op instortingen zoals je die ziet wanneer er gewerkt wordt met controlled demolition. Het is echter aan de experts om te bewijzen, wat er werkelijk is gebeurd. Die zijn echter niet eenduidig in hun oordelen en komen niet met sluitende verklaringen. De FEMA (Federal Emergency Management Agency) zegt in haar rapport over Tower 7, waar zelfs geen inslag heeft plaatsgevonden het volgende:

“The specifics of the fires in WTC 7 and how they caused the building to collapse [“official theory”] remain unknown at this time. Although the total diesel fuel on the premises contained massive potential energy, the best hypothesis [fire/debris-damage-caused collapse] has only a low probability of occurrence. Further research, investigation, and analyses are needed to resolve this issue” (FEMA, chapter 5, 2002).

De beste hypothese kende dus volgens de FEMA slechts een lage graad van waarschijnlijkheid.

Het FEMA onderzoek kende zo zijn beperkingen zoals blijkt uit het NIST report:

“Immediately following the terrorist attack on the World Trade Center (WTC) on September 11, 2001, the Federal Emergency Management Agency (FEMA) and the American Society of Civil Engineers began planning a building performance study of the disaster. The week of October 7, as soon as the rescue and search efforts ceased, the Building Performance Study Team went to the site and began their assessment. This was to be a brief effort, as the study team consisted of experts who largely volunteered their time away from their other professional commitments” (NIST report, 2005, blz. 33).

Vrijwilligers dus, die kort de gelegenheid kregen om onderzoek te doen en die pas bijna vier weken na 9/11 op de site met hun onderzoek konden starten. Daarvoor was er weken met groot materieel gewerkt aan het opruimen van het puin. Het staal, wat voor het onderzoek met name van belang was, werd naar China en India vervoerd om daar te worden gerecycled.

En de volgende citaten uit de getuigenis van engineer Wiiliam F. Baker namens de FEMA voor de 9/11 commissie versterken het beeld van de problemen bij het onderzoek:

“We saw and documented the performance of structures that resisted extraordinary forces and maintained their overall integrity. We also saw and documented collapses that, based on previous experiences, were unexpected. It is through the study of these behaviors that the art of building design is advanced. Unfortunately, the ASCE/FEMA team faced many obstacles while studying the WTC. The team was not able to assemble on the site until October 6th. We could only request and cajole to get drawings and other information. And, in fact, we did not receive access to the twin tower drawings until January. (..) As a structural engineer, the WTC collapses represent the largest structural failure in the history of mankind” (april, 2003)(www.asce.org).

Hij spreekt dus over instortingen, die niet werden verwacht, over vele obstakels bij het bestuderen van het WTC en het team mocht tot 6 oktober de site niet op. En ze kregen pas in januari toegang tot de tekeningen van de Towers. En hij spreekt het over de grootste constructiefout uit de geschiedenis. Er was dus alle reden om alles wat daarop betrekking had zeer intensief te onderzoeken ondermeer om bestaande en toekomstige constructies te verbeteren. En in hoeverre zijn vrijwilligers echt onafhankelijk. Het is toch een bepaalde categorie mensen, die zich dan vooral meldt. En de vrijwilligers kwamen van bedrijven, die er belang bij konden hebben om geen kritiek op de overheid te leveren.

Het NIST (National Institute of Standards and Technology) ging in haar rapport Federal Building and Fire Safety investigation of the World Trade Center Disaster: Final Report of the National Construction Safety Team on the Collapses of the World Trade Center Towers (2000) simpelweg uit van total collapse was inevitable once a collapse event was initiated. En naar het instorten van de Towers met de snelheid van bijna een vrije val is geen echt onderzoek gedaan.

Het NIST maakt onderdeel uit van het Amerikaanse ministerie van handel. Gezien het bijzondere belang en het bijzondere karakter van het onderwerp van het onderzoek kan de vraag gesteld worden, of het NIST wel voldoende onafhankelijk was.

Over wat er na de initiation gebeurde hulde het NIST zich op wat heel mager onderbouwde passages na in stilzwijgen. Zo zegt het NIST:

“Once the upper building section began to move downwards, the weakened structure in the impact and fire zone was not able to absorb the tremendous energy of the falling building section and global collapse ensue” (NIST report, 2005, blz. 197).
Maar berekeningen over die enorme energie ontbreken en berekeningen waarom die energie niet zou kunnen worden opgevangen en waardoor de gebouwen wel moesten instorten met de snelheid van praktisch een vrije val ontbreken.

Bij het rapport kunnen vele kritische kanttekeningen worden geplaatst. En een voetnoot biedt een aardig inzicht in de ‘zorgvuldigheid’ van het NIST onderzoek:

“The focus of the Investigation was on the sequence of events from the instant of aircraft impact to the initiation of collapse for each tower. For brevity in this report, this sequence is referred to as the “probable collapse sequence,” although it includes little analysis of the structural behavior of the tower after the conditions for collapse initiation were reached and collapse became inevitable” (NIST report, 2005, blz. 45).

Het onderzoek ging dus tot de initiation van het instorten van de towers, niet verder. Gemakshalve wordt de sequence of events maar probable collapse sequence genoemd. Toch beweert het NIST meermalen, dat het onderzoek ging over het how en why van de collapses, maar verder dan de aanname, dat onder druk van de bovenste verdiepingen de torens met de snelheid van een vrije val in elkaar storten komt NIST niet. In deze voetnoot geeft het NIST met het gebruik van de woorden probable en little analysis wel aan, dat er geen redelijk uitgebreide analyse heeft plaatsgevonden na het begin van de initiation. Maar eigenlijk zou NIST gewoon moeten zeggen, dat er slechts een aanname is gehanteerd en dat er helemaal geen analyse heeft plaatsgevonden na de collapse initiation. De titel van het rapport spreekt over collapses en niet over de initiation van de collapses. De titel had daarom in de titel zelf of via een subtitel duidelijker moeten zijn.

Een van de specifieke doelen van het onderzoek was:

“Determine why and how WTC 1 and WTC 2 collapsed following the initial impacts of the aircraft and why and how WTC 7 collapsed” (NIST report, 2005, blz. 33).

Het NIST rapport heeft daar dus niet aan voldaan.

In het NIST rapport worden observaties en speculaties regelmatig met elkaar vermengd. Zo worden schattingen van core column schade, die nogal speculatief zijn, geplaatst naast schattingen van perimeter column schade, die gemakkelijker waren vast te stellen met behulp van bijvoorbeeld foto’s. Voorbeeld:

“This devastation took 0.7 s. The structurele and insulation damage was considerable and was estimated to be:

• 35 exterior columns severed, 2 heavily damaged.

• 6 core columns severed, 3 heavily damaged” (NIST report, 2005, blz. 76).

En het NIST kwam met een uitleg van het FEMA rapport, die niet helemaal in overeenstemming is met de inhoud ervan:

“The Building Performance Study Team (van de FEMA en the American Society of Civil Engineers (ASCI))) issued their report in May 2002, fulfilling their goal “to determine probable failure mechanisms” (NIST report, 2005, blz. 33).

In dat rapport kwam de FEMA met betrekking tot WTC 7 niet verder dan een brandstoftheorie als verklaring voor de instorting. En de FEMA gaf zelf al aan, dat die theorie een low probability kende. De term probable van de NIST in deze dekt de lading dan niet.

En over de computersimulatiemodellen, die niet verder gingen dan de initiation van de collapse, zegt het NIST:

“The output of these simulations was subject to uncertainties in the as-built condition of the towers, the interior layout and furnishings, the aircraft impact, the internal damage to the towers (especially the thermal insulation for fire protection of the structural steel, which is colloquially referred to as fireproofing), the redistribution of the combustibles, and the response of the building structural components to the heat from the fires” (NIST report, 2005, blz. 45).

Er bestonden bij de simulatiemodellen dus nogal wat onzekerheden over wezenlijke zaken.

Belangrijke factoren voor de instorting van WTC 1

Het NIST komt met de volgende belangrijke factoren, die tot de instorting van WTC 1 zouden hebben geleid. Bij al die factoren gaat het om speculatieve schattingen:

• Structural damage from the aircraf impact (de bepaling van de werkelijke schade is vrij speculatief).

• Large amount of jet fuel sprayed into the building interior, that ignited widespread fires over several floors (de mate van verspreiding, de snelheid, de hoeveelheid en de invloed op de branden elders is ook speculatief).

• Dislodging of SFRM from structural members due to the aircraft impact, that enabled rapid heating of the unprotected structural steel (ook hier gaat het om een duidelijk speculatief element).

• Open paths for fire spread resulting from the open plan of the impact floors and the breaking of partition walls by the impact debris (ook hier een speculatief element).

• Weakened core columns that increased the load on the perimeter walls (in hoeverre dat het geval was, is eveneens speculatief).

• Sagging of the south floors, that led to pull-in forces on the perimeter columns; and (ook dit is een speculatief element).

• Bowed south perimeter columns that had a reduced capacity to carry loads” (ook dit element is speculatief) (NIST report, 2005, blz. 88).


Bovendien beïnvloeden de bovenstaande factoren elkaar onderling. De conclusies van het rapport zijn dan ook behoorlijk speculatief.

En de computersimulatiemodellen waren alleen gericht op datgene wat er op de verdiepingen in en rond de inslagzones gebeurde. Wat daaronder en daarboven gebeurde was niet in de simulatiemodellen opgenomen.

Over de vliegtuigbrandstof en WTC 2

“As in WTC 1, less than 15 percent of the jet fuel burned in the spray cloud inside the building. Roughly 10 percent to 25 percent was consumed in the fireballs outside the building. Thus, well over half of the jet fuel remained after the initial fireballs” (NIST report, 2005, blz. 96).

Ook hier gegevens betreffende een belangrijke factor met een speculatief karakter. En de brandstof met betrekking tot de fireballs buiten het gebouw had toch redelijk ingeschat moeten kunnen worden. Misschien dat juist daarom het NIST het nu voorzichtig houdt op 10 tot 25 procent van de brandstof, die op die manier is verbrand. En met vernietigde brandstoftanks en de zeer brandbare vliegtuigbrandstof komt het niet geloofwaardig over, dat dik de helft van de zeer brandbare vliegtuigbrandstof na de fireballs nog zou zijn overgebleven.

Over staalmonsters

“Over a period of about 18 months, 236 pieces of steel were shipped to the NIST campus, starting about six months before NIST launched its Investigation. These samples ranged in size and complexity from a nearly complete three-column, three-floor perimeter assembly to bolts and small fragments. Seven of the pieces were from WTC 5. The remaining 229 samples represented roughly 0.25 percent to 0.5 percent of the 200,000 tons of structural steel used in the construction of the two towers” (NIST report, 2005, blz. 139).

Enkele staalmonsters waren dus niet eens van WTC 1 en 2 maar van WTC 5, een vrij laag gebouw, dat helemaal niet is ingestort. En er wordt gezegd, dat 236 pieces of steel were shipped to the NIST campus. Maar dat praktisch al het staal van de Towers naar China en India werd verscheept om daar te worden gerecycled, daarover spreekt het NIST maar niet. Juist het staal was voor bewijsmateriaal van groot belang. En over de representativiteit van de monsters zwijgt het NIST ook maar, evenals over de plekken, waar de samples zich in de Towers bevonden. Wel wordt gesteld, dat het staal ruwweg 0,25 procent tot 0,5 procent van de stalen structuur van de twee towers uitmaakte. Tussen 0,25 % en 0,5 % bestaat wel honderd procent verschil. Voor nauwgezette berekeningen lijkt me een dergelijke schatting uit de losse pols wel erg onzorgvuldig en dat doet het vertrouwen in de overige info ook geen goed.

Over de isolatie

.Het NIST concludeert over de isolatie van het staal:

“The towers would not have collapsed under the combined effects of aircraft impact and the subsequent multifloor fires if the insulation had not been widely dislodged or had been only minimally dislodged by aircraft impact” (NIST report, 2005, blz.199).

NIST geeft hiermee dus wel het cruciale belang van de isolatie aan, maar met stevige bewijzen over de mate van dislodging van het isolatiemateriaal komt NIST echter niet.

Progressive collapse

De progressive collapse, waar het NIST regelmatig in haar rapport mee schermt, wordt door het NIST gezien als een kettingreactie als gevolg van bezwijkende funderingselementen. De gevels worden daarbij naar binnen getrokken door de instortende binnenconstructie. Het interessante hieraan is, dat deze theorie de mogelijkheid van controlled demolition kan ondersteunen. De wijze waarop de Towers zijn ingestort had door een sloper op basis van controlled demolititon niet verbeterd kunnen worden.

Black boxen

Merkwaardig is ook dat de black boxen van de WTC Towers niet gevonden zouden zijn. Volgens een artikel in Counterpunch zijn ze echter wel degelijk gevonden:

“December 19, 2005, CounterPunch, Did the Bush Administration Lie to Congress and the 9/11 Commission? 9/11: Missing Black Boxes in World Trade Center Attacks Found by Firefighters, Analyzed by NTSB, Concealed by FBI, by DAVE LINDORFF One of the more puzzling mysteries of 9-11 is what ever happened to the flight recorders of the two planes that hit the World Trade Center towers. (..) Flight recorders (commonly known as black boxes, though these days they are generally bright orange) are required on all passenger planes. There are always two-a flight data recorder that keeps track of a plane’s speed, altitude, course and maneuvers, and a cockpit voice recorder which keeps a continuous record of the last 30 minutes of conversation inside a plane’s cockpit. These devices are constructed to be extremely durable, and are installed in a plane’s tail section, where they are least likely suffer damaged on impact. They are designed to withstand up to 30 minutes of 1800-degree heat (more than they would have faced in the twin towers crashes), and to survive a crash at full speed into the ground. All four of the devices were recovered from the two planes that hit the Pentagon and that crashed in rural Pennsylvania. In the case of American Airlines Flight 77, which hit the Pentagon, the FBI reports that the flight data recorder survived and had recoverable information, but the voice recorder was allegedly too damaged to provide any record. In the case of United Airlines Flight 93, which hit the ground at 500 mph in Pennsylvania, the situation was reversed: the voice recorder survived but the flight data box was allegedly damaged beyond recovery. (..) Mike Bellone and Nicholas De Masi (New Yorkse brandweermannen) claimed in 2004 that they had found three of the four boxes, and that Federal agents took them and told the two men not to mention having found them (..).”

Het lijkt niet erg waarschijnlijk, dat de black boxen niet gevonden zijn. De boxen zouden de inslagen hebben moeten kunnen doorstaan. En van de kant van de FBI is er ook geen plausibele verklaring gekomen, waarom de boxen niet gevonden zouden zijn.

Par. 10 Open brief aan president BUSH op 20 september 2001

Al 9 dagen na 11/9 kwam de zoon van KRISTOL met een aan BUSH gerichte open brief in de media. Daarin werd BUSH opgeroepen om SADDAM in het kader van de strijd tegen het terrorisme met miltaire middelen te verdrijven. Onder de brief staan de namen van vooraanstaande neocons zoals RICHARD PERLE en vertegenwoordigers van de PNAC.

September 20, 2001

The Honorable George W. Bush President of the United States Washington, DC

Dear Mr. President,

We write to endorse your admirable commitment to “lead the world to victory” in the war against terrorism. We fully support your call for “a broad and sustained campaign” against the “terrorist organizations and those who harbor and support them.” We agree with Secretary of State Powell that the United States must find and punish the perpetrators of the horrific attack of September 11, and we must, as he said, “go after terrorism wherever we find it in the world” and “get it by its branch and root.” We agree with the Secretary of State that U.S. policy must aim not only at finding the people responsible for this incident, but must also target those “other groups out there that mean us no good” and “that have conducted attacks previously against U.S. personnel, U.S. interests and our allies.”

In order to carry out this “first war of the 21st century” successfully, and in order, as you have said, to do future “generations a favor by coming together and whipping terrorism,” we believe the following steps are necessary parts of a comprehensive strategy.

Osama bin Laden

We agree that a key goal, but by no means the only goal, of the current war on terrorism should be to capture or kill Osama bin Laden, and to destroy his network of associates. To this end, we support the necessary military action in Afghanistan and the provision of substantial financial and military assistance to the anti-Taliban forces in that country.

Iraq

We agree with Secretary of State Powell’s recent statement that Saddam Hussein “is one of the leading terrorists on the face of the Earth….” It may be that the Iraqi government provided assistance in some form to the recent attack on the United States. But even if evidence does not link Iraq directly to the attack, any strategy aiming at the eradication of terrorism and its sponsors must include a determined effort to remove Saddam Hussein from power in Iraq. Failure to undertake such an effort will constitute an early and perhaps decisive surrender in the war on international terrorism. The United States must therefore provide full military and financial support to the Iraqi opposition. American military force should be used to provide a “safe zone” in Iraq from which the opposition can operate. And American forces must be prepared to back up our commitment to the Iraqi opposition by all necessary means.

Hezbollah

Hezbollah is one of the leading terrorist organizations in the world. It is suspected of having been involved in the 1998 bombings of the American embassies in Africa, and implicated in the bombing of the U.S. Marine barracks in Beirut in 1983. Hezbollah clearly falls in the category cited by Secretary Powell of groups “that mean us no good” and “that have conducted attacks previously against U.S. personnel, U.S. interests and our allies.” Therefore, any war against terrorism must target Hezbollah. We believe the administration should demand that Iran and Syria immediately cease all military, financial, and political support for Hezbollah and its operations. Should Iran and Syria refuse to comply, the administration should consider appropriate measures of retaliation against these known state sponsors of terrorism.

Israel and the Palestinian Authority

Israel has been and remains America’s staunchest ally against international terrorism, especially in the Middle East. The United States should fully support our fellow democracy in its fight against terrorism. We should insist that the Palestinian Authority put a stop to terrorism emanating from territories under its control and imprison those planning terrorist attacks against Israel. Until the Palestinian Authority moves against terror, the United States should provide it no further assistance.

U.S. Defense Budget

A serious and victorious war on terrorism will require a large increase in defense spending. Fighting this war may well require the United States to engage a well-armed foe, and will also require that we remain capable of defending our interests elsewhere in the world. We urge that there be no hesitation in requesting whatever funds for defense are needed to allow us to win this war.

There is, of course, much more that will have to be done. Diplomatic efforts will be required to enlist other nations’ aid in this war on terrorism. Economic and financial tools at our disposal will have to be used. There are other actions of a military nature that may well be needed. However, in our judgement the steps outlined above constitute the minimum necessary if this war is to be fought effectively and brought to a successful conclusion. Our purpose in writing is to assure you of our support as you do what must be done to lead the nation to victory in this fight.

 

Sincerely,

WILLIAM KRISTOL

 

RICHARD PERLE zegt in An end to evil: How to win the war on terror, dat hij samen met de joodse neocon en eerder tekstschrijver op het Witte Huis David Frum heeft geschreven:

“There is no middle way for Americans: It is victory or holocaust” (No end to war, Buchanan, The American Conservative, 1-3-2004).

In lijn daarmee lijkt zionisme voor de neocons een tweede natuur te zijn. Ze kunnen zich moeilijk een buitenlands beleid voorstellen, dat niet een sterke solidariteit met Israël inhoudt. De neocons proberen daarom de lijst van vijanden van Amerika uit te breiden met de lijst van vijanden van Israël. De brief van 20/9 is daar een bevestiging van.

De in de eerste alinea genoemde minister van buitenlandse zaken POWELL heeft overigens afstand genomen van zijn toespraak in de Veiligheidsraad, waarin hij een relatie legde tussen SADDAM en massavernietigingswapens.

AL-QAIDA is inderdaad de vijand van Amerika, maar niet het ook in de brief genoemde SYRIË. De vader van president Assad hielp de Amerikanen om SADDAM in de Golfoorlog uit Koeweit te verdrijven. De Amerikaanse belangen lijken er dan ook meer mee gediend om SYRIE te betrekken in de strijd tegen AL-QAIDA. SYRIE heeft ook geen direct belang bij het bestaan van AL-QAIDA en zou daar dan ook best oren naar kunnen hebben.

En het is duidelijk, dat Amerika de oorlog tegen IRAK in werd gelogen door met name diezelfde neocons. SADDAM bestreed juist radicale islamitische groeperingen zoals AL-QAIDA, omdat die een bedreiging voor zijn bewind konden vormen. Amerika en SADDAM hadden dan ook op beperkte schaal samen kunnen werken waar het ging om gemeenschappelijke belangen in de strijd tegen terrorisme. En IRAK had al helemaal geen plannen om Amerika aan te vallen.

Ook IRAN was niet bij 9/11 betrokken, noch de Palestijnse Autoriteit. En in IRAN bestaat er onder de bevolking heel wat scepsis over de mullah’s. Door IRAN te bedreigen zullen de sceptici geneigd zijn de zijde van de mullah’s te kiezen in plaats van zich daar meer en meer vanaf te keren. En wanneer vielen Hamas en Hezbollah Amerika aan? En datzelfde geldt al helemaal voor de Palestijnse Autoriteit, waar Amerika juist vredesgesprekken mee heeft gevoerd.

En WILLIAM KRISTOL zegt in de brief:

“Israël has been and remains America’s staunchest ally against international terrorism, especially in the Middle East. The United States should fully support our fellow democracy in its fight against terrorism. We should insist that the Palestinian Authority put a stop to terrorism emanating from territories under its control and imprison those planning terrorist attacks against Israël. Until the Palestinian Authority moves against terror, the United States should provide it no further assistance.”

Dat is dan vooral Israëlisch eigen belang. De positie van Israël bevordert eerder het terrorisme. Amerika’s belangen zijn daar niet mee gediend.

De brief lijkt dan ook meer op een brief van het Israëlische ministerie van defensie dan aan die van een Amerikaanse politieke beweging.

Over de ondertekenaars van de brief van 20/9

Hieronder staan de 25 belangrijkste ondertekenaars onder de 41 ondertekenaars van de brief met de vermelding van enkele belangrijke gegevens.

1. Richard V. Allen: lid van de PNAC, was lid van de National Security Council, is lid van de belangrijke Defense Policy Board.

2. Gary Bauer: rechtse christen, ondertekende de principeverklaring van de PNAC bij de stichting in 1997.

3. William J. Bennett: lid PNAC, tekende de principeverklaring van de PNAC in 1997, werkte samen met KRISTOL, was eerder minister van onderwijs.

4. Rudy Boshwitz: lid PNAC, Director van het Joodse Instituut voor Nationale Veiligheidsvraagstukken.

5. ELIOT COHEN, joods neocon, wordt ook wel de meest invloedrijke academische neocon genoemd. Militair expert. Hoofd van het Center for Strategic Studies van de School of Advanced International Studies. Cohen ziet de War on Terror als Wereldoorlog IV. Is betrokken bij de PNAC en werkzaam in het Pentagon bij de Defense Policy Board. COHEN is medestichter van de PNAC en heeft samengewerkt met WOLFOWITZ. Hij zat in het comite voor de Liberation of Iraq.

6. Midge Decter: joods neocon, ondertekende de principeverklaring van de PNAC in 1997. Was met RUMSFELD eerder co-chair van het Committee for the Free World. Was een van de drijvende krachten achter de neoconbeweging. Is de vrouw van Norman Podhorertz en moeder van de rechtse columnist John Podhoretz.

7. Thomas Donnelly: lid board of directors PNAC, belangrijkste auteur van REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) van de PNAC. Schrijver en militair analist. Medewerker van de belangrijke door joodse neocons gedomineerde denktank AEI.

8. Nicholas Eberstadt: betrokken bij de twee belangrijke door joodse neocons gedomineerde denktanks de AEI en de PNAC. Schreef in de WEEKLY STANDARD van KRISTOL.

9. Aaron Friedberg: joods neocon, tekende de principeverklaring van de PNAC in 1997. Diende van 2003 tot 2005 in het kantoor van vice-president CHENEY op het gebied van nationale veiligheidszaken en als director policy planning.

10. Francis Fukuyama: tekende de principeverklaring van de PNAC in 1997 en was ook actief binnen de PNAC. In de afgelopen jaren verwijderde hij zich van de neoconagenda, omdat die te zeer gebaseerd is op militair geweld en gewapende interventies voor het bevorderen van democratie met name in het M-O.

11. Frank Gaffney: joods neocon, tekende de principeverklaring van de PNAC in 1997, medeoprichter van de PNAC, columnist van de Washington Post. Was eerder onder Reagan een Assistant secretary of defense. Heeft samengewerkt met RICHARD PERLE.

12. Reuel Marc Gerecht: director bij de PNAC, resident fellow bij de AEI. Was eerder CIA specialist m.b.t. het Midden Oosten.

13. DONALD KAGAN: joods neocon, medeoprichter PNAC, professor militaire geschiedenis, was betrokken bij de totstandkoming van REBUILDING AMERICA’S DEFENSES (2000) van de PNAC. Vader van ROBERT KAGAN.

14. ROBERT KAGAN: joods neocon en director bij de PNAC, schrijft veel over US strategieën en US diplomatie en werkte eerder als de belangrijkste speechschrijver voor minister van buitenlandse zaken Shultz. KAGAN werkte eerder voor de belangrijke joodse neocon ABRAMS, die in het IRAN-Contraschandaal werd veroordeeld. Is columnist van onder meer The Washington Post en The WEEKLY STANDARD van KRISTOL. Zijn vrouw Victoria Nuland was een belangrijke nationale veiligheidsadviseur van vice-president CHENEY.

15. Jeane Kirkpatrick: professor op het politiek gebied. Was ambassadeur bij de UN gedurende de Reaganjaren. Werkte voor de AEI en steunde de Likudnik Jewish Institute for National Security Affairs.

16. CHARLES KRAUTHAMMER: joods neocon. Hield een belangrijke toespraak voor de AEI onder de titel “An American Foreign Policy for a Unipolar World” (12-2-2004). De tekst van de toespraak is uitgegeven door de AEI. Hij was speechschrijver van vice-president Mondale. Columnist Washington Post, Time Magazine en WEEKLY STANDARD.

17. John Lehman: joods neocon, was Secretary of the Navy, was lid van de 9/11 commissie. Heeft samengewerkt met RICHARD PERLE.

18. RICHARD PERLE: over hem is het nodige gezegd in par. 8.

19. Norman Podhoretz: joods neocon, schrijver, uitgever.

20. Stephen P. Rosen: Harvard professor of National Security and Military Affairs

21. Randy Scheunemann: joods neocon, adviseur van RUMSFELD voor IRAK, president van het Committee voor de Bevrijding van Irak opgezet door de PNAC.

22. Bruce P. Jackson: joods neocon en director bij de PNAC. Was militair inlichtingenofficier en Vice President voor Strategy en Planning bij de Lockheed Martin Corporation. In 2002-2003 was hij voorzitter van het Comité voor de bevrijding van IRAK. Werkte eerder onder WOLFOWITZ, PERLE en CHENEY.

23. Gary Schmitt: executive Director bij de PNAC en expert op het gebied van geheime diensten. Schmitt was in de 90 er jaren senior associate van het National Strategy Information Center en pleitbezorger van het concept van flexibele geheime dienst operaties dat grote invloed op het vormgeven van geheime dienst operaties van de BUSH regering had.

24. William Schneider: politicus. lid PNAC, schreef voor de AEI, lid Defense Science Board, daartoe uitgenodigd door RUMSFELD, was onderminister voor buitenlandse zaken in de Reaganregering.

25. Vin Weber: lid PNAC, congresman, uitgever.

De ondertekenaars hebben bijna allemaal banden met een of beide door de joodse neocons gedomineerde denktanks AEI en PNAC met een duidelijk pro-Israëlische koers. Beide denktanks, maar vooral de PNAC, hebben grote invloed in en rond de regering BUSH. En de ondertekenaars hebben voor een deel belangrijke posities in en rond de regering BUSH en banden met geheime diensten.

Een aantal namen zie je sinds het document Planning Defense Guidance (1992) ook steeds weer terugkeren in de ontwikkelingen rond de neocons en nu in en rond de regering BUSH.

Par. 11 Onnatuurlijke reactie regering BUSH

Van fervente terroristenjagers als de BUSH groep zou verwacht mogen worden, dat de natuurlijke respons na 9/11 was om alles op alles te zetten om van alles wat te maken heeft met 9/11 de onderste steen boven te krijgen onder meer om het Amerikaanse publiek erin te laten geloven, dat de BUSH regering snel en adequaat handelt om daarmee het vertrouwen van het publiek te behouden, opdat er achteraf geen verwijten van nalatigheid en veronachtzaamheid zouden komen en om daarmee zo veel mogelijk waardevolle informatie te verzamelen om de strijd tegen het terrorisme zo effectief mogelijk te voeren. Letterlijk zouden dan kosten noch moeite zijn gespaard. Bovendien zou het ook voor een onderzoek naar mogelijke constructiefouten voor de hand hebben gelegen, dat men al het mogelijke bewijsmateriaal bij de hand zou hebben willen houden. En dat geldt al helemaal voor het zo belangrijke staal.

Het tegendeel bleek echter het geval. Het budget voor de 9/11 commissie was abnormaal laag voor een dergelijk major event. Voor medewerking moest bij de regering BUSH zo ongeveer het pikhouweel worden gebruikt om medewerking los te wrikken. En BUSH en RUMSFELD mochten niet apart worden verhoord. En ze mochten niet onder ede worden verhoord en er mochten geen notulen worden opgesteld. Het wijkt allemaal nogal af van de klopjacht op Saddam ‘We got him’ en de kosten van de jacht op de terroristen in bijvoorbeeld Afghanistan. En mogelijk bewijsmateriaal werd en masse naar plekken duizenden kilometers verderop vervoerd. Het gebruik van het woord coverup als mogelijke verklaring is dan niet zonder grond.

Par. 12 De 9/11 Commissie

De 9/11 Commissie werd op 27 november 2002 door president BUSH en het Congres opgericht op grond van Public Law 107-306.

In eerste instantie werd gepoogd om Henry Kissinger tot voorzitter van de 9/11 commissie te benoemen. Na veel kritiek ging die benoeming niet door. Kissinger was als minister van buitenlandse zaken bij Contrabewegingen betrokken geweest, die terreuraanslagen hebben uitgevoerd in Zuid-Amerika.

Het uiteindelijke resultaat van de personele bezetting van de commissie leverde bepaald geen schoolvoorbeeld van objectiviteit en gescheiden belangen op. Zo bestond de commissie volledig uit politici, waarbij de leden gelijkelijk over de Democratische en Republikeinse partij verdeeld waren. En die hebben nog wel eens problemen om de vuile was buiten te hangen, als er zaken van nationale veiligheid spelen. En dat geldt al helemaal, als het gaat om de eigen partij. En die commissie werd onder meer geacht te oordelen over andere politici en over kringen rond de regering. Alleen al op deze gronden kan de 9/11 Commissie niet onafhankelijk worden genoemd.

Voorzitter Kean was Republikein en daarom al geen wonder van onafhankelijkheid. Hij was betrokken bij de National Endowment for Democracy, een CIA organisatie, die als dekmante