Landcrisis reikt wijder dan Zimbabwe

Zimbabwe staat hier bekend als boerenland. Maar omdat tabak de honger niet stilt, heerst er nu een voedselcrisis in het land. De toestand is het ergst in Matabeleland South, aan de grens met Botswana. De hongersnood wordt aan de droogte toegeschreven. Maar een minstens even belangrijke verklaring is het feit dat het voedsel hier niet van de beruchte commercial farms komt, maar van de kleine boeren die voor eigen verbruik produceren, op magere gronden en in precaire omstandigheden. Als het niet regent zoals verwacht, ondervinden ze daarvan onmiddellijk de gevolgen. De voedselcrisis in Zimbabwe zal vermoedelijk tegen begin 2002 verscherpen.

Hét nieuwsfeit van de afgelopen weken – dat wél de westerse media haalde – is echter het Akkoord van Abuja, Nigeria. Begin september kwamen daar de landen van het Britse Gemenebest samen. Zimbabwe’s president Mugabe deed er eindelijk weer een knieval. Hij beloofde plechtig dat hij komaf zal maken met de gewelddadige bezettingen van commerciële boerderijen in zijn land. In ruil is aan Zimbabwe financiële steun toegezegd zodat de staat commerciële boerderijen kan kopen en verdelen.

Anderhalf jaar al is president Mugabe de gebeten hond. Het populaire verhaal wil dat hij zich vastklampt aan de macht en de veteranen van de Rhodesische bevrijdingsoorlog voor eigen electoraal gewin aanspoort de landerijen van de witte grootgrondbezitters te bezetten. In feite ligt met Mugabe de soevereine positie van Zimbabwe onder vuur.

Abuja is een nieuwe etappe in een internationale campagne om Zimbabwe in de pas te dwingen. Het land is stelselmatig gestraft omdat het sinds 1998 de regering van Congo-Kinshasa tegen de agressie-oorlog door Rwanda, Burundi en Oeganda steunt. Nu vindt het Westen een ander argument om de hond te slaan. Het zegt te vrezen voor “destabilisering” in de regio. En inderdaad, de landkwestie in andere landen van Zuidelijk Afrika is minstens even nijpend als in Zimbabwe. Er is reden te over om voor contaminatie te vrezen.

Koloniale erfenis

Zimbabwe heeft de landkwestie aan het Britse kolonialisme te danken. In 1960 maakten grootgrondbezitters van Europese origine slechts 5 % van de bevolking in het toenmalige Rhodesië uit, maar ze bezaten wel 70 % van de bebouwbare landbouwgronden. De zwarte bevolking moest plaatsmaken voor commerciële teelten en werd naar marginale gronden verdreven.

In 1965 riep de blanke minderheid, aangevoerd door premier Ian Smith, eenzijdig de onafhankelijkheid uit van de apartheidsstaat Rhodesiê en scheurde zich af van Groot-Brittannië. Zo bewaarde ze haar economische en politieke privileges. Maar in de jaren ’70 kreeg Smith af te rekenen met een guerrilla-oorlog, onder aanvoering van Robert Mugabe en Joshua Nkomo, die het minderheidsregime eind ’79 tot de overgave dwong. Inzet van de guerrilla-oorlog was de landeigendom.

Het Akkoord van Lancaster, getekend in april 1980, dat de basis legde voor de nieuwe staat Zimbabwe, voorzag dat het koloniale onevenwicht rechtgezet zou worden. Onteigeningen waren verboden. Londen beloofde financiële steun. Uit Lancaster kwam een nieuwe Grondwet voort, die bepaalde dat de grond privé-bezit was. De eerste zeven jaar mocht de grondwet niet veranderd worden.

De nieuwe eerste minister, Robert Mugabe (“een marxist-leninist”) speelde het behoedzaam om de blanke commerciële farmers niet te verontrusten. Zij kregen een gegarandeerde vertegenwoordiging in het parlement. Na één jaar kende Zimbabwe een economische groei van 7%. Mugabe begon ook met de landherverdeling. De staat kocht gronden, met eigen en met Britse fondsen. Voor elke dollar uit Londen, zo zei het Lancaster Akkoord, moest de regering in Harare een dollar bijpassen. Die eerste fase duurde tot 1986-87. Zo’n 60.000 zwarte boerenfamilies konden zich hervestigen.

Maar de macht van de commercial farmers was manifest : 4.500 boeren (de meesten wit) bezaten nog altijd de helft van de productieve gronden, terwijl 4,5 miljoen zwarte boeren teruggedrongen waren naar zogenaamde tribal lands. De commerciële boeren waren georganiseerd in de Commercial Farmers Union, een machtige lobby die herverdeling dwarsboomde. De CFU-leden namen 90 % van Zimbabwe’s landbouwproductie voor hun rekening en 40 % van ‘s lands export.

Koppig schipperend

In Zuidelijk Afrika behoorde Zimbabwe tot de Frontlijnstaten, die strijd voerden tegen het Apartheidsregime in Zuid-Afrika. Die strijd had een kost. Zuid-Afrika blokkeerde o.a. de Zimbabweaanse export. Zuid-Afrika destabiliseerde zijn buren ook militair. Het was onder meer betrokken bij de Vuile Oorlog in Mozambique, waar het – met de hulp van Rhodesische rechtse extremisten – de zogenaamde rebellenbeweging RENAMO op de been hielp. In 1987-88 voerde RENAMO ook tegen Zimbabwe militaire acties uit. Zimbabwe van zijn kant stuurde zo’n 12.000 soldaten naar Mozambique, onder andere om de Beira-spoorweg naar de Indische Oceaan te bewaken.

Zimbabwe kreeg het moeilijk, en de regering ging schipperen. (Terloops, na een eerste grondwetsherziening in 1987, was Robert Mugabe president geworden). Het financiële mechanisme van het Lancaster-akkoord werd niet vernieuwd, onder meer omdat de regering in 1990 in de nieuwe Grondwet het principe aannam dat ze voortaan gronden zou onteigenen, tegen door haar vastgestelde prijzen. Nochtans zwoer ze rond dezelfde tijd het marxisme af als ideologie en omarmde ze de "heilzame" beginselen van de vrije markt.

Om de economie op te krikken en aan buitenlandse leningen te komen, moest het land in 1992 een Structureel Aanpassingsprogramma accepteren. Er volgde massale verpaupering. De relaties met Londen verslechterden. In 1997 kwam Labour daar opnieuw aan de macht en in ruil voor Lancaster-subsidies eiste de regering-Blair opnieuw dat ze mocht meebepalen hoe Zimbabwe de landbouwgronden herverdeelde.

Sleuteljaar 1997

1997 werd een sleuteljaar. De veteranen van de bevrijdingsoorlog zagen dat er sinds 1990 op het vlak van de landherverdeling niets meer was gebeurd. Tegelijk voelden ze de gevolgen van de Structurele Aanpassing. Ze gingen in het offensief en eisten, tegen alle besparingslogica in, een serieuze verhoging van hun pensioenen. Dat leidde tot heftige botsingen met de top van de regeringspartij ZANU-PF.

Maar ook in 1997 begon de regering af te stappen van de rigoureuze IMF-politiek. En ze radicaliseerde ook weer de landpolitiek. Daarin speelde zeker de discussie mee over de relaties met Groot-Brittannië. Velen vonden dat Londen in Zimbabwe niets te dicteren had, zeker niet als op het uitdelen van land aankwam. Men herinnerde zich nog goed hoe in de koloniale tijd Britse ambtenaren en Britse oorlogsveteranen gratis grond hadden gekregen, met startpremies erbovenop.

Dat Londen de landherverdeling nu als vriendjespolitiek bestempelde, viel in Harare bijzonder slecht. Zo kwam het dat de regering voor het eerst een lijst opstelde van 1.471 boerderijen die zonder pardon onteigend zouden worden. Van de weeromstuit werden er zo’n 30 boerderijen door zwarte boeren bezet. Ze deden dat met veel gedruis, om aan de regering duidelijk te maken dat ze niet meer moest terugkrabbelen. Die eerste bezettingen gebeurden spontaan, en ze waren vooral het werk van de boerengemeenschappen zelf. Er waren traditionele chefs bij betrokken, en oorlogsveteranen – hoewel zij als groep nog terughoudend reageerden – maar geen kaders van de regeringspartij.

Maar in september ’98 veranderde de Zimbabweaanse regering alweer van koers. Op een internationale donor-conferentie had ze nieuwe 5- en 10-jarenplannen voor geleidelijke herverdeling voorgelegd, en beloftes voor nieuwe fondsen losgepeuterd. En meteen na de conferentie maakte de politie dus een einde aan de bezettingen van de zowat 30 boerderijen.

Vlak voordien, in augustus 1998, was de Tweede Congolese Oorlog begonnen (tijdens de Eerste in 1996-97 vocht de Kabila-Alliantie tegen de Mobutu-dictatuur) met een Blitzkrieg door troepen uit Rwanda en Oeganda. Zimbabwe was één van de landen van de SADC – de economische unie van Zuidelijk Afrika – die gevolg gaf aan een SADC-oproep om de lidstaat Congo tegen de invasie te gaan helpen. Harare stuurde dus opnieuw troepen, zoals het dat eerder in Mozambique had gedaan.

Tegenwoordig heet dit een Artikel-5-interventie. Maar zo hadden ze het in Londen en Washington niet begrepen. De Amerikaanse marine had de Rwandees-Oegandese aanval logistiek gesteund, en gezien de nauwe militaire banden met Rwanda, werden de Verenigde Staten beschouwd als de sponsor van de militaire agressie tegen de Democratische Republiek Congo. Dat Zimbabwe de kant van Congo koos, was dus een voor Washington bepaald onvriendelijke beslissing.

Zimbabwe voelde het financieel. Van de donor-gelden, beloofd op de conferentie van september ’98, kwam niets in huis en het land werd internationaal geïsoleerd, onder meer met een wapen-embargo vanuit Zuid-Afrika.

Het Westen begon te hameren op het argument dat Zimbabwe geen geld kreeg zolang het zijn geldverslindende militaire steun aan Congo niet stopzette. Zimbabwe kreeg het mes op de keel.

Zeer opvallend in de dubbelzinnigheid van Wereldbank en Internationaal Muntfonds. Het IMF staakte in 1999 alle bijstand aan Zimbabwe. Op 30 augustus 2000 noemde de IMF-economist John Robertson drie voorwaarden voor de hervatting van de steun: terugtrekking van de troepen uit Congo, het staken van de landbezettingen en de hervatting van de aflossing van de schulden. Precies een maand eerder had het IMF wel luidkeels de lof gezongen van Rwanda (“IMF Commends Rwanda’s Stability with Solid Growth”, titelt een Washington Staff-writer) en een tussentijdse lening van 12,5 miljoen dollar toegekend. Alsof Rwanda niet betrokken was in de Congolese oorlog. Tijdens het volgende jaar kreeg Rwanda de ene lening na de andere.

Zimbabwe’s engagement in Congo moet het begin zijn geweest van de persoonlijke aanvallen in de westerse media. President Mugabe – na de onafhankelijkheid internationaal bejubeld omdat hij zo gematigd bleef – werd nu afgeschilderd als een potentaat die steunde op een politiek systeem van afdreiging en fysieke terreur. Een leider van de oorlogsveteranen werd voortdurend als “Hitler” betiteld, omdat hij een vierkant snorretje had.

In plaats van te plooien, verhardde Harare zijn standpunt. Het constateerde dat de donors hun beloften niet nakwamen, en besloot koppig het dan maar alleen te doen. In 1999 was er sprake van het grondwettelijk beginsel van de onteigeningen nog te verscherpen. Maar dat plan kwam niet door een referendum in februari 2000. Er volgde wel een massale mobilisatie onder de zwarte boeren om de blanke grootgrondbezitters met gerichte acties van hun eigendommen te verdrijven.

“Nog niet te laat”

Anderhalf jaar later heeft de beweging serieuze proporties aangenomen. Van april tot eind augustus 2001 waren meer dan 1.000 boerderijen het doelwit van een bezettingsactie. De helft daarvan blijft bezet. De regering ging mee met de stroom. Begin juli publiceerde ze een lijst van 529 te onteigenen boerderijen.

Op dat ogenblik betuigde de Afrikaanse Unie – opvolger van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid – haar steun aan Zimbabwe. De Unie zei ook ongerust te zijn over de Britse pogingen om de Europese Unie en de Verenigde Staten met sancties tegen Zimbabwe te doen optreden. De Afrikaanse Unie riep een comité in het leven (geleid door Nigeria en voort bestaande uit Algerije, Kenia, Zuid-Afrika en Zambia) dat samen met Zimbabwe op alle gepaste fora de landkwestie zou aankaarten.

President Mugabe voelde zich zelfverzekerd. In een Nigeriaanse krant zegt hij de landherverdeling niet te zullen opgeven “omdat Zuid-Afrika er schade van zou kunnen ondervinden”. Mugabe voegde eraan toe dat de Britse premier Harold Wilson in 1965 de illegale secessie van Rhodesië niet gewapenderhand ongedaan wilde maken. Dus waarom zou ik optreden tegen illegale landbezettingen, zo vraagt Mugabe.

Maar in augustus 2001 keren de kansen. De Britse krant Sunday Telegraph “onthult” een “geheim plan” van de regering van Zimbabwe waarin zou staan dat alle blanke boerderijen vóór de presidentsverkiezingen van 2002 onteigend moeten zijn en dat daarvoor geweld en terreur gebruikt mogen worden. Andere Europese kranten nemen de “scoop” gewillig over. Het “geheime plan” blijkt een vrije interpretatie van de officiële lijst van juli te zijn.

Maar de media-berichten krijgen onmiddellijk politieke respons. Westerse politici spreken duidelijke en dreigende taal. Twee Australische parlementairen noemen Mugabe een “gevaarlijke, kwaadwillige en bejaarde dictator”. De Britse Buitenlandminister Jack Straw vindt dat “de wereld snel moet handelen om het hoofd te bieden aan een snel verslechterende situatie”. Tito Mboweni, gouverneur van de Zuid-Afrikaanse Nationale Bank, klaagt dat zijn land wel degelijk de effecten voelt van de gebeurtenissen in Zimbabwe. “In een geglobaliseerde wereld kan geen enkel land doen alsof het een eiland is”, aldus Mboweni. De Amerikaanse ambassadeur in Zimbabwe Joseph Sullivan, ten slotte, zegt dat “het nog niet te laat” is om Zimbabwe van de ineenstorting te redden.

Ook de SADC – de unie van Zuidelijk Afrika – begint druk uit te oefenen. Ze vaardigt vijf landen af – plus SADC-voorzitter Malawi- om met Zimbabwe te gaan praten. Het zijn Namibia, Angola, Botswana, Mozambique en Zuid-Afrika. Malawi, Mozambique en Zuid-Afrika voelen – zoals we verder nog aangeven – de hete adem van Zimbabwe in hun nek: ze kampen met dezelfde koloniale erfenis als Zimbabwe. De ministeriële ontmoetingen wisselen elkaar nu gauw af. En dan komt de Commonwealth-meeting van Abuja in Nigeria, waar president Mugabe buigt voor de beloften van vers buitenlands geld, als hij de landbezettingen maar beteugelt. Zimbabwe is tot inkeer gekomen. Elf dagen later, op 18 september, deelt het Internationaal Muntfonds een bonus uit voor goed gedrag. Het zegt dat het weer on speaking terms is met de lastige leerling. Het IMF drukt er wel op dat het vertrouwen in Zimbabwe’s economische toekomst hersteld moet worden door “een ordelijke landhervorming”. Het Fonds zegt ook dat nieuwe (onder andere monetaire) maatregelen zich opdringen om het economische klimaat te verbeteren.

Contaminatie

Tot Robert Mugabe in Abuja besliste zich weer naar de internationale etiquette te schikken, was Zimbabwe goed op weg een nieuwe Schurkenstaat te worden. Er werd al druk gedreigd met economische sancties.

Maar de inzet van de landkwestie in Zimbabwe is ook niet te onderschatten. In heel Zuidelijk Afrika woedt een debat met economische, politieke en historische argumenten over wie de feitelijke eigenaar van de landbouwgronden was en is. En in Zuid-Afrika heeft dat debat, net als in Zimbabwe, al tot acties geleid. In augustus 2001 kwamen er zo’n 10.000 straatarme mensen samen aan Bredell Farm, op 50 kilometer van Johannesburg. De lap land zou door het linkse Pan-Africanist Congress (PAC) verkocht worden aan 3 US$ per perceel. Het PAC had zich de gronden demonstratief toegeëigend. Ze behoorden onder meer aan de Zuid-Afrikaanse regering en twee particulieren toe. Om investeerders duidelijk te maken dat Zuid-Afrika geen chaos tolereert op zijn Zimbabwe’s, greep de politie ogenblikkelijk in en arresteerde 200 squatters. Maar de actie sloeg wel in. De herverdeling van de landbouwgronden is immers één van de meest delicate dossiers van het post-apartheid-tijdperk. Overigens zegde het PAC (na wat intern gestrubbel) op 30 augustus 2001 haar onvoorwaardelijke steun toe aan de bezettingsacties in Zimbabwe.

In Malawi is sinds de koloniale tijd niets veranderd. De grote planters, onder andere op de thee-plantages in het Zuiden van het land, doen al decennia ongebreideld waar ze zin in hebben. Ze keren hongerlonen uit aan de rechteloze plukkers en betalen nauwelijks belastingen aan de staat. Het land is al decennialang een bastion van conservatisme. Tijdens de anti-apartheidsoorlogen was Malawi een westers bondgenoot. RENAMO had er uitvalsbases van waar het tegen het regeringsleger in Mozambique opereerde. Sociale ongelijkheid is er niet aan de orde. De keuterboeren wonen letterlijk in de uithoeken naast de plantages, waar ze op de waardeloze bodem hun eigen voeding proberen te telen. Malawi is één van ‘s werelds armste landen. Ondervoeding is er algemeen. Als, zo durft iemand er wel eens opperen, de Zimbabweaanse ziekte ook Malawi aantast, dan barst de hel los.

Mozambique tenslotte heeft aanzienlijke reserves van vruchtbare landbouwgronden. Het land heeft sinds het einde van burgeroorlog in 1992 ook blanke kolonisten aangetrokken, om de landbouw weer op gang te krijgen. Maar Mozambique houdt de sector strak onder staatscontrole. De grond, zo staat er in de nieuwe Landwet uit 1998, is er onverdeelbaar eigendom van de staat. Die kan, mits condities, concessies toekennen. Eén zo’n voorwaarde is dat de plaatselijke gemeenschappen gekend moeten worden over een landbouwconcessie. Voor Zimbabweaanse commerciële boeren is Mozambique een uitwijkland. In juli nog had een groep van 63 Zimbabweanen een concessie gevraagd van 400.000 hectaren in de Centraal-Mozambicaanse provincie Manica. De regering in Maputo antwoordde dat ze hun aanvragen individueel moesten indienen en dat ze elk voor niet meer dan 1000 hectaren mochten solliciteren. Maputo wil duidelijk een scheeftrekking zoals in Zimbabwe voorkomen. Toch heeft de markt ook hier al haar nefaste werk gedaan. De grote boeren willen industrieel telen, niet voor de huishoudens. Het valt uit de laatste groeicijfers af te lezen. De Mozambicaanse economie kende tussen januari en juli 2001 een groei van 15%. De landbouw had daarin een aandeel van 5,2%. Maar terwijl de productie van katoen, palmolie en suiker toenam, daalde de productie van graan. Volgens de minister van het Plan is de situatie nog niet alarmerend.

(Uitpers, oktober 2001)

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 126 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook