Kyoto-dispuut zielig achterhoedegevecht

Na het gebakkelei in de Vlaamse regering betreffende de verdeling van de Kyoto-engagementen over de gewestregeringen, loont het beslist de moeite om het klimaatvraagstuk in een breder (wetenschappelijk) perspectief te zien. Hopelijk zal dan blijken dat het dispuut over de ‘lastenverdeling’ een zielig achterhoedegevecht is.

Het is genoegzaam bekend dat de globale opwarming en de daarmee gepaard gaande klimaatverstoringen één van de meest prangende problemen van vandaag vormt. Het Intergouvernementeel Panel inzake Klimaatverandering (IPCC), dat in 1988 werd opgericht door de VN en de Wereld Meteorologische Organisatie, laat er in haar baanbrekende evaluatierapporten (1995, 2001) weinig twijfel over bestaan: ‘The balance of evidence suggests a discernible human influence on global climate’. In zijn derde evaluatierapport stelt het IPCC dat de gemiddelde oppervlaktetemperatuur sinds het einde van de negentiende eeuw met 0.6°C is opgelopen. Vertrekkende vanuit een hele waaier aan scenario’s voorspelt het IPCC dat de gemiddelde temperatuur tegen het jaar 2100 verder zou stijgen met 1.4 à 5.8°C. Een temperatuurtoename van 5.8°C is vergelijkbaar met het temperatuurverschil (in de omgekeerde zin dan) tussen de laatste ijstijd en de periode daarna. Paleoklimatologische gegevens wijzen uit dat de desbetreffende temperatuursdaling onze planeet totaal getransformeerd heeft.

Hoewel men strikt genomen moet opletten met dergelijke vergelijkingen, geeft dit een indicatie van wat er ons kan te wachten staan. Het IPCC voorspelt alleszins dat er zelfs bij minder problematische scenario’s sowieso een grotere frequentie én intensiteit van ‘extreme weersfenomenen’ zal plaatsvinden. Hoewel het net de geïndustrialiseerde wereld is die het leeuwendeel van de globale opwarming heeft teweeggebracht – zo is de VS met slechts 5% van de wereldbevolking verantwoordelijk voor de uitstoot van 25% van de mondiale broeikasgasemissies – zullen de meeste slachtoffers aanvankelijk in de landen van het Zuiden vallen. Doch laten we ons geen illusies maken. Ook het Westen zal niet gespaard worden. Zo vielen er naar schatting 20.000 doden als gevolg van de hittegolf die tijdens de zomer van 2003 grote delen van Europa langdurig teisterde. Hoewel men niet met 100% zekerheid kan bewijzen dat er een link bestaat tussen die hittegolf en globale opwarming is het vrij duidelijk dat er iets aan de hand is. In een recente paper van Schär e.a. in het gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift Nature werd aangetoond dat ‘an event like the summer of 2003 is statistically extremely unlikely, even when the observed warming is taken into account.’

Het staat ook buiten kijf dat de klimaatopwarming voor een ravage gaat zorgen in de wereld van de fauna en flora. In een ophefmakende studie in Nature waarschuwt een internationaal team van wetenschappers dat, zelfs in het minst onheilspellende IPCC-scenario (0.5°C opwarming tegen 2050), 18% van de bestudeerde landsoorten met uitsterven bedreigd zijn. De teloorgang van deze species vormt niet enkel een probleem voor de getroffen soorten zelf; aangezien vele species van elkaar afhangen, zal de verdwijning van 18% landsoorten (of 37% in het worst-case IPCC-scenario) kunnen leiden tot allerlei, moeilijk te kwantificeren multiplicatie- of zogenaamde knock-on-effecten. Op zijn beurt kan dit ook akelige gevolgen hebben voor tal van menselijke gemeenschappen die voor hun overleven rechtstreeks afhankelijk zijn van de rijkdom en de diversiteit van de ecosystemen waarin zij gedijen.

In de milieueconomie maakt men het onderscheid tussen ‘onzekerheid’ (uncertainty) en ‘risico’s’ (risk). Met ‘risico’ bedoelt men een situatie waarbij een individu de gevolgen van een daad niet kent, maar in staat is realistische verwachtingen te koesteren op grond van kansberekeningen of van reeds voorgevallen gevolgen van daden of beslissingen. Onzekerheid daarentegen definieert men als een situatie waarbij men niet over de informatie beschikt omtrent alle mogelijke gevolgen van een daad of een beslissing en waarbij de waarschijnlijkheid van mogelijke gevolgen die wel geïdentificeerd zijn onbekend is: het impliceert een fundamenteel gebrek aan kennis over het gedrag van een gegeven systeem. Voor risico’s kunnen verzekeringsinstellingen betrouwbare kansberekeningen opstellen; in gevallen van onzekerheid beschikken zij over onvoldoende informatie om mogelijke schade te dekken.

In het geval van het klimaat zitten we in essentie met een probleem van onzekerheid. Het klimaatsysteem is een complex gebeuren: tal van processen en interacties in dit systeem vertonen ‘niet-linear’, chaotisch gedrag: oorzaak en gevolg zijn niet eenvoudig aan elkaar gekoppeld. Niet-lineariteit impliceert het bestaan van drempelwaarden (threshold values) in het klimaatsysteem: kleine wijzigingen kunnen grote veranderingen uitlokken van zodra deze kritische drempels overschreden zijn. Helaas zijn deze drempelwaarden niet exact gekend, zoals recent erkend werd in een overzichtsartikel van Clark e.a. in Nature.

Onvoorspelbaarheid is the name of the game. Van zeer groot belang in de evoluties van het klimaat zijn de zogenaamde terugkoppelingslussen (feedbacks) die zowel negatief (dempend) als positief (versterkend) kunnen zijn. Een typisch positief terugkoppelingsmechanisme is het volgende: hogere temperaturen leiden tot drogere grond, met een grotere kans op bosbranden; bosbranden leiden tot hogere broeikasgasconcentraties en verhogen bijgevolg op hun beurt de kans op nieuwe bosbranden etc. Het IPCC erkent dat abrupte (i.e. over een periode van enkele jaren of decennia) ‘niet-lineaire’ klimaatwijzigingen helaas tot de mogelijkheden behoren. Een typische abrupte klimaatwijziging waar tal van klimatologen naar verwijzen, is de potentiële uitschakeling van de Golfstroom. Eens te meer zijn de exacte gevolgen hiervan moeilijk te voorspellen; alleszins heerst er een consensus dat deze niet van de poes zouden zijn.

Het bestaan van kritische drempels en complexe traagheidseffecten in het klimaatsysteem betekent dat men een run-away global warming niet a priori kan uitsluiten. In dit scenario zou de globale opwarming, eenmaal zij goed op gang gebracht is, uit zichzelf verder ontwikkelen, ongeacht de mens doorgaat met de verbranding van fossiele energiebronnen. Eens de sneeuwbal aan het rollen is, kan hij niet meer tegengehouden worden, zelfs niet met alle kracht van de wereld. Dit behelst een situatie waarin men enkel nog bang kan afwachten wat er zal plaatsvinden tijdens de overgangschaos naar, mogelijkerwijs, een nieuwe, stabiele toestand.

Ondertussen vermoedt men dat het mondiale klimaatsysteem in meervoudige stabiele toestanden (multiple equilibrium states) kan verkeren. Op basis van paleoklimatologische gegevens gaat men ervan uit dat het klimaatsysteem abrupte wijzigingen kan ondergaan, als gevolg van kleine, graduele verstoringen die een plotselinge verschuiving op gang kunnen brengen van de huidige naar een nieuwe stabiele toestand.

Enkele parallellen naar de chaostheorie kunnen hier verhelderend werken. In de chaostheorie noemt men de verschillende stabiele toestanden van een dynamisch systeem attractors: zij beschrijven het langetermijngedrag van een systeem dat netto gezien niet fundamenteel wijzigt, ondanks chaotische interne activiteit. De abrupte en onvoorspelbare wijzigingen van de ene attractor naar een andere beschrijft men aan de hand van bifurcaties (tweesprongen). Wanneer een systeem door fluctuaties naar een ver-uit-evenwichtstoestand is gedrongen en in zijn structuur wordt bedreigd, komt het voor zo’n kritisch moment te staan: het is dan fundamenteel onmogelijk om van te voren te bepalen wat de toestand van het systeem zal zijn.

Om het runaway global warming-scenario te voorkomen moet men er alleszins voor zorgen dat de kritische drempelwaarden in het klimaatsysteem niet overschreden worden. Bedenk bovendien dat een aantal specialisten terzake erop wijzen dat de IPCC-rapporten bewust de risico’s op abrupte klimaatwijzigingen relativeren, juist uit vrees beschuldigd te worden van het nodeloos propageren van doemscenario’s. Onder klimaatspecialisten heerst er een consensus die stelt dat op termijn een reductie van 60 à 80% in broeikasgasemissies vereist is om catastrofale globale opwarming te voorkomen. Momenteel schat men dat 4°C opwarming de ultieme drempelwaarde vormt, ook al beschikt men over geen enkele zekerheid betreffende deze raming. De onzekerheid aangaande de exacte waarden van deze kritische drempel zou een reden te meer moeten zijn om aan de veilige kant te spelen en, hic et nunc, effectieve maatregelen te nemen, in plaats van te gokken dat het allemaal wel niet zo’n vaart zal lopen. Helaas toont de politieke realiteit een ander plaatje aan. Het blijft ons dan ook een levensgroot raadsel hoe de Realpolitik van vandaag, cfr. de Kyoto-doelstellingen die een gemiddelde emissiereductie tegen 2008-2012 van 5.2% ten opzichte van het referentiejaar 1990 vooropstellen, ons uit de impasse gaat halen.

Om het met de woorden van de Griekse redenaar Demosthenes te zeggen: de tijd is gekomen om uit onze lethargie te ontwaken.

(Uitpers, nr. 50, 5de jg., februari 2004)

*Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij is actief binnen de wetenschappelijke raad van ATTAC-Vlaanderen, publiceerde in diverse tijdschriften en is co-auteur van Ya Basta! Globalisering van onderop (2002) en Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen (2003).

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :