Kritiek op het asielbeleid van Verdonk

Zoals bekend heeft de Nederlandse minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, mevrouw R. Verdonk, getracht in haar antwoord op drie onderstaande opmerkingen ten aanzien van het Nederlands asielbeleid in het algemeen en haar uitzettingsmaatregelen in het bijzonder, de toenemende kritiek op haar beleid het hoofd te bieden. In mijn onderstaande betoog zal ik trachten aan te tonen, dat haar verweer niet steekhoudend is en dat zowel het Nederlandse asielbeleid in het algemeen als de uitzettingsmaatregelen van minister Verdonk in het bijzonder op gespannen voet staan met het Internationaal Recht.

Bij mijn reactie zal dan ook de nadruk liggen op het internationaal-rechtelijke aspect zowel tav de door de IND gebruikte toetsingsmethoden als de uitzettingsmaatregelen van de minister.

In deel I vermeld ik de vragen met de door de minister gegeven antwoorden.

In deel II maak ik enkele kritische kanttekeningen bij enkele door de minister gegeven antwoorden ten aanzien van de door de IND gehanteerde toetsingsmethoden.

In deel III belicht ik nader de internationaal-rechtelijke voetangels en klemmen rond de reeds uitgezette en nog uit te zetten groepen asielzoekers.

In deel IV geef ik enkele voorbeelden van de schending door de Nederlandse autoriteiten van het refoulementsverbod.

Ik beëindig dit betoog met vermelding van een aantal op dit onderwerp van toepassing zijnde bronvermeldingen.

Deel I: Vragen aan de minister tav het asielbeleid en haar antwoorden

Minister Verdonk: misverstanden terugkeerbeleid

29 april 2005

Dinsdag jl. is in de Tweede Kamer de motie van Klaas de Vries (PvdA) met een ruime meerderheid verworpen. Hij vroeg in zijn motie om een verruiming van de pardonregeling. Tevens werd er die dag voor de ingang van het parlement door actievoerders gepleit om tot een royaal gebaar te komen voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Een van de ondertekenaars van het gebaar, namelijk Freek de Jonge, zette zijn handtekening voor het gebaar kracht bij door te verkondigen: ,,We zijn hier principieel tegen de doodstraf, maar sturen wel mensen terug naar een land, waar we weten dat ze om het leven kunnen komen”.

Uit dergelijke uitlatingen blijkt dat er nog veel misverstanden zijn over het asiel- en terugkeerbeleid, dat op een humane en zorgvuldige wijze wordt gevoerd. Om de discussie op basis van feiten te voeren en niet op basis van valse emoties wil ik enkele van de meest gehoorde misverstanden kort noemen.

26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers worden door de overheid uitgezet

Dit is onjuist. Het gaat om 26.000 asielzoekers die onder de oude Vreemdelingenwet hun aanvraag hebben ingediend. Veelal is men nog niet geheel uitgeprocedeerd, maar in afwachting van de uitkomst van rechterlijke procedures. In deze “oude zaken” wil ik zo snel mogelijk duidelijkheid bieden. Als iemand geen verblijfsvergunning krijgt maar uitgeprocedeerd raakt, gaan we die persoon helpen bij zijn terugkeer via een apart individueel vertrektraject. Dit leidt tot goede resultaten. Niet eerder hebben zo veel (uitgeprocedeerde) asielzoekers gebruikt gemaakt van de mogelijkheden die er worden geboden om vrijwillig terug te keren.

De uitgeprocedeerde asielzoekers worden teruggestuurd naar landen waar ze het risico lopen om vermoord te worden.

In de asielprocedure staat de vraag centraal of de asielzoeker bescherming nodig heeft tegen de autoriteiten in zijn land van herkomst. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is verantwoordelijk voor deze beoordeling en baseert het besluit o.a. op basis van de verklaringen van de asielzoeker zelf en op basis van beschikbare informatie over het betreffende land. De beslissing wordt, als de asielzoeker het niet met de IND eens is, getoetst door de onafhankelijke Nederlandse rechter. Indien het besluit in beroep en hoger beroep in stand blijft, dan is men uitgeprocedeerd en heeft men dus geen bescherming nodig tegen de autoriteiten in eigen land.

De 26.000 asielzoekers hebben lange tijd in onzekerheid geleefd en moeten daarom in Nederland blijven.

Vlak na mijn aantreden heb ik een specifiek pardon verleend aan alle asielzoekers die langer dan vijf jaar op een beslissing in hun eerste asielaanvraag hebben moeten wachten. Dit betrof ruim 2.300 personen. Zij konden met recht en rede zeggen lange tijd in onzekerheid te hebben verkeerd. Het ging immers nog steeds om hun eerste asielaanvraag. Dat geldt echter niet voor de meeste asielzoekers in het Project 26.000. Vaak blijkt dat zij al lange tijd geleden duidelijkheid hadden van de IND en de rechter in hun eerste procedure, maar zich daar niet bij hebben neergelegd en zijn gaan doorprocederen. Hierdoor zitten velen nu in afwachting van de uitkomst van vervolgprocedures. De keus om opnieuw een aanvraag in te dienen is echter door betrokkene zelf genomen. Hun eventuele huidige onzekerheid wordt dan ook primair veroorzaakt door deze keuze. Dat is legitiem, maar het is een bewuste stap van betrokkene geweest om, terwijl er vaak al een keer negatief is beslist, nieuwe procedures te beginnen. Hen laten blijven zou moeilijk uit te leggen zijn aan degenen die wel na afloop van hun eerste procedure zijn vertrokken. Doorprocederen zou op deze wijze worden beloond met een verblijfsvergunning. Overigens zijn op dit moment al ruim 10.000 zaken behandeld. In 4.000 zaken heeft dit geresulteerd in een verblijfsvergunning. Kortom, ook de praktijk logenstraft het beeld dat sommigen willen oproepen.

Rita Verdonk

Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

 

Deel II: Internationaalrechtelijke aspecten bij de door de IND gehanteerde toetsingsprocedures.

Bij dezen de beantwoording door de minister:

”Vraag aan de minister: De uitgeprocedeerde asielzoekers worden teruggestuurd naar landen waar ze het risico lopen om vermoord te worden.

Antwoord minister: In de asielprocedure staat de vraag centraal of de asielzoeker bescherming nodig heeft tegen de autoriteiten in zijn land van herkomst. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is verantwoordelijk voor deze beoordeling en baseert het besluit o.a. op basis van de verklaringen van de asielzoeker zelf en op basis van beschikbare informatie over het betreffende land. De beslissing wordt, als de asielzoeker het niet met de IND eens is, getoetst door de onafhankelijke Nederlandse rechter. Indien het besluit in beroep en hoger beroep in stand blijft, dan is men uitgeprocedeerd en heeft men dus geen bescherming nodig tegen de autoriteiten in eigen land.”

Mijn reactie:

Inleiding:

In de eerste plaats is het opvallend, dat de minister in haar bovenstaande antwoord weliswaar refereert aan het individuele veiligheidsrisico van de asielzoeker op grond van persoonlijke vervolging, maar in het geheel niet refereert aan het collectieve veiligheidsrisico met betrekking tot grote groepen vluchtelingen, die teruggezonden worden naar onveilige landen of gebieden waarbij hetzij sprake is van oorlog, hetzij het ontbreken van een sterk centraal gezag.

Dienaangaande wil ik eraan herinneren, dat volgens de toelatingsgronden van het Nederlandse asielbeleid een der criteria is het verlenen van een verblijfsvergunningasiel wanneer een asielzoeker afkomstig is uit een land waar sprake is van een dermate onveilige situatie, dat terugkeer naar dit land onverantwoord wordt geacht [in oorlogssituaties of situaties waarin een sterk centraal gezag ontbreekt]. Op het in dit verband door de Nederlandse overheid te voeren categoriaal beleid kom ik later terug.

Bovendien wekt de minister in bovenstaand verweer ten onrechte impliciet de indruk, dat de door het IND gehanteerde toetsingscriteria gebaseerd zouden zijn op zorgvuldige naleving van de internationale rechtsprincipes, hetgeen niet het geval is. Ter weerlegging hiervan wil ik nader ingaan op een door de IND veelvuldig gebruikte toetsingsmethode, de AC-procedure

De AC-procedure

In 1994 werd de AC procedure ingevoerd, een versnelde procedure, waarbij de IND ambtenaren [Immigratie en Naturalisatie Dienst] de bevoegdheid kregen binnen 48 werkuren [in de praktijk meestal drie dagen] middels twee gesprekken met de asielzoeker te beslissen of een asielaanvraag werd verworpen of toegevoegd aan de reguliere asielprocedure waarbij sprake was van een uitgebreid onderzoek, dat kon variëren van een aantal weken tot langer dan een jaar.

1 Oneigenlijk gebruik van de AC-procedure

In internationale verdragen zijn geen bepalingen terug te vinden over de toepassing van een versnelde asielprocedure. Wel zijn dienaangaande door het uitvoerend comité van de VN-Vluchtelingenorganisatie, de UNCHR, criteria ontwikkeld in de zogenaamde Excom-conclusies.

Een en ander impliceert, dat een versnelde procedure alleen mag worden toegepast in gevallen, die evident frauduleus of ongegrond zijn.

Ondanks de door de Nederlandse politiek gegeven garantie, dat de AC-procedure slechts in evident frauduleuze gevallen zou worden toegepast, wijst de praktijk uit, dat er sinds 2002 sprake is van de hantering van de AC-procedure bij de afhandeling van 40 tot 60 procent van alle aanvragen.

Gevolg is, dat hieronder eveneens een groot aantal gevallen ressorteren, die vanwege het gecompliceerde karakter van de zaak getoetst dienen te worden in een uitgebreide asielprocedure.

Het hieruit voortvloeiende risico op refoulement [het terugsturen van een asielzoeker naar een land waar zijn leven gevaar loopt hetzij hij op persoonlijke gronden vervolgd dreigt te worden] is dan ook levensgroot aanwezig, met alle voor de betrokkenen humanitaire consequenties van dien.

Een ander aspect van zorg is, dat eveneens een groot aantal mensen, die afkomstig zijn uit de zogenaamde onveilige landen, in de AC-procedure belanden. Weliswaar worden vluchtelingen uit landen, die ressorteren onder en het door de Nederlandse regering gevoerde categoriale beleid [landen waarnaar niet wordt uitgezet vanwege de onveilige situatie], nooit in de AC-procedure afgewezen, maar de door de Nederlandse regering gehanteerde normen voor het voeren van een categoriaal beleid zijn zo strikt, dat een aantal evident onveilige landen hiervan worden uitgesloten.

Het gevolg is dienaangaande, dat in de praktijk een grote groepen mensen uit onveilige landen alsnog het risico lopen, te worden uitgezet, hetgeen nog afgezien van het humanitair onacceptabele karakter hiervan, in strijd is met het Internationaal Recht.

 

2 Willekeurig toetsingskarakter voor afwijzing cq toelating tot reguliere asielprocedure

Een tweede bezwaar tegen de gehanteerde AC-procedure betreft het willekeurige toetsingskarakter in dezen, aangezien voor de afwijzing cq verleende toegang tot de uitgebreide asielprocedure geen duidelijk controleerbare toetsingscriteria zijn vastgesteld met alle risico’s van dien op willekeur door IND-ambtenaren.

 

3 Geloofwaardigheid vluchtverhaal door de IND

Een derde hieruit voortvloeiend probleem is het feit, dat de asielaanvraag in AC-procedure door de IND met regelmaat wordt afgewezen vanwege in het vluchtverhaal voorkomende tegenstrijdigheden, terwijl volgens de beschikbare medische kennisinformatie juist bekend is, dat er met name bij traumagerelateerde asielzoekers veelal ten gevolge van het trauma sprake is van tegenstrijdigheid in hun verhaal. Aangezien er bij of tijdens de ondervraging door de IND geen sprake is van de aanwezigheid van een bevoegd arts, die de trauma-aanwezigheid zou kunnen vaststellen kan er ook in dezen wederom sprake zijn van een willekeurig genomen beslissing tav de asielaanvraag van betrokkenen.

4 Buitenproportionele verhouding tav de voor de IND en de juridische bijstand beschikbare tijd

Nog afgezien van de korte spanne tijds ter afweging van de afwijzing van het asielverzoek cq toelating tot de reguliere asielprocedure en de bij de IND-ambtenaren niet aanwezige medische kennis ter onderkenning van echte of vermeende traumata is er eveneens een grote discrepantie in de tijdsperiode voor de IND en de aan de asielzoeker toegewezen juridische bijstand.

Zoals reeds eerder opgemerkt is er sprake van een versnelde asielprocedure van 48 [werk] uren.

Hierbij staat de IND 43 uur ter beschikking om tot een beoordeling te komen en heeft de asielzoeker beschikking over juridische bijstand van slechts 5 uur. Een en ander brengt met zich mee, dat er geen tijd en gelegenheid is voor het opbouwen van een vertrouwensband tussen advocaat en cliënt, noch toepassing van de klassieke advocatentaken zoals uitleg over de procedure en inschatting over het verloop van de zaak.

Evenmin is er nauwelijks adequate tijd voor het doornemen door de advocaat van het veelal dikke door de IND ingediende afwijzingsdossier, waarbij in eveneens in de praktijk de betreffende asielzoeker vanwege de tijdsdruk onder twee verschillende advocaten ressorteert.

Evident is, dat in dezen geen sprake kan zijn van zorgvuldige rechtshulp, waartegen dan ook van de kant van rechtshulp-organen regelmatig is geprotesteerd. Er is zelfs sprake geweest van een door de VAJN [Vereniging van Asieladvocaten en Juristen Nederland] en het NJCM [Nederlandse

Juristencomité voor de Mensenrechten] aangespannen kort geding tegen de Nederlandse Staat dd 1999 teneinde de onrechtmatigheid van de AC-procedure vast te stellen, dat echter door de president van de rechtbank Hen-Haag niet-ontvankelijk werd verklaard [hetgeen betekent, dat de rechter zichzelf niet bevoegd acht tot een oordeel zonder inhoudelijke behandeling van de zaak].

5 Recht op basisvoorzieningen in afwachting van beroep tegen afwijzing

Volgens de Nederlandse asielwetgeving kunnen asielzoekers, die in de AC-procedure zijn afgewezen, evenals trouwens asielzoekers, die een tweede asielprocedure aanspannen op grond van nieuw bewijsmateriaal, tijdens hun beroep tegen de afwijzing geen aanspraak maken op de in Nederland geldende elementaire basisvoorzieningen, waardoor iedere inkomstenbon ontbreekt.

Nog afgezien van de evidente inhumaniteit in dezen is deze maatregel een flagrante schending van artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, dat uitdrukkelijk het recht van iedereen erkent op ”voldoende voedsel, kleding en adequate behuizing”.

Daarenboven heeft de Commissie voor Sociale, Economische en Culturele Rechten gesteld, dat hiervan geen enkele groepering dient te worden uitgesloten, waarbij zij daarenboven expliciet melding heeft gemaakt van het recht van asielzoekers. Eveneens heeft zij met klem geprotesteerd tegen discriminatie van asielzoekers bij het verkrijgen van een huis.

Dit recht op elementaire voorzieningen tijdens nog lopende procedures is eveneens verankerd in de de EU-richtlijn tot vaststelling minimumnormen voor de opvang van asielzoekers, artikelen 2 en 3 en als zodanig goedgekeurd door de Raad van Ministers dd 27-1-2003.

Uit bovenstaande blijkt mijns inziens afdoende, dat er met name vanwege het beleidskarakter van de veelal gehanteerde AC-procedure, die in een aantal opzichten op gespannen voet staat met het Internationaal Recht, in een niet onaanzienlijk aantal gevallen geen sprake kan zijn van een juiste en afgewogen beslissing door de IND, de hoofdverantwoordelijke voor de beoordeling van de asielprocedure.

Dienaangaande acht ik bovenstaande door de minister gegeven toelichting betreffende een goede afweging door de beleidsverantwoordelijken van een beslissing tot asiel zeer discutabel.

Deel III: Het internationaalrechtelijke karakter van de uitzettingsmaatregelen van minister Verdonk

Opvallend aan de beantwoording van bovenstaande vraag door de minister is verder, dat zij geen nader commentaar geeft op de suggestie, als zouden uitgezette asielzoekers het risico lopen in het herkomstland vermoord te worden. Dienaangaande is het van belang deze uitzettingsmaatregelen eens nader onder de internationaal-rechtelijke loep te nemen.

Zoals bekend besloot minister Verdonk, gebaseerd op haar in november 2003 uitgebrachte notitie ”Terugkeerbeleid”, in januari 2004 tot de uitzetting van 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers in een periode van drie jaar met een uitzondering voor 2300 asielzoekers, die om humanitaire redenen alsnog een verblijfsvergunning kregen toegewezen. Op 9 februari 2004 kreeg zij van een meerderheid in de Tweede Kamer steun voor haar maatregelen.

Nader onderzoek wijst echter uit, dat grote delen van de 26.000 reeds uitgezette of nog uit te zetten groepen mensen veelal worden uitgezet naar onveilige landen of gebieden, hetzij vanwege een oorlogssituatie, hetzij vanwege het ontbreken van een sterk centraal gezag. Met name is een en ander van toepassing op Afghanen, Tsjetsjenen, Liberianen, Somaliërs en mensen uit Ivoorkust.

Nog afgezien van de inhumaniteit in dezen is het uitzetten van groepen mensen naar onveilige gebieden alwaar hun leven cq veiligheid bedreigd kan worden, in strijd met het internationaal-rechtelijke verbod op refoulement, dat niet alleen betrekking heeft op eventuele vervolging van een individuele vluchteling op grond van ras, politieke en religieuze overtuiging of nationaliteit, maar eveneens op de collectieve uitzetting van groepen mensen naar onveilige gebieden.

Terecht heeft dan ook de toenmalige voorzitter van de Stichting VON, oud-minister Jan Pronk, de uitzettingen van minister Verdonk betiteld als ”deportaties” gezien het massale karakter ervan en het in vele gevallen voor de asielzoeker risicovolle karakter.

Categoriaal beleid, vertrekmoratoria en vestigingsalternatieven:

Ter voorkoming van de terugzending naar onveilige gebieden wordt door de Nederlandse regering het zogenaamde categoriaal beleid gevoerd, dat uitzetting naar een onveilig gebied verbiedt.

Eveneens is er sprake van de zogenaamde vertrekmoratoria, hetgeen een door het kabinet afgekondigde opschorting tot uitzetting inhoudt op grond van het onveilige karakter van het uit te zetten gebied.

Zo is er momenteel door het kabinet een vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Ivoorkust afgekondigd, dat geldig is tot 27-11-2005. Eveneens is er een vertrekmoratorium ingesteld tot 1 juli 2005 voor Somalische asielzoekers, die niet afkomstig zijn uit Somaliland, Puntland of Zuid Muduq.

Tenslotte kan er bij het asielbeleid eveneens sprake zijn van een erkenning door de minister, dat een bepaald land weliswaar onveilig is, maar dat er binnen het betreffende land ‘’vestigingstalternatieven” zijn in gebieden, die wel veilig zijn.Met name wordt een dergelijk beleid gevoerd tav Afghanistan, waar de hoofdstad Kaboel en omstreken als veilig worden gecategoriseerd.

Kanttekeningen:

Hoewel een en ander plausibel lijkt, dienen er tav bovenstaand beleid duidelijke kanttekeningen gemaakt te worden.

Betreffende Somalie:

In tegenstelling van het door het kabinet gesuggereerde is eveneens de situatie in Somaliland, Puntland en Zuid-Muduq te risicovol voor terugsturing van asielzoekers, zoals uit o.a. de UNCHR rapportage blijkt.

Betreffende Afghanistan:

Evenmin snijdt de zienswijze van de minister, dat er tav Afghanistan sprake is van een vestigingsalternatief, enig hout, aangezien o.a. uit het recente Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dd januari 2005 blijkt, dat terugkeer naar Kaboel, het aangemerkte ”vestigingsalternatief” grote sociaal-humanitaire problemen met zich meebrengt vanwege de grote overbevolking en de relatief hoge huurprijzen. Bovendien blijkt het Ambstbericht alsmede uit mensenrechtenrapportages, dat ook Kaboel een relatief onveilig gebied is vanwege het aldaar toegenomen geweld.

Betreffende uit te zetten TsTsjetsjenen:

Weliswaar erkent de minister, dat het uitzetten van Tsjetsjenen naar Tsjetsjenië vanwege de aldaar heersende slechte mensenrechtensituatie onacceptabel is, maar vervolgens heeft zij de Russische Federatie aangewezen als een relatief veilig vestigingsalternatief voor Tsjetsjenen. Niets is echter minder waar. In de eerste plaats is er sprake van een zeer slechte mensenrechtensituatie in de Russische Federatie in het algemeen. Ernstiger nog voor de uit te zetten Tsjetsjenen is echter de zowel in leidende Russische politieke kringen als onder de Russische bevolking heersende anti-Tsjetsjeense gevoelens, die nog in ernstige mate zijn toegenomen sinds de jongste gijzeling in Beslan. Het is derhalve evident, dat de Russische Federatie allerminst als een vestigingsaltrernatief kan worden aangemerkt.

Betreffende Liberia:

Het meest stuitend acht ik echter de door de minister gevolgde gedragslijn tav het uitzetten van asielzoekers naar Liberia. Hoewel de minister de onveiligheid en de humanitair onacceptabele situatie in Liberia ten volle erkent, worden desondanks de uitzettingen naar Liberia gecontinueerd. De achterliggende beleidsgedachte is in dezen het feit, dat eveneens andere Europese landen asielzoekers uitzetten naar Liberia. Met een dergelijke redenering houdt de minister niet alleen een impliciet pleidooi voor de flagrante schending van het refoulementverbod, eveneens vertrekt zij impliciet van het onacceptabele standpunt, dat schendingen van het Internationaal Recht zijn toegestaan, wanneer deze eveneens door anderen worden gepleegd. Terecht heeft dan ook de Raad van Kerken in een brief dd 14-10 er bij de minister op aangedrongen, voor Liberia een categoriaal beleid in te stellen.

Vanuit bovenstaande zijn niet alleen de door de minister uitgevoerde en nog uit te voeren uitzettingsmaatregelen in flagrante strijd met het Internationaal Recht, maar is er in de meeste gevallen geen sprake van de door de minister genoemde ” vrijwillig gemaakte keuze” van asielzoekers om door te procederen, maar veelal een bittere noodzaak.

Daarenboven dient niet uit het oog verloren te worden, dat nog los van de eventueel gevaarlijke situatie in het herkomstland, de meeste uit te zetten asielzoekers al langer dan tien jaar in Nederland verblijven, hier middels werk en schoolgaande kinderen geworteld zijn en veelal de dupe geworden zijn van langdurige asielprocedures. Daarenboven ontkent de minister het recht van de asielzoekers zoals trouwens van iedere Nederlandse burger, tegen een negatieve beslissing in beroep te gaan.

Hieraan gekoppeld stel ik, dat de beleidsmaatregel, waarbij mensen na afwijzing van hun eerste asielprocedure geen recht meer hebben op basisvoorzieningen, nog afgezien van de manifeste inhumaniteit in dezen, in strijd is met het Internationaal Recht, zoals uit reeds eerder door mij is toegelicht.

Hoewel de door de minister gemaakte opmerking, dat haar terugkeerbeleid leidt ”tot goede resultaten”, ergo naar het Rijk der Fabelen verwezen kan worden, wil ik de weerlegging hiervan toch graag toelichten met enkele opmerkingen uit de praktijk:

Het is volgens de mij beschikbare informatiebronnen, die grotendeels zijn gebaseerd op de bevindingen van mensenrechtenorganisaties, herhaaldelijke malen gebleken, dat door de Nederlandse autoriteiten uitgezette asielzoekers hetzij gearresteerd zijn in het land van herkomst, hetzij zijn uitgezet ondanks het voor hen geldende risico op vervolging.

Deel IV: Schendingen door de Nederlandse autoriteiten van het refoulementsverbod:

Arrestatie van asielzoekers na aankomst in land van herkomst:

Er is in een aantal gevallen sprake geweest van arrestatie na aankomst in het herkomstland van uitgezette asielzoekers, hetgeen is gerapporteerd door zowel internationale als lokale mensenrechtenorganisaties. Eveneens is er sprake geweest van het terugsturen van mensen, die in eigen land risico lopen, vervolgd te worden. Een voorbeeld is de Libische homoseksuele man de heer W. Elageibi, die dd 5-5 is teruggestuurd naar Libië ondanks de in Libië heersende gevangenisstraf voor homoseksualiteit van 3-5 jaar. Een ander voorbeeld is de dreigende uitzetting van een homoseksuele man naar Iran, ondanks de aldaar heersende doodstraf op homoseksualiteit.

Eveneens is het zorgwekkend, dat er volgens de ex-voorzitter van de Stichting VON, de heer Pronk, in een aantal gevallen van naar Somalië uitgezette asielzoekers ieder spoor is verdwenen.

Ik herinner er dienaangaande ten overvloede aan, dat Nederland als verdragspartij gehouden is aan de naleving van het refoulementsverbod, zoals neergelegd in artikel 33 van het VN-Vluchtelingenverdrag dd 1951, artikel 3 van Het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, alsmede de VN-Conventie tegen Marteling.

Een en ander verbiedt te allen tijde het terugzenden van mensen naar landen waar zij het risico op marteling lopen, ongeacht al dan niet gepleegde strafbare feiten.

Ook wil ik er in dit kader nadrukkelijk op wijzen, dat dit verbod op terugzending eveneens betrekking heeft op eventuele terreurverdachten naar risico-landen op het gebied van marteling.

Aanbevelenswaardig is dienaangaande het door mij in het bronnenmateriaal te vermelden rapport van Human Rights Watch ”Still at risk”

 

Conclusie:

Uit bovenstaande moge duidelijk zijn, dat de door minister Verdonk gedane uitlatingen betreffende de ”goede terugkeerresultaten”, de ”eigen keuze van de asielzoeker” ivm het doorprocederen, alsmede de door haar gewekte suggestie, dat de beoordeling door de IND procedureel juist zou zijn, niet steekhoudend zijn. Evenzeer is het opvallend, dat zij nergens refereert aan het feit, dat grote groepen asielzoekers teruggestuurd worden naar onveilige gebieden. Hieromtrent is zij terdege bekritiseerd door een aantal gerenommeerde mensenrechtenorganisaties zoals Human Rights Watch, alsmede betrokken hulp en religieuze organisaties zoals Vluchtelingenwerk en de Raad van Kerken. Ernstiger en zeer zorgwekkend acht ik echter de gevolgen van haar terugkeerbeleid voor deze teruggestuurde en terug te sturen asielzoekers.

Vanuit deze intentie heb ik dan ook dit commentaar op de uitlatingen van de minister geschreven.

Ik spreek dan ook de hoop uit, dat bovenstaande bescheiden relaas enigszins mag bijdragen tot extra informatiebron voor de bij de vluchtelingen en asielproblematiek betrokken organisaties en personen, alsmede politieke partijen cq organisaties

(Uitpers, nr. 66, 6de jg., juli-augustus 2005)

Bronmateriaal:

A Tav de AC-procedure

Kritiek NJCM [Nederlandse Juristen Comite voor de Mensenrechten] op AC-procedure

http://www.njcm.nl/upload/NJCM-AC-commentaar-2003.PDF

Rapportage Human Rights Watch dd april 2003 tav de AC-procedure

http://www.hrw.org/reports/2003/netherlands0403/

Persbericht Amnesty dd 27-2 2004 tav kritiek op de AC-procedure

http://www.amnesty.nl/persberichten/NK-PB0408.shtml

Kritiek van mr. F.W. Verbaas tav het Nederlandse asielbeleid in het algemeen en de AC-procedure in het bijzonder

http://www.groene.nl/2003/0327/fv_essay.html

B Tav het recht op basisvoorzieningen in afwachting van beroep tegen afwijzing

EU richtlijn tot vaststelling minimumnormen voor de opvang van asielzoekers dd 11-3-2004 [goedgekeurd door de Raad van Ministers dd 27-1 2003

http://www.fedasil.be/home/attachment/i/2524

C Tav de uitzettingsmaatregelen minister Verdonk:

Brief Human Rights Watch dd 13-2-2004 aan minister Verdonk

http://hrw.org/english/docs/2004/02/12/nether7360.htm

Perscommentaar Human Rights Watch tav uitzettingsmaatregelen minister Verdonk

http://hrw.org/english/docs/2004/02/12/nether7367.htm

 

D Tav categoriaal beleid, vertrekmoratoria en vestigingsalternatief:

Afghanistan:

Tav het humanitair onwenselijke karakter van de vestiging van asielzoekers in Kaboel

Zie ambtsbericht Afghanistan dd 22-2-2005

http://www.minbuza.nl/default.asp?CMS_TCP=tcpAsset&id=F2098787790046D09ADB30353CB8E9FBX1X60824X45

Liberia

Tav het nog niet ingestelde categoriaal beleid tav Liberia en het ondanks de erkenning van de onveilige situatie door de minister gebaseerde beleid op andere Europese landen: Zie de brief van de Raad van Kerken aan de minister dd 14-10-2004

http://www.kerkinactie.nl/oud/Downloads/brief%20verdonk%20landenbeleid.doc

Nepal en Tsjetsjenië:

Tav uit te zetten Nepalezen [in Nepal is eveneens sprake van een zeer onveilige situatie] en Tstetjenen: Amnesty artikel van T. Wijngaard [hoofd afdeling vluchtelingen Amnesty

International Nederland] tav het asielbeleid van minister Verdonk ”Een veilg stukje Nepal bestaat niet”

http://www.amnesty.nl/artikelen/ME-ART0094.shtml

Tav Tstjetjenie:

Amnesty brief aan minister Verdonk tav Tsjetsjenie

http://www.amnesty.nl/downloads/tsjetsjenie180405.pdf

E Tav de dreigende en reeds plaatsgevonden schending van het refoulementsverbod door de Nederlandse autoriteiten

Tav de door de ex-voorzitter van de Stichting VON, de oud-minister J. Pronk gemaakte opmerkingen betr de refoulementsrisico’s betr teruggestuurde Somalische asielzoekers:

http://www.vanhartepardon.nl/nieuws/mrt/15/

Tav de door Human Rights Watch gedane mededeling tav de arrestatie van een Somalische asielzoeker en de o.a. voor Somalische gevaarlijke terugkeersituatie

http://hrw.org/english/docs/2004/02/12/nether7360.htm

Ten aanzien van de uitgezette Libische homosexuele man

http://www.indymedia.nl/nl/2005/05/27893.shtml

Strafbaarstelling in Libie op homosexualiteit

http://www.ilga.info/Information/Legal_survey/africa/libya.htm

Ten aanzien van de terugzending van een Iraanse homosexuele man

http://www.indymedia.nl/nl/2005/06/28579.shtml

Strafbaarstelling in Iran op homosexualiteit:

http://www.ilga.info/Information/Legal_survey/middle%20east/iran.htm

Ambsbericht Iran dd februari 2005 waarin vermelding straf op homosexualiteit:

http://www.minbuza.nl/default.asp?CMS_TCP=tcpAsset&id=08181A1C25FB4505A659F7FBBEB94CA2X1X43996X2

F Europese schendingen van het refoulementsverbod tav het terugsturen van echte of vermeende terreurverdachten

Rapport Human Rights Watch tav schending van het refoulementsverbod tav het terugsturen van terreurverdachten naar risico-landen op het gebied van marteling, getiteld ”Still at risk”

Zie link

http://hrw.org/reports/2005/eca0405/

Visited 9 Times, 1 Visit today

Tags :