Kouchner of het failliet van de “humanitaire interventie”

Een half jaar voor het verstrijken van zijn tweede mandaat van een jaar aan het hoofd van de Missie van de Verenigde Naties in Kosovo (UNMIK) heeft de Fransman Bernard Kouchner de plaats geruimd voor de Deense ex-minister van Defensie Hans Haekkerup. Kouchner probeerde al eerder uit het wespennest Kosovo weg te geraken door vorig jaar te solliciteren voor de job van Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. Maar VN-secretaris-generaal Kofi Annan gaf de voorkeur aan de Nederlander Lubbers.

Waarom Kouchner weg wou is overduidelijk. Onder zijn bewind is geen enkel van de problemen van Kosovo opgelost. Kouchner mag dan wel lippendienst bewijzen aan de multi-etnische staat, in praktijk heeft hij niets gedaan om die te bevorderen. Integendeel zelfs. Zo verzuimde hij het al in zijn eerste toespraak de zowat 300.000 verdreven Serviërs, Roma, Turken en christelijke Albanezen zelfs maar te vermelden. Hij ging een alliantie aan met het Kosovaars Bevrijdingsfront (UCK), dat formeel moest worden ontwapend – iets wat niet gebeurde, zoals Kouchner zelf toegaf.

Meer nog, hij ging nauw samenwerken met van oorlogsmisdaden verdachte Albanezen zoals Agim Ceku. Deze laatste is een Bosnische Albanees die zich in 1995 in de Krajina schuldig maakte aan ethnische zuiveringen op grote schaal in samenwerking met het Kroatische leger. Ceku kon zonder enig probleem de chef worden van het Kosovaars Burgerkorps, in theorie een gedemilitariseerde burgerwacht die onder de UCK-leden werd gerekruteerd, in praktijk de gewapende voortzetting van het UCK.

Geen wonder dat Kosovo nog steeds wordt geteisterd door politiek geweld zoals moorden op Serviërs en Roma. Kouchner betreurde die wel formeel maar deed niets om ze te voorkomen, noch om de daders te laten arresteren. Terreur, wetteloosheid (zo eigende Ceku’s familie zich het Grand Hotel in Pristina toe) en corruptie hebben Kouchner’s bestuur gekarakteriseerd. Politie en gerecht functioneren niet, tenzij als het erop aan komt Serviërs het leven zuur te maken. Administratieve structuren bestaan er omzeggens niet.

Kouchner, een voormalig stichter van "Médecins sans Frontières" en minister van Humanitaire Zaken, heeft zich ontpopt als een partijdige pro-Albanese en anti-Servische bewindsman. Merkwaardig voor een man die zich opwierp als een pleitbezorger voor het recht van "humanitaire interventie" door de "internationale gemeenschap". Dat interventierecht past hij wel heel selectief toe: Albanezen verdrijven kan niet, Serviërs wel. In feite is er niets humanitairs aan Kouchner’s politiek.

Nieuwe missionaris

Het humanitaire is een voorwendsel om andere motieven te camoufleren. Het is iets dat menige niet-gouvernementele organisatie karakteriseert. Zo zijn er in België nogal wat die bv. de genocide van Hutu-extremisten in Rwanda hebben goedgepraat en die deze extremisten blijven steunen. Zoals de missionarissen destijds de voorlopers waren van de soldaten, zo zijn vele ngo’s de wegbereiders voor "vredestroepen". In de 19de eeuw was "beschaving" het voorwendsel voor tussenkomst, bezetting, uitbuiting en plundering van de rijkdommen, nu is het "humanitaire" bekommernis die wordt ingeroepen om staten op te blazen en economische en politiek op het "juiste pad" te zetten. Merkwaardig, want de landen die tussenkomen sluiten graag de ogen als het hen past: geweld van Israël tegen de Palestijnen, van Turkije tegen de Koerden, van Indonesië tegen de Oost-Timorezen, van Rusland tegen de Tsjetsjenen enz. kan of kon. Men levert er zelfs de wapens voor.

Toen Kouchner eind vorig jaar zijn ontslag aankondigde mocht hij heel wat lofbetuigingen in ontvangst nemen. Kofi Annan bracht hulde aan de Fransman "voor zijn leiderschap en het dynamisme met hetwelk hij deze bijzonder moeilijke missie leidde en voor zijn opmerkelijk succes gedurende anderhalf jaar". Het is een raadsel waarom Kofi Annan zulk een briljant man niet als hoge commissaris voor de vluchtelingen wilde. Ook de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, en een architect van het Amerikaanse Joegoslavië-beleid, Richard Holbrooke, meende dat Kouchner "een van de moeilijkste missies ter wereld op zich nam in juli 1999 en dat zijn buitengewoon succes in buitengewone omstandigheden niet alleen onze lof maar ook onze dankbaarheid verdient". Volgens Holbrooke incarneert Kouchner "het beste van de Verenigde Naties en zal hij erg betreurd worden".

Geen van beiden zegden welke successen werden geboekt door Kouchner. Er zijn er ook geen te zien op het terrein. Wel is duidelijk dat Kouchner in grote moeilijkheden zou zijn geraakt nu boeman Milosevic als Joegoslavisch president is opgevolgd door Kostunica en Servië internationaal weer respectabel is geworden en het moment aanbreekt om de toekomst van Kosovo te bespreken. Een toekomst waarover het Servië-zonder-Miloservic niet langer inspraak kan worden ontzegd, ook al omdat resolutie 1244 van de Veiligheidsraad, die een einde maakte aan de NAVO-oorlog om Kosovo, duidelijk stipuleert dat Kosovo een deel van Servië is. Dat zou Kouchner in moeilijkheden hebben gebracht met zijn Albanese vrienden. Waarschijnlijk daarom besloot hij zich terug te trekken en het vuile karwei aan iemand anders over te laten.

Presevo-dal

Het naderende overleg over de toekomst van Kosovo kan als reden gezien worden van de verhoogde guerrilla-activiteiten van het Bevrijdingsleger voor Presevo, Medveja en Bujanovac (UCPMB) in het zuiden van Servië. Een guerrilla die wordt gevoerd vanuit Kosovo en als doel heeft de dorpen met etnische Albanezen in het Presevo-dal aan te hechten bij Kosovo. KFOR, de Kosovo-strijdmacht van de Verenigde Naties – in feite een Navo-strijdmacht, geeft toe dat de manschappen in feite UCK-strijders zijn en met hun wapens uit Kosovo komen. Servië heeft daar al herhaaldelijk tegen geprotesteerd en gevraagd dat de veiligheidszone van vijf kilometer, waarin het geen troepen mag legeren, zou worden versmald. Een eis die door de Navo wordt afgewezen.

Volgens sommige bronnen krijgt het UCPMB af en toe artilleriesteun van de Amerikaanse KFOR-soldaten aan de Kosovaarse kant van de grens. Dat KFOR op zijn minst medeplichtig is door verzuim – door de strijders niet tegen te houden noch te ontwapenen – kan niet worden ontkend. Zo heeft KFOR ook steevast geweigerd de veiligheid van de Serviërs en andere minderheden in Kosovo te verzekeren, ook al heeft ze door resolutie 1244 die taak gekregen. "We zijn geen politiemannen", zeggen de Navo-troepen om hun gebrek aan optreden tegen het (ex-)UCK goed te praten. Kouchner heeft KFOR daaromtrent nooit terechtgewezen. Kouchner en de Navo zijn dus twee handen op één buik.

Het is duidelijk dat de Navo de nieuwe Joegoslavische president Kostunica, die totnogtoe in Navo-ogen al te veel blijken van onafhankelijkheid heeft gegeven, onder druk wil houden. De guerrilla in het Presevo-dal kan voorwendsels opleveren voor nieuwe gewapende acties tegen Servië om Belgrado tot de door de Navo gewenste "soepelheid" te brengen in de kwestie van de toekomst van Kosovo en in de problematiek van de "nieuwe Navo-orde" op de Balkan.

(Uitpers, februari 2001)

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 55 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook