Kosovo, provincie of protectoraat-staat

“Kosovo kan binnen de Joegoslavische Federatie geen republiek zijn, maar slechts een provincie. Want een republiek heeft het recht op afscheiding. Indien we Kosovo het statuut van republiek zouden verlenen, zou het zich afscheuren”. Dat was het antwoord dat ik in de jaren 1970 en 1980 in Joegoslavië steevast kreeg op mijn vraag waarom Kosovo slechts een provincie (van de republiek Servië) en geen republiek was: ze zouden zich vroeg of laat afscheuren.

Toen was het in Belgrado al duidelijk wat de meerderheid van de bevolking in dat gebied wou: weg uit Servië. Kosovo is nu in theorie nog altijd een provincie van Servië, in de praktijk is het een protectoraat van de Europese Unie, met de zegen van de “internationale gemeenschap”. Hoe het zover kon komen? Laten we even het geheugen opfrissen.

Kosovo verloor vorige maand met de dood van ‘president’ Ibrahim Rugova zijn zelfverklaarde “Gandhi”. Hij stierf net voordat er na veel getreuzel onder auspiciën van de Verenigde Naties gesprekken over het statuut van dit gebied zouden beginnen. Volgens een resolutie van de VN, en volgens alle volkenrechterlijke principes, is dit nog steeds een provincie van Servië, deelstaat van Servië en Montenegro. In de praktijk is de kans reëel dat het nog lang een Europees protectoraat met onzekere juridische status blijft.

Waarom kan men niet doodgewoon het democratisch beginsel van het zelfbeschikkingsrecht van een volk op Kosovo toepassen? Als de meerderheid van de huidige inwoners van Kosovo zou kunnen kiezen, wordt het gebied binnen de kortste keren een onafhankelijke staat, waarna snel over een mogelijke fusie met Albanië zou worden gesproken – als aanloop tot een “Groot-Albanië” (met het westen van Macedonië erbij). Maar nergens in de Balkan, en zeker niet hier, kan men zomaar abstractie maken van bijzonder actuele historische argumenten. Op de Balkan is men het al langer gewoon dat men elkaar om de oren slaat met geschiedenisboeken, in de kwestie Kosovo is dat niet anders. De buitenwereld kan er maar beter kennis van nemen, zeker als die buitenwereld zich actief met die kwestie gaat bemoeien.

Discriminatie

Na de Eerste Wereldoorlog had de koning van Servië de Kroatische en Sloveense leiders er kunnen toe bewegen samen een Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Sloven op te richten. Van andere volkeren, waaronder de Albanezen, was geen sprake. De Albanezen die er leefden, moesten zich maar neerleggen bij die Slavische dominantie, elk verzet werd zwaar onderdrukt.

Toen de koning er in 1929 het koninkrijk Joegoslavië van maakte, bevestigde hij gewoon de Servische hegemonie, ook tegenover Kroaten en Slovenen. Het leidde tot enorme spanningen en conflicten waaruit de communistische partizanen van Tito de conclusie trokken dat het land alleen kon voortbestaan als een echte federatie van deelstaten met zeer grote autonomie. Verscheidene maatregelen moesten elk streven naar hegemonie van de grootste bevolkingsgroep, de Serviërs, indijken. De grondwet van 1974 gaf bij voorbeeld meer autonomie aan de twee provincies in Joegoslavië, Vojvodina en Kosovo, beiden deel uitmakend van Servië. Voor de Servische nationalisten was die grondwet de zoveelste samenzwering tegen de Serviërs. Maar Kosovo bleef wel binnen de republiek Servië.

Tirana

Al waren de Albanezen in de jaren 1970 al de derde grootste bevolkingsgroep van Joegoslavië in zijn geheel, vooral verspreid over Kosovo, Macedonië en de kern van Servië, toch kregen ze geen eigen republiek. Want, luidde een ander argument, de Albanezen hebben al een eigen staat: Albanië.

De relaties tussen Joegoslavië en de staat Albanië waren vanaf 1948 erg gespannen, want de Albanese communisten hadden in het conflict tussen Stalin en Tito resoluut de kant van Stalin gekozen. Niet alleen uit ideologische overwegingen, ook uit vrees dat Belgrado Albanië als een soort protectoraat zou beschouwen. Tenslotte was Albanië de voorbije vijf eeuwen in de 20ste eeuw slechts heel kort even onafhankelijk geweest, de Albanese communisten beschouwden zich als de behoeders van de pas heroverde onafhankelijkheid.

Het conflict met Albanië speelde dus mee in de weigering van de Joegoslavische communisten om Kosovo het statuut van republiek te geven. Dat versterkte bij veel Albanezen in Joegoslavië natuurlijk het gevoel tweederangsburgers te zijn. In Belgrado waren de vuile en slecht betaalde jobs voor Albanezen, in Kosovo lag de werkloosheid beduidend hoger dan in de rest van de Federatie, de officiële solidariteit bleek in de praktijk dode letter, Kosovo kreeg weinig investeringen en veel van de goede jobs in Kosovo gingen naar Serviërs. Vooral Albanese studenten en intellectuelen vonden dat alleen een eigen republiek met dezelfde rechten als de zes bestaande republieken enige uitkomst kon bieden. Het leidde in 1968 tot grote protestdemonstraties, de spanning bleef toenemen in de loop van de jaren 1970 en in 1981 kwam er een grote uitbarsting waarbij in de hoofdstad Pristina tientallen doden vielen. Belgrado stak de schuld daarvoor mede op docenten uit Albanië die in het kader van de dooi tussen Tirana en Belgrado in Kosovo waren neergestreken.

Servisch ‘hartland’

Sindsdien werden de relaties tussen Serviërs en Albanezen steeds meer gespannen. Militante Albanese Kosovaren gingen Serviërs systematisch uit dorpen en stadswijken wegpesten en letterlijk uitroken om Kosovo homogeen Albanees te maken – een etnische zuivering, heet dat. De Albanezen vormden in de jaren 1970 al ongeveer 80 % van de bevolking. Zij hadden het hoogste geboortecijfer van Europa, wat hun aandeel in de bevolking nog deed toenemen. Met het wegpesten van Serviërs – in de jaren 1980 nog ongeveer 350.000 op een bevolking van 2 miljoen – ging dat percentage van Albanezen nog sneller stijgen.

Voor de Serviërs is Kosovo echter niet om het even welke regio. Dit is “historisch Servië” waar in 1389 op het Merelveld (Kosovo Polje) tegen de Turken werd gevochten (en verloren), de regio waar de grote historische kloosters van de Servisch-ortodoxe kerk zijn. Van zodra Servië zich in 1830 begon los te maken van het Turks-Ottomaanse Rijk, bouwden de Serviërs de mythe rond Kosovo zorgvuldig uit om hun aanspraken op dit gebied met historische argumenten kracht bij te zetten.

Dit is waar de ziel van het Servische volk klopt, zoals Servische nationalisten het uitdrukken. Voor hen is het grote aantal Albanezen in Kosovo een gevolg van de eeuwenlange Turkse bezetting én van de politiek van Tito. De Turkse heersers moedigden de Albanezen aan zich hier te vestigen, terwijl de Serviërs massaal werden verjaagd. Volgens Servische nationalisten moedigde Tito na 1945 etnische Albanezen op grote schaal aan zich in Kosovo te vestigen en werden de Albanezen pas in de tweede helft van de 20ste eeuw een meerderheid in Kosovo.

Kortom, voor veel Serviërs is de aanwezigheid van zoveel Albanezen in hun ‘hartland’ een gevolg van een bewust migratiebeleid onder Turken en Tito, en dus geen argument om het van Servië los te koppelen. Het is op het Merelveld dat de Servische nationalistische leider Slobodan Milosevic op 28 juni 1989 voor één miljoen Serviërs een vurig nationalistische toespraak hield die komaf maakte met de federalistische erfenis van Tito en het begin van de ontbinding van de Federatie inluidde.

Nu, die Federatie had al langer haar beste tijd gehad. Ondanks de principes van solidariteit en socialistisch zelfbeheer (de bedrijven in handen van degenen die er werken) waren de tegenstellingen binnen Joegoslavië steeds groter geworden. Door het ontbreken van een centrale planificatie was het zelfbeheer gedegenereerd tot economisch egoïsme, de rijke gebieden en ondernemingen werden er rijker door, de arme armer. De kloof werd steeds groter, vooral tussen de rijkere republieken Slovenië en Kroatië enerzijds, de arme gebieden als Macedonië en Kosovo anderzijds. De Federatie ging vooral ten onder aan dat “economisch egoïsme” dat de bureaucratieën van de rijkere regio’s handig uitbuitten.

Albanees nationalisme

De Albanees-Kosovaarse groeperingen steunen zich vooral op het demografisch argument, “wij vormen 90 procent van de bevolking”, om in naam van het democratisch recht op zelfbeschikking een onafhankelijk Kosovo te eisen. Ze hebben ook wel “historische” argumenten. In Kosovo staat de wieg van het Albanees nationalisme: in 1878 stichtten Albanese intellectuelen de “Liga van Prizren”, de eerste georganiseerde uiting van een vaag Albanees nationalisme dat slechts opkwam voor een bestuurlijke autonomie van de Albanese gebieden binnen het Ottomaanse Rijk.

In die periode, eind 19de eeuw, zijn er ook de eerste grote botsingen in eeuwen tussen Servische en Albanese inwoners van Kosovo. Vanaf dan bouwen beide kampen hun historische argumenten uit. Albanese nationalisten moeten toegeven dat de toponymie van Kosovo erg Servisch is, nagenoeg alle naamplaatsen zijn Slavisch. Maar zij wijten dat aan de “brutale kolonisatie” na de Slavische volksverhuizingen van de middeleeuwen ten overstaan van de “autochtonen”, de Illyriërs. Albanese nationalisten gaan verwoed (letterlijk) graven om te bewijzen dat zij de afstammelingen zijn van de Illyriërs en dus de oudste bewoners van de regio…

Apartheid

De Albanees-Kosovaarse nationalisten zitten echter niet allemaal op dezelfde lijn. Wijlen Ibrahim Rugova en de door hem gestichte LDK – Democratische Liga van Kosovo – benadrukten in de eerste plaats de eigen Albanees-Kosovaarse identiteit. Terwijl andere nationalisten, zeker bij het UCK (Kosovaars Bevrijdingsleger), de Groot-Albanese gedachte meer genegen zijn en geen graten zien in het “Algemeen Albanees” dat zijn origine in het zuiden van Albanië heeft (bij de Tosken, tegenover de Gegen van Noord-Albanië en Kosovo).

Dat idee van een “Groot-Albanië” is historisch wel zwaar beladen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schaarden veel Albanezen uit Kosovo zich achter het door Mussolini gepatroneerde “Groot-Albanië” en namen Albanese milities deel aan de slachting van Serviërs.

Dat lag dus nog allemaal in het geheugen toen de Servische leiders in 1989 de autonomie van Kosovo deden opdoeken. Milosevic en zijn nationalisten wilden het Servisch karakter van de provincie herstellen. Maar dat kon alleen met zware repressie en met maatregelen die de Albanees-Kosovaarse leiders als apartheid bestempelden. Tegenover dit apartheidsbewind organiseerde Rugova een parallelle samenleving bestaande uit een eigen onderwijsnet, betaald door de ouders, een eigen ziekenzorg, een eigen administratie, een eigen parlement. Vooral in dat onderwijs werden de eigen identiteit en de historische argumenten dik in de verf gezet, de tegenstellingen werden er natuurlijk nog veel scherper door.

Rugova en zijn LDK trachtten na de uiteenspatting van Joegoslavië en vooral tijdens de daaropvolgende oorlogen gehoor te vinden bij de “internationale gemeenschap”. Maar op de conferenties over ex-Joegoslavië bleven de deuren voor hen gesloten, ze kregen hoogstens wat respect voor hun vreedzame aanpak. Kosovo was toen de laatste van de bekommernissen van die conferentiegangers, ook al waren er zoveel tekenen aan de wand en ook al was er in de recente geschiedenis zoveel splijtstof opgestapeld.

De impasse waarin Rugova verzeild raakte, leidde tot frustraties die in de kaart speelden van groepen van stalinistische (tegelijk erg nationalistische) origine die gewapende strijd voorstonden en die in 1998 ook ontketenden. Dat bestond vooral uit aanvallen op de nog resterende Servische inwoners en de Servische politie. Washington bestempelde het UCK, een bundeling van diverse groeperingen warvan enkele betrokken bij diverse smokkelcircuits, in 1998 nog als een terroristische organisatie. Maar dé prioriteit werd meer en meer het isolement van Milosevic, het UCK werd op slag een bondgenoot tegen de gemeenschappelijke vijand.

De Servische reactie was in grote lijnen voorspelbaar, namelijk nog meer repressie, waardoor de NATO een voorwendsel had voor haar zware bombardementen op Servië en – na een zwaar propagandabombardement – haar militaire tussenkomst. Kosovo kwam in juni 1999 theoretisch als provincie van Servië onder VN-voogdij, in de praktijk onder voogdij van EU en NATO. Voor de meeste Albanese Kosovaren was de tussenkomst van de NATO een rechtstreekse steun aan hun eis voor onafhankelijkheid. Maar de VN-resolutie 1244 bevestigde dat Kosovo een Servische provincie bleef onder tijdelijk bestuur van de VN, maar met grote autonomie in het kader van de territoriale integriteit van de Joegoslavische Federatie – zoals Servië-Montenegro toen nog heette.

Fiasco

Die resolutie droeg de mislukking in zich. Het tijdelijk internationaal – westers- bestuur is beslist geen succes geworden.

Dat heeft veel te maken met de partijdigheid van dat bestuur. De voormalige bestuurder, de Franse politicus Bernard Kouchner (de rechterzijde van de rechterzijde van de sociaal-democratie) liet enkele benden die uit het UCK kwamen, vrij spel. De “internationale gemeenschap” deed weinig inspanningen om een elementaire voorwaarde voor zelfbeschikkingsrecht, namelijk de eerbiediging van de rechten van minderheden, te doen naleven. Hij keek toe hoe Serviërs, Roma, Turken en christelijke Albanezen werden verjaagd, hoe hun rechten als minderheden met de voeten werden getreden. De chef van het VN-bestuur, de Deen Soren Jessen-Petersen, deed na de dood van Rugova ongegeneerd een oproep tot “eenheid van de Albanese politieke leiders om het werk van Rugova voort te zetten”.

Het internationaal bestuur deed erg weinig pogingen om een samenleving te vestigen gebaseerd op verdraagzaamheid. In naam van respect voor de autonomie van de provincie werd niet geraakt aan schoolboeken die al de cliché’s voor het eigen gelijk debiteren, waardoor opnieuw een generatie opgroeide in de sfeer van het eigen grote gelijk.

Dat internationale bestuur bestond/bestaat uit duizenden hoge ambtenaren van wie velen in de eerste plaats aan de eigen carrière en de eigen profijten denken (er zijn verscheidene gevallen van corruptie bekend), en die zich weinig storen aan de grote corruptie in het ‘autonoom bestuur’.

Er is vooral de grote greep van de georganiseerde misdaadgroepen. Het UCK werd jaren geleden al in (westerse) militaire rapporten beschreven als een coalitie van maffiabenden, maar maffiosi zitten ook in de omgeving van wijlen Rugova. Kosovo is onder bescherming van de ‘internationale gemeenschap’(die ook bestaat uit Belgische militairen) een van de belangrijkste Europese draaischijven voor drugshandel, vrouwenhandel, mensensmokkel en wapentrafieken.

Er is intussen geen enkele ernstige poging gedaan om de institutionele knoop te ontwarren. Belgrado verwijst maar al te graag naar de VN-resolutie die bevestigt dat Kosovo deel uitmaakt van Servië, terwijl de Albanese groepen – ‘gematigd’ of ‘radicaal’ – alleen kunnen vrede nemen met totale onafhankelijkheid. De VN organiseerden wel ontmoetingen, maar daarbij overheerste de indruk dat de VN vooral een foto wilden waarop Albanese en Servische leiders elkaar de hand geven. En daarmee was de kous af.

Naar opbod

Rugova zelf heeft, als “gematigde”, geen enkele stap gezet in de richting van verzoening of zelfs maar grotere verdraagzaamheid. Misschien uit vrees (opnieuw) te worden beschuldigd van verraad. De tegenstellingen zijn ten top gedreven, klaar om elk ogenblik uit te barsten. Met de verdwijning van Rugova en de strijd om zijn plaats in te nemen, is het gevaar voor nationalistisch opbod zeer groot. Een van de topkandidaten is Ramush Haradinaj, gewezen commandant in het UCK en gewezen premier. Die is echter slechts in voorlopige vrijheid, hij moet in Den Haag terechtstaan op de beschuldiging van oorlogsmisdaden. Het is niet alleen bij de Bosnische Serviërs dat oorlogsmisdadigers populair zijn. Dat is ook zo in Kroatië (de op verdenking van oorlogsmisdaden aangehouden Gotovina is voor de Kroatische nationalisten een held) en in Kosovo.

Bij de Europese Unie leeft de overtuiging dat de problemen op termijn kunnen worden opgelost door integratie van de “westelijke Balkan” (het vroegere Joegoslavië en Albanië) in de EU. Die integratie zou vanzelf conflicten over territorium en soevereiniteit onbelangrijk maken, aldus de redenering. Maar het probleem stelt zich nu, met onverzoenlijke standpunten.

In principe kan men aan het recht op zelfbeschikking niet tornen. Daar moet op zijn minst de voorwaarde worden aan verbonden dat de rechten van de minderheden ten volle – naar Europese normen – worden gerespecteerd. Er zijn negatieve precedenten: die voorwaarde werd in 1992 bij voorbeeld niet gesteld bij de erkenning van Kroatië dat geen garanties bood aan zijn Servische minderheid, met een oorlog tot gevolg. Een onafhankelijk Kosovo ligt voor de hand, maar als de “internationale gemeenschap” toch nog iets nuttigs wil doen, is het wel stringente voorwaarden op te leggen gekoppeld aan mogelijke sancties. De voorbije jaren beloven op dat vlak echter weinig goeds.

En toetreding tot de EU? Dat is evenmin een garantie dat problemen worden opgelost, zoals ze bij de EU in Brussel beweren. Vaak blijven conflicten gewoon bevroren, zoals in de (gedeeltelijke) lidstaat Cyprus.

(Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006)

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :