Kofi Annans pirouette in het Saharazand

In Afrika ligt er nog steeds één dekolonisatiedossier op tafel: dat van de Westelijke Sahara. Bij de Verenigde Naties staat deze voormalige Spaanse kolonie aan de Atlantische kust – een woestijngebied dat zich uitstrekt tussen Marokko en Mauritanië – nog steeds op het lijstje van te dekoloniseren gebieden.

Drie opeenvolgende VN-leiders, Javier Perez de Cuellar (1981-1992), Boutros Boutros Ghali (1992-1997) en Kofi Annan zijn er telkens weer in geslaagd te zwichten voor de Marokkaanse obstructiepolitiek en de eigen VN-plannen te torpederen. In 1992 hadden de bewoners van de Westelijke Sahara zich bij referendum moeten kunnen uitspreken over hun onafhankelijkheid of over hun aansluiting bij het koninkrijk Marokko. Zo eenvoudig was het plan dat de Verenigde Naties – in samenwerking met de direct betrokken partijen, de buurlanden en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid – hadden uitgewerkt. Er was echter één probleem: Marokko bleef, ondanks zijn formeel akkoord met dit VN-plan, fervent gekant tegen een referendum. De Marokkaanse koninklijke familie kreeg daarbij de actieve steun van zijn voormalige koloniale voogd, Frankrijk. En de secretarissen-generaal van de Verenigde Naties hadden – om het voorzichtig uit te drukken – geen zin om hun nek uit te steken om de Westelijke Sahara te dekoloniseren.

De Peruaan Perez de Cuellar hield er destijds een zitje aan over in de Raad van Bestuur van de Omnium Nord-Africain, de holding van de Marokkaanse koninklijke familie, die samen met (voornamelijk) Franse multinationale bedrijven en captains of industry de Marokkaanse economie domineert. Perez de Cuellars opvolger, de Egyptenaar Boutros Boutros-Ghali, werd in de wandelgangen van de Verenigde Naties ‘de Fransman’ genoemd. Van 1992 tot 1997 zat Parijs in een uiterst comfortabele positie binnen de Verenigde Naties: Frankrijk was niet alleen één van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad, het had met VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali een extra stem in het kapittel. En dat zou snel duidelijk worden bij de dekolonisatie van de Westelijke Sahara. De opeenvolgende Franse presidenten – van ‘links’ en van ‘rechts’ – stonden sinds de bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko in 1975 pal achter het koninklijke paleis in Rabat. De Franse president Jacques Chirac is een persoonlijke vriend van de Marokkaanse koninklijke familie (1) en brengt zijn vakantie meestal op één van de koninklijke domeinen in Marokko door. Tijdens zijn allerlaatste officiële bezoek aan Rabat in de herfst van 2003 liet de Franse president het weliswaar na de Westelijke Sahara volgens het Marokkaanse vocabularium ‘de zuidelijke provincies’ te noemen, wat hij in 2001 nog wel had gedaan. “Frankrijk steunt Marokko in het dossier van de Westelijke Sahara en zal dat blijven doen,” zo verzekerde Chirac in een toespraak.

Sinds 1991 bestond er een staakt-het-vuren tussen de oorlogvoerende partijen in het conflict om de Westelijke Sahara: Marokko en de Saharaanse nationale bevrijdingsbeweging, het Polisariofront. Dat was voornamelijk het gevolg van de bemoeienissen van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid en de Verenigde Naties. Het staakt-het-vuren mondde uit in een VN-vredesplan. Sluitstuk van dit vredesplan was het voor februari 1992 voorziene referendum over zelfbeschikking, waarbij de inwoners van de Westelijke Sahara zich (onder toezicht van de MINURSO, de VN-vredesmissie in het gebied) zouden kunnen uitspreken over onafhankelijkheid of aansluiting bij het koninkrijk Marokko. Perez de Cuellar en Boutros-Ghali kozen echter resoluut de kant van Marokko, dat erin slaagde het referendum op de lange baan te schuiven.

 

Van het ene plan naar het andere…

Even leek er een kentering op komst toen de Ghanees Kofi Annan in 1997 aan het roer kwam van de Verenigde Naties. Washington had zich met klem verzet tegen een tweede ambtstermijn van ‘Monsieur France’, Boutros-Ghali. De enige troostprijs die Parijs in de wacht kon slepen na het vertrek van de Egyptenaar, was de benoeming van Bernard Miyet, die van 1997 tot 2000 na Kofi Annan de tweede man werd van de VN-administratie. Frankrijk en Rabat hadden met andere woorden nog steeds hun man binnen de VN om het Saharadossier met succes te blokkeren. Frankrijk en Marokko zouden ook onder Kofi Annan hun obstructiepolitiek kunnen voortzetten. In 1997 benoemde Kofi Annan weliswaar een zwaargewicht om het dossier van onder het woestijnzand te halen: de Texaan James Baker, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken onder VS-president Ronald Reagan, werd de bijzondere Saharagezant van de Verenigde Naties. Baker begon aan een diplomatieke processie van Echternach, waarbij van enige Texaanse doortastendheid geen spoor te bekennen viel.

In september 1997 slaagde James Baker er weliswaar in Marokko en het Polisariofront te dwingen de akkoorden van Houston te aanvaarden. Voor het Polisariofront waren deze akkoorden een ‘eerlijk compromis’. Het sluitstuk bleef immers de organisatie van een VN-referendum over zelfbeschikking, dat op 8 september 1998 zou worden georganiseerd. Rabat stemde met de akkoorden van Houston in, maar rekende op zijn bondgenoot Frankrijk om het VN-referendum te kelderen. En zo geschiedde. Na het verstrijken van de termijn van 18 september 1998 stelden James Baker en Kofi Annan ineens maar voor de volksraadpleging tenminste tot 2001 uit te stellen. En in 2001 werkte Baker een nieuw plan uit: er zou voor de Saharanen eerst een autonomieperiode van vijf jaar komen, alvorens er over een definitief statuut van de Westelijke Sahara zou worden beslist (al dan niet bij referendum).

Frankrijk applaudisseerde meteen voor zo veel goodwill van de Verenigde Naties. De Marokkaanse koning Mohammed VI werd zelfs lichtelijk overmoedig. In een interview met de Parijse krant Le Figaro verklaarde hij in september 2001: “Ik heb de Saharakwestie, die ons al vijfentwintig jaar vergiftigt, geregeld. Dit soort zaken wordt niet geregeld door op een piëdestal te kruipen en één communiqué per dag te publiceren. Om te bekomen dat de elf leden van de VN-Veiligheidsraad de legitimiteit van de Marokkaanse soevereiniteit over onze Sahara erkennen, hebben wij gedurende achttien maanden hard en in de striktste confidentialiteit gewerkt” (2).

Mohammed VI nam zijn wensen voor werkelijkheid. Hij had wel een punt: samen met Frankrijk bleef de Marokkaanse diplomatie de grootste discretie obstructie plegen tegen het VN-vredesplan en het plan Baker. Jaar na jaar en bij elke stemming over het Saharadossier in de Veiligheidsraad, bleek de VN-secretaris-generaal zich steeds meer te schikken naar de Marokkaanse onwil om een referendum te organiseren en het Sahara-vraagstuk een definitieve oplossing te geven. Maar nooit kreeg de Marokkaanse monarchie de instemming van de Veiligheidsraad om de Westelijke Sahara voor eens en altijd te koloniseren. Telkens opnieuw kreeg Rabat tegenwind. Ook het Polisariofront beschikt over een goed geoliede diplomatieke machine. Het heeft de steun van tientallen landen, die de Democratische Arabische Republiek van de Saharanen (DARS) hebben erkend. De DARS (de Saharaanse regering in ballingschap) is volwaardig lid van de Afrikaanse Unie (de opvolger van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid). Het Polisariofront verwerpt elke oplossing die niet gebaseerd is op het Saharaanse zelfbeschikkingsrecht en op de organisatie van een vrij en democratisch referendum onder VN-controle. Autonomie onder Marokkaans bestuur en onder Marokkaanse militaire bezetting is voor de leiders en de aanhangers van het Polisariofront onaanvaardbaar. Buurland Algerije blijft een bondgenoot van het Polisariofront en is nog steeds niet van plan de Marokkaanse bezetting en kolonisatie van de Westelijke Sahara als een voldongen feit te aanvaarden.

Baker out, Van Walsum in

In de zomer van 2005 besliste de bijzondere VN-gezant, James Baker, de handdoek definitief in de ring te werpen. Kofi Annan deed een beroep op de gepensioneerde Nederlandse diplomaat Peter Van Walsum om Baker op te volgen. De 72-jarige Van Walsum heeft er een lange diplomatencarrière opzitten. Hij was onder meer de permanente vertegenwoordiger van onze noorderburen bij de Verenigde Naties en was ook een tijdlang voorzitter van het VN-sanctiecomité tegen het Irak van Saddam Hoessein. Van oktober 2005 tot februari 2006 ging Van Walsum op tournee om de gestrande missie van James Baker weer vlot te trekken. Hij voerde besprekingen met de direct betrokken partijen, Marokko en het Polisariofront. Hij bezocht de buurlanden Algerije en Mauritanië, beraadslaagde op de hoofdzetel van de Afrikaanse Unie in Ethiopië en polste Parijs, Madrid en Washington. De gepensioneerde diplomaat schreef zijn bevindingen neer in een flinterdun rapportje van net geen dertien pagina’s, dat op 19 april jongstleden door Kofi Annan aan de VN-Veiligheidsraad werd voorgesteld.

Wat de tandem Van Walsum-Annan heeft uitgewerkt is ronduit beschamend en kan alleen maar de indruk versterken dat de Verenigde Naties geen rol van betekenis meer te spelen hebben – tenzij aan de leiband lopen van de grootmachten en vrome intentieverklaringen afleggen over het ‘respect voor het internationaal recht’.

Het rapport Van Walsum-Annan trapt meteen een open deur in door te herinneren “aan het consultatief advies van het Internationaal Gerechtshof van 16 oktober 1975, waarin stond dat er geen enkele reden bestaat om de regels inzake dekolonisatie en zelfbeschikking, zoals die bepaald werden door resolutie 1514 (XV) van de VN-Veiligheidsraad, niet toe te passen in de Westelijke Sahara” (3). “Mijn persoonlijke gezant merkt in deze context op dat dit consultatief advies al meer dan dertig jaar geleden werd geformuleerd en dat de resolutie nog steeds niet is toegepast. Het gaat hier om een ongewoon lange periode en mijn persoonlijke gezant noteert dat een oplossing voor het probleem van de Westelijke Sahara slechts kan gevonden worden als de betrokken partijen tot een compromis komen dat voor beide aanvaardbaar is en gebaseerd is op de pertinente principes van het internationaal recht en op de huidige politieke realiteit.”

‘Realpolitik’

De politieke realiteit in de te dekoloniseren Westelijke Sahara wordt al meer dan dertig jaar bepaald door het koninklijk paleis in Rabat dat op machtige bondgenoten kan rekenen. Het rapport Van Walsum-Annan roept dan ook op deze realiteit te erkennen. “Wat ondenkbaar was in het kader van een plan dat door de Veiligheidsraad wordt gesteund en goedgekeurd, kan wel worden overwogen in het kader van directe onderhandelingen,” zo staat er. “Eens de Veiligheidsraad de politieke realiteit zal erkennen volgens dewelke niemand Marokko zal verplichten af te zien van zijn soevereiniteitseisen over de Westelijke Sahara, zal blijken dat er slechts twee opties bestaan: de verlenging voor onbepaalde duur van de huidige impasse met vooruitzicht op een veranderende politieke realiteit of directe onderhandelingen tussen de betrokken partijen.” Van op de tribune van de Veiligheidsraad kondigde Kofi Annan aan dat zijn persoonlijke gezant “de eerste optie verwerpt”. “Wat dus overblijft zijn directe onderhandelingen, die plaats moeten vinden zonder enige voorafgaande voorwaarde. Het doel hiervan zal door geen enkel ‘plan’ kunnen worden gerealiseerd, namelijk een compromis tussen de internationale legaliteit en de politieke realiteit.”

Kofi Annan en zijn bijzondere gezant Peter Van Walsum riepen de VN-Veiligheidsraad met andere woorden op om uit te gaan van “de Marokkaanse realiteit”. En die is eenvoudig: een referendum over het zelfbeschikkingsrecht en de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara komt er niet, van dekolonisatie kan geen sprake zijn, hooguit van een beperkte vorm van autonomie onder Marokkaans koloniaal bestuur.

Op 28 april 2006 werden Annan en Van Walsum evenwel teruggefloten door de VN-Veiligheidsraad. Een erkenning van de Marokkaanse soevereiniteitseisen over de Westelijke Sahara of een goedkeuring van de Marokkaanse autonomieplannen voor het gebied kwam er niet. Waarmee het hoogste orgaan van de Verenigde Naties de impasse eens te meer bevestigt. Het mandaat van de MINURSO (de VN-missie in de Westelijke Sahara) wordt voorlopig verlengd. De kostprijs van de VN-aanwezigheid in de Westelijke Sahara (231 militairen en 6 politieagenten) neemt onvoorstelbare proporties aan: vier miljoen dollar jaarlijks. Voor de Saharanen verandert er niets. De meerderheid van de Saharaanse bevolking blijft voorlopig gedoemd om op betere tijden te wachten in haar vluchtelingenkampen in de Algerijnse Sahara. Hun landgenoten die onder Marokkaanse militaire bezetting en koloniaal bestuur leven, blijven moedig verzet bieden. Het voorbije jaar is er nauwelijks één dag voorbijgegaan zonder demonstraties voor de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara. De Marokkaanse autoriteiten reageren met repressie, arrestaties, processen en zware gevangenisstraffen. Mohammed Abdelazziz, de voorzitter van het Polisariofront en president van de Democratische Arabische Republiek van de Saharanen, heeft de voorbije maanden Kofi Annan herhaaldelijk opgeroepen om de burgerbevolking in de Westelijke Sahara te beschermen. Tevergeefs. De MINURSO mag dan al een geldverslindende machine zijn, efficiënt is ze allesbehalve. Daarvoor beschikt de VN-missie over onvoldoende manschappen. Bovendien beslissen de Marokkaanse autoriteiten nog steeds zelf wanneer de MINURSO-agenten hun hotels en posten mogen verlaten en waar ze mogen gaan en staan.

Niet alleen de VN-secretaris-generaal maakt een pirouette in het Saharazand. Ook de Europese Unie neemt het niet al te nauw met het internationaal recht. Op 23 mei 2006 ratificeerde de Europese Unie (onder druk van Parijs en Madrid) het nieuwe visserijakkoord met Marokko, waardoor de Europeanen (voornamelijk de Spanjaarden) ongehinderd de visrijke territoriale wateren van de Westelijke Sahara mogen plunderen. Grondstoffen en natuurlijke rijkdommen wegslepen uit militair bezet gebied is in strijd met de Conventies van Genève, een van de belangrijke hoekstenen van het internationaal recht. En daarin kunnen de VN en de EU zich schijnbaar vinden: aan het internationaal recht moet hooguit lippendienst bewezen worden. Ook dat maakt deel uit van het “compromis tussen internationale legaliteit en politieke realiteit”.

(Uitpers, nr. 76, 7de jg, juni 2006)

Noten:

(1) Zie hierover het uitstekende boek van Le Monde-journalist, Jean-Pierre Tuquoi: ‘Majesté, je dois beaucoup à votre père… France-Maroc, une affaire de famille’, Albin Michel Parijs, 2006. (Zie : Uitpers, nummer 75, mei 2006)

(2) Geciteerd door Jean-Pierre Tuquoi, blz. 97-98.

(3) Conseil de Sécurité, Rapport du Secrétaire général sur la situation concernant le Sahara occidental, S/2006/249, 19 april 2006.

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 59 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook