Kinshasa maakt zich op voor de pandemie

In de Democratische Republiek Congo, ontbreekt het de autoriteiten aan de middelen, de capaciteit en zelfs het vertrouwen van het publiek om doeltreffend te kunnen reageren op COVID-19.
Kinshasa, de hoofdstad van de Democratische Republiek Congo (DRC), kondigde het eerste geregistreerde geval van COVID-19 aan op 8 maart. Sindsdien was de reactie op de mondiale pandemie verward, verdeeld en sceptisch. Een bijzonder vocale scepticus was Nelemba Lemba, een Congolees parlementslid en eigenaar van een radiostation. Lemba beweerde dat de politieke elites paniek hadden gezaaid over het virus om fondsen te kunnen aantrekken van internationale donoren en om publiek geld te stelen. Deze bewering vond gehoor bij het publiek. Sussende theorieën over COVID-19 – dat het geen zware ziekte betreft of een ziekte is van de “mundele” (een inheemse raciale aanduiding voor blanke mensen, die vaak ook Zuid-Aziaten en Chinezen omvat), of dat het virus niet houdt van warm weer- blijven populair in de hoofdstad.
Een van de redenen voor de ontvankelijkheid van de Congolezen voor dergelijke beweringen, is de wantrouwige houding van de bevolking tegenover autoriteit – een attitude die tot stand kwam door bittere ervaring. De afgelopen twee decennia bemachtigden multinationale ondernemingen een hele reeks aan nationale activa ter waarde van miljarden dollars voor een fractie daarvan, terwijl belangrijke politieke families economische netwerken van ongelofelijke omvang overzien. De huidige Congolese president, Félix Tshisekedi (gekend als ‘Fatshi’), “won” de verkiezing van 2018 in zeer dubieuze omstandigheden. Lekken vanuit de electorale commissie zelf en rapporten van onafhankelijke observatoren, lijken aan te tonen dat hij eigenlijk tweede werd.

Test case

Een lange geschiedenis van gedwongen invoeging in het wereldsysteem, waarbij de meest meedogenloze tendensen van het huidig mondiaal kapitalisme vrij spel kregen, heeft van dit cultureel levendige, mineraalrijke land, een van de armste en meest gewelddadige plaatsen op aarde gemaakt. Na de onafhankelijkheid in 1960, werd de eerste democratisch verkozen president van het land, Patrice Lumumba, het slachtoffer van een staatsgreep beraamd door de CIA. De leider van de staatsgreep, Mobutu Sese Seko, was drie verschrikkelijke decennia aan de macht met grote steun van de VS. In 1997 werd Mobutu van de macht verdreven, maar het land geraakte toen verwikkeld in een moorddadige regionale oorlog. De bloedstollende vormen van rijkdom-accumulatie die kenmerkend waren voor de heerschappij van Mobutu, werden voorgezet. Hoewel de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) voor een groot deel van de periode na 2002 aanzienlijk was, blijft de situatie, behalve voor een kleine elite, wanhopig voor de meeste Congolezen. In het gefinancialiseerde 21ste eeuwse kapitalisme van belastingparadijzen en aasgierfondsen, zijn de grote geldstromen die afgeleid worden naar het Noorden zelfs toegenomen sinds het vertrek van Mobutu.

De geldstromen naar het buitenland hebben de economie en de gezondheidsinfrastructuur van de DRC in erbarmelijke staat achtergelaten.

De geldstromen naar het buitenland hebben de economie en de gezondheidsinfrastructuur van de DRC in erbarmelijke staat achtergelaten. Naast COVID-19, woeden vandaag twee epidemieën in het land: een aanhoudende uitbraak van de mazelen die tegen het begin van 2020 al 6000 mensen het leven kostte, en in het oosten een Ebola-crisis – de tweede grootste in de geschiedenis- die nog niet voorbij is, hoewel ze al aanzienlijk is afgenomen.
Deze uitbraken hebben een soort wisselwerking met de zware last van de endemische ziektes die er heersen. In een regio waar malaria elk jaar een zware tol eist van de bevolking, heerst er een sterke neiging om de initiële symptomen, zoals koorts en misselijkheid, te verwarren met die van ziektes als Ebola of COVID-19. Mensen die denken dat ze malaria hebben durven niet naar medische centra te gaan uit schrik om Ebola op te doen. Hetzelfde mechanisme zorgt er voor dat patiënten die besmet zijn met corona zich te laat of helemaal niet melden.
Het gewelddadige karakter van het politieke gezag heeft ook het vertrouwen in volksgezondheidsinterventies geschonden, ongeacht of die geïnitieerd worden door Congolese politici of door internationale agentschappen. Zo heeft een wijdverspreid (en bij uitstek rationeel) wantrouwen voor de lokale autoriteiten hun pogingen om de meest recente Ebola-uitbraak te bestrijden, sterk belemmerd.
De maffia-achtige ondernemersklasse in de steden Beni en Butembo, waar het epicentrum van de uitbraak lag, is in dit opzicht bijzonder schuldig. Kinshasa is gespaard gebleven van het ergste van de sociale catastrofe, waarvan de volle kracht het meest voelbaar was in de regio’s van het land. Maar de hoofdstad blijft enorm groot en zeer arm. Met een bevolking van misschien 13 miljoen -er werd geen officiële volkstelling meer uitgevoerd in de DRC sinds 1984- is Kinshasa ongetwijfeld de armste megastad ter wereld. De reactie van de stad op deze wereldwijde crisis, kan ook enkele aanwijzingen geven over de manieren waarop een groot deel van de mensheid COVID-19 zal aanpakken in een wereld waar rampzalige armoede en ongelijkheid alomtegenwoordig zijn.

Maatregelen

Gekibbel over de status van het virus heeft actie van de overheid verschillende weken vertraagd, maar op 18 maart gaf Fatshi een toespraak waarin hij een gezondheidsnoodsituatie uitriep. Hij sloot de grenzen en verbood sociale samenkomsten. Onder meer kerken, scholen, bars, winkels die ‘niet-essentiële’ goederen verkopen, bepaalde ondernemingen, enz, moesten sluiten. De regering verbood ook alle sociale evenementen die meer dan 20 mensen zouden samenbrengen, met name ‘matanga’ – begrafeniswaken die bijgewoond kunnen worden door honderden mensen die soms wekenlang de hele nacht door jammeren, drinken en dansen. Fatshi kondigde ook aan dat er snel een volledige lockdown zou opgelegd worden in Kinshasa.
Deze maatregelen zijn sinds 19 maart van kracht en hebben een gespannen sfeer gecreëerd in de hoofdstad. Velen argumenteren dat honger meer mensen zal doden dan het virus. Terwijl de straten leger zijn dan normaal, blijft men pogen om handel te drijven, zeker in de meer afgelegen districten. De wet is hier vatbaar voor onderhandelingen. De politie en de veiligheidsdiensten -zelf vaak zeer slecht betaald- nemen omkoopsommen of ‘madesu ya bana’ (letterlijk: bonen voor de kinderen) aan van uitbaters van bars en handelaars in ruil voor de toestemming om open te blijven.

Arbeidssurplus

Veel inwoners van Kinshasa ervaren een bepaald soort armoede. Ze zijn geen consistente loonarbeiders, noch zelfvoorzienende boeren. Ze lijken op wat Marx ooit de “relatieve overtollige bevolking” noemde – waarbij overtollig niet in Malthusiaanse of ecologische termen bedoeld wordt, maar in de manier waarop het kapitaal deze mensen consequent uitbuit voor winst. Als ze betaald worden -bijvoorbeeld voor het aanleggen van wegen of de constructie van gebouwen- is dat meestal als dagloner. Dit soort van werk is onzeker en periodiek. Anderen worden betaald in stuktarieven, bijvoorbeeld voor het vullen van zakken of breken van stenen. In alle gevallen is de prijs van arbeid bedroevend laag. Het is normaal om kinderen en oude vrouwen te zien die met de hand grind maken, door met ijzeren staven grote stenen in alsmaar kleinere stukken te kloppen, voor bouwwerven.
Anderen zijn afhankelijk van het geld dat ze verdienen als straatverkopers. Ze kopen producten aan in depots en leggen kilometers af om ze op straat door te verhandelen. Ze verkopen alles, van baguettes, nootjes en sigaretten tot zelf gebrouwen alcohol en goedkope benzine. Een bepaalde vorm van goedkope alcohol, gekend als ‘supu na tolo’ (borstsaus), wordt gemaakt in een fabriek die gelinkt wordt aan een prominente politicus en wordt verkocht op stopplaatsen voor vrachtwagens. Andere vaak voorkomende activiteiten om in het levensonderhoud te voorzien zijn het aanbieden van ritten op goedkope Chinese bromfietsen of in gammele tweedehandsauto’s opgekocht door tussenpersonen in Dubai, en het heen en weer brengen van materiaal in duwkarren.

Zoals gebeurt in veel steden van een gelijkaardig economisch niveau, combineert Kinshasa een apocalyptische armoede met een speculatieve vastgoedboom.

Hoewel de hoofdstad verre van zelfvoorzienend is wat voedsel betreft, werken zeer veel stedelijke armen in de kleinschalige landbouw. Dit zijn geen stedelijke boeren. De ‘maman bilanga’ (tuinmoeders) die de leegstaande ruimtes in de stad cultiveren, zijn eerder hyper-kwetsbare markttuiniers dan zelfvoorzienende landbouwers. Ze verhandelen een groot deel van hun oogst binnen de stad in ruil voor andere benodigdheden. Ze zijn zeer kwetsbaar omdat de gronden waarop ze kweken voortdurend bedreigd worden door gewetenloze vastgoedspeculanten die linken hebben met de politieke klasse. Zoals gebeurt in veel steden van een gelijkaardig economisch niveau, combineert Kinshasa een apocalyptische armoede met een speculatieve vastgoedboom, waardoor kleine huisjes in het stadscentrum voor meer dan een miljoen dollar verkocht kunnen worden. De regelmatig werkloze bevolkingsgroepen in dergelijke steden lijken eerder te groeien dan te krimpen. De econoom Dani Rodrik stelt een steeds vaker voorkomend patroon van ‘voortijdige de-industrialisering’ vast, waarbij landen met een laag BBP zelfs in een context van economische groei jobs verliezen – vooral het soort jobs in de productie-industrie die van oudsher geassocieerd worden met een breed gedragen ontwikkeling.

Politie en dieven

De arme meerderheid had het moeilijk maar hield zich grotendeels aan de oorspronkelijke corona-dictaten van de regering. Een aantal daaropvolgende beslissingen lokten echter openlijk verzet uit. Op 24 maart kondigde de regering maatregelen aan om de provincie Kinshasa te isoleren van de rest van het land. De hoofdstad in en uit gaan werd verboden. Deze beslissing versterkte een gevoel van onbehagen omdat Kinshasa afhankelijk is van een dagelijkse instroom van voedsel van kwekers in de naburige provincies Bandundu en Bas-Congo. In Bas-Congo liggen ook alle zeehavens van de DCR. Kinshasa is zwaar afhankelijk van geïmporteerde voorraden, vooral van tarwe en rijst.
Er verschenen alsmaar meer berichten dat voertuigen die voedsel en andere essentiële goederen transporteerden, tegengehouden werden aan de provinciegrens. De autoriteiten werden vrij snel geconfronteerd met de dwaasheid van het belemmeren van de voedselimport en ze pasten hun oorspronkelijk beslissing aan. Chauffeurs die provisies vervoerden, kregen de toestemming om de stad binnen te gaan, maar niet met passagiers. Dit zorgde opnieuw voor problemen want de scheidingslijn tussen ‘passagiers’ en ‘vracht’ is in dit deel van de wereld niet altijd duidelijk. Chauffeurs van bestelwagens die maniok vervoeren, vullen hun inkomen bijvoorbeeld aan door af en toe passagiers mee te nemen, terwijl de passagiers vanuit de provincies hun reis subsidiëren door kilo’s bakbananen mee te sleuren om te verkopen of te verdelen in de hoofdstad.
Al gauw berichtten de media over politiemannen die smeergeld aannamen om passagiers in en uit Kinshasa te laten. De wanorde vertraagde de instroom van voedsel in de hoofdstad, en de prijs van de goederen is gestegen. Het is moeilijk te zeggen of dit laatste het resultaat is van het decreet van 24 maart dat de invoer vermindert of van een bredere onrust. Het gerucht gaat dat handelaars die politieke connecties hebben volop voorraden aan het hamsteren zijn om later, wanneer de prijzen pieken, op de markt te brengen.

Herroepen lockdown

Op 26 maart kondigde de gouverneur van Kinshasa, Gentiny Ngobila, zijn eigen reeks maatregelen aan. Ngobila stelde afwisselende periodes van lockdown en circulatie voor, waarbij de bevolking vier dagen zou binnenblijven, dan twee dagen vrij zou zijn om buiten te komen, enzoverder. Dit zou ingevoerd worden op 30 maart, maar slechts een paar minuten na de aankondiging van de gouverneur stegen de prijzen en ontstonden er lange rijen aan banken en supermarkten. In Tshangu, een uitgestrekt gebied met veel krottenwijken in het oosten van de stad, waar de lockdown voor een hongersnood dreigde te zorgen, deed de ronde dat er vanaf 30 maart geplunderd zou worden. Dit was geen loze dreiging. Periodieke grootschalige plunderingen door de armen van Kinshasa, zeker de ‘bana Tsangu’ (letterlijk: kinderen van Tshangu), hebben belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de stad gemarkeerd. Congo’s onafhankelijkheid kwam er nadat voetbalsupporters wiens team net verloren had, het aan de stok kregen met de koloniale politie die aan het proberen was om een verboden onafhankelijkheidsbetoging uit elkaar te drijven. In de rellen die volgden, smolt de atmosfeer van onverbiddelijke heerschappij die decennia gecultiveerd werd door de Belgische kolonisatoren, weg als sneeuw voor de zon op enkele dagen tijd. In het begin van de jaren 1990 luidden plunderingen doorheen de hele stad ook het einde in van het Mobutu-regime.
Een paar jaar geleden leidden de pogingen van president Joseph Kabila om zijn ambtstermijn te verlengen tot herhaaldelijke rellen, inclusief plunderingen in de districten van de regerende klasse. In deze dreigende atmosfeer trok de gouverneur zijn beslissing in op 29 maart en werd de lockdown in het grootste deel van de stad uitgesteld.

l’Hiérarchie, c’est moi!

Zoals de zaken ervoor staan, is het enige gebied waar de mensen binnenshuis blijven, het centraal gelegen La Gombe – een gemeente die overlapt met de voormalige koloniale ‘ville blanche’ (blanke stad), en net zoals toen, het rijkste deel van de hoofdstad. In een echo van de koloniale stad, mag slechts een select aantal mensen met een speciaal pasje de roadblocks passeren en de binnenstad betreden. Dit heeft geleid tot een aantal ruzies over wie binnen mag en wie niet. De meest prominente aanvaring kwam er tussen gouverneur Ngobila en politie-generaal Sylvano Kasongo. De ruzie werd gefilmd en bereikte een breed publiek. In de clip is te zien hoe Ngobila uit een auto in zijn konvooi stapt en vraagt aan Kasongo waarom ze opgehouden worden. Kasongo antwoordt dat hij alleen uitvoert wat “de hiërarchie” hem heeft opgedragen. In een reactie die de DRC’s regerende klasse typeert, repliceert Ngobila: “Wie is de hiërarchie? De hiërarchie, dat ben ik!”.

Het aantal geïdentificeerde corona-gevallen weerspiegelt veeleer waar de meeste tests worden uitgevoerd, niet waar het virus feitelijk het meest aanwezig is.

De keuze om La Gombe te isoleren werd schijnbaar genomen omdat er meer corona-gevallen werden vastgesteld. Het lijkt inderdaad plausibel dat het virus via deze plaats het land kon binnenkomen, vermits de buitenlandse hulpverleners en de rijke, bereisde elites er leven en werken. Maar ondertussen weerspiegelt het aantal geïdentificeerde gevallen veeleer waar de meeste tests worden uitgevoerd, niet waar het virus feitelijk het meest aanwezig is. Wat de realiteit ook is, de afsluiting van La Gombe, heeft de algemene opvatting van de Kinois (de inwoners van Kinshasa) versterkt dat COVID-19 alleen blanke en rijke mensen treft. Het leidde er ook toe dat sommige bewoners van La Gombe hun luxe-appartementen ontvluchtten om naar “veiligere” delen van de stad te trekken, wat met enige hilariteit onthaald werd in de rest van Kinshasa.

Responsteam

De regering riep een coronavirus responsteam in het leven (‘l’equipe de risposte contre le coronavirus’) bestaande uit bekwame experten en geleid door de viroloog professor Jean-Jacques Muyembe, die eerder de reactie op de Ebola-uitbraak in het oosten van het land dirigeerde. Maar ondanks het feit dat het land op een tragedie kan afstevenen, zijn er ook hier, in ware Kinois-stijl, een aantal belachelijke conflicten uitgebroken.
Eerst waren er een reeks klachten over de samenstelling van het responsteam, dat gevormd werd door professor Muyembe en bestaat uit biologen, epidemiologen, apothekers en artsen. Verschillende politici argumenteerden dat er meer politici in het team opgenomen moeten worden. De popster But Na Fillet -auteur van een van de betere liedjes die munt proberen te slaan uit het coronavirus- signaleerde dan weer dat er een dringende behoefte is aan meer muzikanten in het responsteam. Dit soort van drang om “binnen te geraken” of betrokken te worden bij allerlei nationale bijeenkomsten was een opvallend fenomeen de afgelopen decennia. Allerlei voordien onbekende rebellengroepen, bezorgde ‘middenveld’-organisaties en ‘opinieleiders’ kwamen uit de lucht gevallen en eisten een plaats aan de tafel. Ze zijn voornamelijk geïnteresseerd -of dat wordt toch aangenomen door het brede publiek- in de dagvergoedingen die dergelijke evenementen aan de deelnemers toekennen.

De frequente media-optredens van professor Muyembe verlopen niet vlekkeloos.

De frequente media-optredens van professor Muyembe verlopen niet vlekkeloos. Muyembe was nauw betrokken bij het gebruik van een experimenteel vaccin in de strijd tegen Ebola, en hij kondigde aan dat de DRC “uitgekozen” werd als locatie om een nieuw COVID-19 vaccin te testen. Los van de uiting van zijn professionele opwinding, was het niet duidelijk wat Muyembe hier precies mee bedoelde. Maar voor het grootste deel van de bevolking kwam zijn verklaring over alsof hij de Congolezen wenste te gebruiken als proefkonijnen. Het gerucht verspreidde zich dat de regering 45 miljoen dollar zou ontvangen van de Wereldbank in ruil voor de lichamen van de armen. Muyembe kwam daarop met een ‘verduidelijking’ op de proppen waarin hij het Congolese volk verzekerde dat een eventueel vaccin eerst in de Verenigde Staten en België zou getest worden. De minister van Volksgezondheid ontkende tegelijkertijd dat er enige betrokkenheid was bij onderhandelingen over proeven met vaccins.
Het experimenteel gebruik van het medicijn chloroquine is controversieel, maar de DRC heeft weinig andere opties. Dit bestaande en relatief goedkope (maar ook extreem onaangename) medicijn dat in het land algemeen gekend is als een enigszins verouderd anti-malariamiddel, werd erkend als een belangrijk behandelingsmiddel tegen COVID-19. De intens bittere smaak van chloroquine (een derivaat van kinine) heeft velen in de DCR doen geloven dat ze zichzelf kunnen behandelen met ‘Congo Bololo’, een bitter maar voor de rest ongerelateerd lokaal middeltje dat op de straten verkocht wordt.
Muyembe begaf zich opnieuw op politiek glad ijs toen hij een donatie van 8000 dozen chloroquine aanvaardde van Olive Lembe Kabila, de vrouw van de ex-president Joseph Kabila. De zeer rijke en economisch dominante familie van de ex-president is zeer onpopulair in Kinshasa en heel wat Congolezen geloven dat Kabila zelf een geadopteerde Rwandese tutsi is. In een discours dat elementen van anti-imperiale kritiek verweeft met bizarre racistische samenzweringstheorieën die aan het koloniale tijdperk doen denken, worden Rwandezen afgeschilderd als de handlangers van het westers kapitaal dat de DRC van zijn minerale rijkdommen wil veroveren. Zoals het geval is bij veel van de meest gevaarlijke fabels van nationaal verdriet, zit er een element van waarheid achter. Sinds het midden van de jaren 1990 is Rwanda’s FPR-regime (Rwandees Patriottisch Front van president Paul Kagame) betrokken bij de plunder en het geweld in de zwaar getekende oostelijke provincies van de DRC. Het Rwandese regime heeft sterke steun genoten van het Westen, in het bijzonder onder het presidentschap van Bill Clinton en tijdens de ambtsperiode van de Britse premier Tony Blair. In deze context stelde de volkse wijsheid zich vragen bij de manier waarop Mama Olive plotseling aan al deze medicijnen geraakt was. Velen geloven dat de dozen vergif bevatten en bezorgd werden door de Rwandese tutsi’s gelinkt aan haar man.

Vooruitzichten

Op veel vlakken zijn de verwarde reacties van de regering op de coronacrisis en de geruchten en de onzekerheid bij de burgers niet zo verschillend van de ervaringen elders. Desalniettemin, onderscheidt de Congolese situatie zich ook. Terwijl ze vaak brutaal is, ontbreekt het de regering waarschijnlijk aan de repressie-infrastructuur die nodig is om de stedelijke armen in een langdurige lockdown te dwingen, zoals bijvoorbeeld gebeurt in India. De dreiging van rellen in Kinshasa fungeert als een ruw en rauw veto van het volk tegen een dergelijke opgelegde maatregel.

Terwijl ze vaak brutaal is, ontbreekt het de Congolese regering waarschijnlijk aan de repressie-infrastructuur nodig om de stedelijke armen in een langdurige lockdown te dwingen.

Het land is veerkrachtig en heeft al een reeks enorme klappen te verwerken gekregen. AIDS werd voor het eerst vastgesteld in Kinshasa, maar de DRC heeft nu een besmettingsgraad die laag is naar regionale normen. Dertig jaar geleden rekende de hoofdstad op de meest oostelijke provincies van het land als graanschuur. Maar de ineenstorting van het wegennet en het uitbreken van conflicten, sneden deze levenslijn af. Kinshasa’s naburige provincies pasten zich aan en leveren nu het meeste voedsel van de hoofdstad.
Enkele andere factoren bieden ook bescheiden redenen tot hoop. Met een gemiddelde leeftijd van achttien jaar is de Congolese bevolking zeer jong, wat het land kan helpen om de rechtstreekse impact van het virus beter te absorberen dan veel andere landen. In het binnenland reizen mensen niet vaak en waren ze al sociaal geïsoleerd lang voor COVID-19 op het toneel verscheen.
Maar het valt evenmin te ontkennen dat de voortekenen er niet veelbelovend uitzien. Kinshasa beschikt slechts over een intensieve zorgen-capaciteit voor een handvol gevallen en in de rest van het land is er geen. Kinshasa is afhankelijk van voedselimport en de arme meerderheid is zeer gevoelig voor veranderingen in de mondiale voedselprijzen. De bevolking is veerkrachtig, maar als er meerdere prijspieken komen in de volgende maanden, zal er zeker een limiet komen aan die veerkracht.
Terwijl de voedsel-producerende plaatsen in de wereld te kampen hebben met arbeidstekorten, en de productie en distributieketens haperen, zal de DRC waarschijnlijk achteraan in de rij staan voor wat er wel beschikbaar is. Zoals auteur Mike Davis opmerkte, vielen de hoogste dodentallen door de griep-pandemie van 1918 toen de chronisch ondervoede onderdanen van Brits-Indië besmet geraakten. Indien het ergste zou gebeuren in de DRC, dan zal dat niet uitsluitend het probleem van de Congolezen zijn. Je kan geen hoogst besmettelijke ziekte controleren terwijl je ze ongebreideld haar gang laat gaan in half uitgehongerde megasteden als Kinshasa. Rijke landen in het Noorden mogen de Congolezen de pandemie niet laten doorstaan zonder internationale steun.
In de jaren 1960, verraadde de gesaboteerde en doodgeboren onafhankelijkheid van de DRC het feit dat de nieuwe postkoloniale staten het mondiale onevenwicht veroorzaakt door het imperialisme en het kapitalistische wereldsysteem niet fundamenteel zou veranderen. In de nieuwe eeuw is de DCR nog altijd het meest afgetekende symptoom van een mondiaal politiek lichaam dat ernstig ziek is.
Joe Trapido geeft Antropologie aan de SOAS in Londen. Hij is de auteur van ‘Breaking Rocks: Music, Ideology and Economic Collapse, from Paris to Kinshasa’.
Saint Jose Inaka is geboren en leeft in Kinshasa. Hij is aan het doctoreren in de Sociologie aan de Universiteit van Pretoria.
Dit artikel verscheen op 20 april 2020 op www.jacobinmag.com en werd vertaald door SVM (Vrede vzw)

Visited 9 Times, 1 Visit today

Tags :