Geopolitieke Ontwikkelingen
Mensenrechten

INTERNATIONALE POLITIEK

Regionale Conflicten
Economie

KERK EN KONING, ZERK EN HONING | Uitpers %

KERK EN KONING, ZERK EN HONING

Image
De"Spaanse Furie" 1576 (wikimedia commons)

Een bijdrage van Lukas De Vos die actueler is dan ze lijkt. We zien er nog altijd de gevolgen van.

Dit jaar wordt het doorslaggevend drama dat de scheiding der Nederlanden veroorzaakte na 450 jaar herdacht. De Spaanse Furie en de verwoesting van Antwerpen braken de steile opmars van de rijke havenstad finaal af. Het zou nog 13 jaar duren voor de stad voorgoed werd veroverd door de Spaanse troepen, en de protestantse intelligentsia, kunstenaars en zakenlui werden uitgewezen. Ze mochten hun bezittingen behouden, maar dienden binnen de twee jaar andere oorden op te zoeken. De meesten van de 150.000 vooral calvinistische ballingen trokken naar het Noorden.

Eind 1576, kort na het bloedbad in Antwerpen, dook een anoniem vlugschrift van zes vellen op in Leiden, dat gratis poorterschap en belastingvoordelen aanbood, en vooraanstaande Vlamingen opnam, onder wie Antwerps buitenburgemeester Filips Marnix van St. Aldegonde, theoloog Franciscus Gomarus en drukker Christoffel Plantijn. Het pamflet wordt bewaard in de Universiteitsbibliotheek, Bibliotheca Thysiana (THYSPF 258), met de niet mis te verstane titel: Warachtige beschrijuinghe van het innemen van Antwerpen, ende vande onmenschelijcke ende gants grouwelicke moort, brandt, plonderinge, onghehoorde vrouwen cracht ende maechden schenderye, by den Spaniaerden ende haren aenhanck den 4. Nouemb. Anno 1576. ende eenige dagen daer na, aldaer bedreuen, ghestelt door een die daer selfs teghenwoordich gheweest is. De overtuiging is duidelijk: de frontispice-illustratie staat tussen de bekende onderwerping aan de Heer: “God gaf, God nam, den Name des Heeren sy gebenedyt”. En onderaan staan twee verzen uit het Boek der Psalmen (60: 4-5, dat in het katholiek schoolonderwijs wijselijk is weggelaten) die de rouw en het verdriet van David herhaald ziet in het lot van de vervolgden: “O God die ons verstooten en verstroydt hebt ende toornich waert, troost ons weder. Ghy die de Aerde beweecht en verscheurt hebt, heelt haer breucke die soo vervallen is: want Ghy hebt uwen Volcke een hart Wesen ghetoont: Ghy hebt se eenen dronck der verschrickinghe ghegheuen, Doch hebt Ghy dan noch dien een teecken ghegeuen, die u vreesen”. Het pamflet is gedrukt in Antwerpen, hoe kon het ook anders ?

Het nieuws van de gruwelen begaan door huurlingen, vooral Walen en Duitsers, en door Spanjolen, raakten onmiddellijk verspreid over heel Europa – en het is geen toeval dat vrijwel altijd de stem van de Reformatie klonk die de Spaanse koning Filips II verkettert. Zo verscheen in Engeland, dat een rivaal was van Spanje, amper een tweetal weken na de moordpartijen een (anoniem) verslag van soldaat-schrijver George Gascoigne in Londen, The Spoyle of Antwerpe. Gascoigne verbleef van 22 oktober tot 12 november 1576 in Antwerpen. Zijn verslag steunt sterk op het bovenstaand pamflet, dat hij in grote mate overnam en volgens hem geschreven was door een ooggetuige, “door een die daer selfs teghenwoordich gheweest is”. The Spoyle was volgens hem genoteerd door een Engelsman (hijzelf allicht). Maar het blijft een eigentijds dokument, zoals Raymond Fagel bepleit in zijn bijdrage aan Dutch Crossing. Journal of Low Countries Studies (41, issue 2, Maart 2017: 101-110).

De verbetenheid van Calvinisten en Wederdopers bleef bewaard door het gebruik van de boekdrukkunst, de grote geletterdheid in Brabant en Vlaanderen, en het gebruik van de volkstaal. De Contra-Reformatie hield vooral vast aan het Latijn als godsdienstige, politieke en wetenschappelijke taal. Kwam daarbij dat het kruim van de bevolking in de Zuidelijke Nederlanden het hazenpad had gekozen, alleen de onbemiddelden en de plattelanders bleven in grote mate honkvast. Vaak omdat ze onbemiddeld waren. Het is daarom uitzonderlijk van een relaas in het Nederlands terug te vinden toen de toestand hier te lande was “gepacificeerd”.

En toch bestaat er een – zwaar uitgedrukt – “collaboratie”-geschiedenis, die de kant kiest van de koning en de kerk. De auteur was de zoon van een banketbakker uit Leuven, Jan Van Meerbeeck, die werd aangetrokken door de grote mogelijkheden die Europa’s grootste en rijkste stad in de tweede helft van de 16e eeuw aanreikte. Zijn zoon Adriaan zag het levenslicht in 1560. Het staat vrijwel vast dat Adriaan in geen geval een bul haalde aan de Universiteit van Leuven, maar ook dat hij een degelijke opvoeding had genoten. Hij kende wel Latijn, zij het dat anderen danig wat moesten verbeteren aan zijn teksten.

Daarom schreef hij ook in het Nederlands en werd hij, ongedwongen, een taalkundig bondgenoot van de in 1581 naar Leiden uitgeweken Simon Stevin, die de Universiteit van Leiden (gesticht door Willem van Oranje in 1575) uitbouwde op last van Prins Maurits. Het was geen gedwongen verhuis, Brugge had toen tussen 1578 en 1584, net als Gent (1577-1584 met Hembyze en Ryhove), Brussel (1577-1584), Mechelen (1578-1584) en vooral Antwerpen (1579-1585), een strak Calvinistisch bewind. Het toeval wil dat Stevin de geest gaf in het jaar dat Adriaan Van Meerbeeck het belangrijkste van zijn achttal werken, kronieken en vertalingen uitgaf, 1620: Chronyke van de Gantsche Werelt ende Sonderlinghe van de Seventien Nederlanden, begrypende de Tweedrachten, Oorlogen, veltslagen, Belegeringen, ende innemingen van Landen ende Steden van de Tijdt des Keysers Caroli V tot het Jaer onzes Heeren MDCXX. 

Er waren wel een paar rederijkers, die zich ook waagden aan een geschiedkundig overzicht in de volkstaal, maar nooit zo ambitieus als dat van Van Meerbeeck. Zo was er het dagboek van Marcus Van Vaernewijck, Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568, dat niet bedoeld was voor publicatie, maat waarvan het origineel, handgeschreven manuscript bewaard is in de bibliotheek van de Universiteit Gent. Vaernewijck schreef eerder een nogal fantaisistische reconstructie van “Belgis”, de stad die door Trojanen nog gesticht zou zijn in onze contreien. Dat werkje, Spieghel der Nederlandscher Audtheyt, werd nog tot in de 19e eeuw herdrukt. Van Meerbeeck heeft een even wijdse blik, maar geeft geregeld aan dat hij objectief en naar waarheid verslag doet over wat reilt en zeilt in de wereld (voor zover die bekend was natuurlijk). Toch is hij lang in de schaduw gebleven van, door de Nederlandse geschiedschrijving heen, mindere maar nationalistisch meer gedragen kroniekschrijvers zoals Emanuel van Meteren, Pieter Bor, Pieter Hooft en natuurlijk Hugo de Groot (Grotius).

De Antwerpenaar Van Meteren (1535-1612) was de zoon van een handelaar die in de ban geslagen en dus verboden boeken, meestal die van het Nieuwe Geloof, verspreidde. Hij was door zijn vader voorbestemd om hagepreker (zoals Moded ofte Herman Strijcher) en predikant te worden, maar werd al vroeg naar veiliger oorden gebracht: Doornik en Londen. Hij was toen 15, en had als onderduiker nauwelijks een opleiding gekregen. Wel bekwaamde hij zich in Engeland als koopman, kon duidelijk schrijven, en besefte dat hij alleen maar voorwerk leverde voor grotere geesten. Hij baseerde zich op jaar- en dagboekaantekeningen waarmee hij aanvullingen aan bestaande grote werken kon afleveren. Vanuit hervormd oogpunt schreef hij Belgische ofte Nederlantsche Historie, van onsen tijden (1599) en – daar gaan we weer – Historie der Nieder-landscher ende haerder Naburen MVICXII, nu de laestemael bij hem voor syme todt merckelijck verbetert en in, XXXII boecken voltzocken is mede’ hier by gevoegt des autheurs leven [by Simeon Ruytinck] verryckt benessens de Land-Caerte met by na hondert correcte Conterfeijtsels vande voor treflijcste Personagien in dese Historie verhaelt. Alle cierlijck na d’leven ghedaen ende in Coperen platen gesteken ; gedruckt int Yaer oorlogen : ende geschiedenissen tot den iare ons Heeren MDCXXXVI (1612, maar na zijn dood aangepast en aangevuld voor de uitgave van 1636). Hij bracht ook nog een boek over de zeevaart.

Pieter Christiaenszoon Bor uit Utrecht, daarentegen, wijdde schier zijn hele leven aan de geschiedenis van de opstand tegen Spanje en de gevolgen ervan in liefst 37 delen. De eerste 18 zijn de prangendste, en verschenen in 1621: Nederlantsche Oorloghen, Beroerten ende Borgherlijcke Oneenicheyden bij drukker Govert Basion in Leiden. Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1657) behoeft geen voorstelling, als erkend grote schrijver van klassieke toneelstukken en gedichten. Voor ons is alleen Nederlandsche Historiën van belang, een monsterwerk in 20 delen van de afscheidingsgevechten tussen de troonsafstand van Keizer Karel (1555) tot de moord op Willem van Oranje (1583). Omdat de schrijver het werk niet kon afmaken, drong een vervolg zich op. Verscheen het eerste deel bij Elsevier in Amsterdam, dan was het Blaeu die het vervolg tot 1687 uitbracht. Hugo de Groot (1583-1645) ten slotte heeft internationaal hoge ogen gescoord als rechtskundige en dan vooral met Vrye zeevaert, ofte Bewijs van’t recht dat de inghesetenen deser geunieerde landen toecomt over de Indische coop-handel (1604-1609, in het Latijn, hij was geen echte volksschrijver; hij legde de heden nog geldige regels over vrije doorvaart vast; de tekst is in 1614 in het Nederlands overgebracht). Met ons aanbelangt echter, gaat het alleen om het Tractaet vande oudtheyt vande Batavische nv Hollandsche republique (1610).

Als Adriaan Van Meerbeeck het had kunnen verhinderen (en/of kunnen lezen), zou hij die kroniekschrijvers liefst van al voor de Inquisitie hebben zien staan. Aan de omvang van zijn eigen kroniek over de opstand en de deling der Nederlanden heeft het niet gelegen, aan zijn steun voor de christelijke leerverspreiding wereldwijd evenmin. Er zijn zelfs opvallend veel exemplaren van zijn boek in goede staat overgeleverd: er is sprake van zeker 50 boekwerken die onder bibliotheken en kloosters internationaal zijn verspreid. Een knap ingebonden, scherp verlucht en zeer leesbaar exemplaar heeft Joost Van Meerbeeck zelf kunnen aanschaffen, een ander ligt in de rijke bibliotheek van de Abdij in Bornem, nog een ander berust bij de Leuvense Universiteit. Het is een knoert van een kroniek, een paar kilogram zwaar, 1.286 folianten rijk, elke bladzijde netjes in twee kolommen opgesteld, rijkelijk verluchtigd en uitzonderlijk goed leesbaar.

Co-auteur Joost Van Meerbeeck van het boek Oproer en Omwenteling (2025) hoopte stiekem dat genealogie zou uitwijzen dat hij van de familie afstamt, maar dat viel zo goed uit als wanneer ik mijn afkomst zou natrekken tot Adriaans moeder, Lynken De Vos. Hij kan er best mee lachen, ook Salezianen kunnen uitglijden. “Toch was het indrukwekkend om te zien hoe ons gezin in één rechte lijn afstamt van Johannes Judocus van Meerbeke, geboren in 1523 in Steenokkerzeel”. Brabanders dus, toen Antwerpen nog elke stad overvleugelde, ook in Noord-Brabant. En de auteur besefte ook dat een volledige lectuur talloze overbodige uitweidingen zou moeten  wieden. Dus geen herdruk, wel capita selecta, in 57 hoofdstukken van 1500 tot 1620. Oproer en Omwenteling gaat dus over wat Adriaan schrijft, bijbrengt en misvormt in zijn kroniek, die van doorslaggevend belang is geweest voor onze moderne tijd, en de natievorming in Europa als in een slangenei in zich droeg. Over de juistheid van de feiten erkent ook Joost Van Meerbeeck dat de kroniek “een ideologisch conservatief, eenzijdig, propagandistisch boek” is, dat nooit wil tornen aan de vroeg-renaissance idee van godgegeven macht aan de keizer-koning en de onderdanigheid die zij behoeft.

Daar zit ook de tegenspraak in. Wie wat vertrouwd is met de politiek in Europa van de 15e en16e eeuw, weet dat het leenroerig stelsel van voorheen was geëvolueerd naar een contractuele politiek: de (vrijgevochten) steden en hun gilden respecteerden de machthebber met Blijde Inkomsten. Zij ondersteunden de machtsbasis, financieel en met strijders voor de koning, zolang niet geknaagd werd aan hun privileges. En dat is nu net wat er scheefliep in de Nederlanden. Keizer Karel (V) had het contract met de steden en hun ommelanden eigenlijk eenzijdig verbroken door de Inquisitie in te voeren (afhankelijk als hij zelf was van pauselijke instemming). Dat dienden de steden niet te pruimen. Zijn zoon en opvolger, Filips II, die in zijn koningsjaren nooit een voet tussen Schelde en Rijn gezet heeft, was grootgebracht in een absolutistische hofhouding. Hij had geen voeling met wat de steden rijk maakte en deed uitbreiden. Dat hij de hertog van Alva naar de landen herwaarts zond in 1567 met als opdracht het eenkennige recht van de koning af te dwingen, moest wel tot openlijke botsingen leiden. Landvoogdes Margareta van Parma, die diplomatie boven militaire inzet verkoos, verdween van het toneel. Op weg naar Brussel hield Alva vast aan een strakke discipline bij zijn troepen. Adriaan Van Meerbeeck schrijft met ontzag hoe Alva “een ruiter liet ophangen omdat hij samen met twee anderen enkele schapen en hamels had gestolen. De mannen hadden de buit nochtans teruggegeven en ook de Lotharingers [waar het zich afspeelde] vroegen om de misdadigers te sparen”.

Maar dat oordeel onderschrijft Adriaan als het optreden van “een strenge maar rechtvaardige heerser”, hoe moeilijk verdedigbaar dat ook was. Want Alva ging er meteen met vuile voeten door. Hij richtte de Raad van Beroerten op, die zonder onderscheid des persoons de vermeende vijanden en ketters genadeloos veroordeelde tot ophanging, onthoofding of de brandstapel. Van wie vluchtte werden alle bezittingen en gronden aangeslagen. Waarop Adriaan nogal slaafs beaamde: “Dit is ons vooral overkomen door de verandering van religie en de opstandigheid tegen onze natuurlijke heer, koning Filips”. Van Meerbeeck was niet beslagen in het broze evenwicht dat tussen erkenning van de macht in ruil voor bescherming en autonome stadspolitiek bestond. De druppel te veel was dubbel: de bouw van een dwangburcht in Antwerpen, en de invoering van drie belastingen (waarvan de tiende penning het felst in het vlees van de handelaars sneed). Toegegeven, de kroniekschrijver was nog maar acht jaar oud toen Alva zijn duivels ontbond. Maar hij schreef dit een halve eeuw later, en zijn onwankelbaar geloof in het katholicisme maakte hem blind voor de uitspattingen van de politieke onderdrukking, zoals ook de edelen van het Gulden Vlies, met name Egmont en Hoorne, mochten ondervinden. De mooiste anekdote komt uit mijn eigen geboorteplaats over de laatste ontmoeting tussen Willem van Oranje, heer van Blaasveld, en de twee edelmannen. Een spion die verscholen zat in de haard van afspanning Het Gulden Vlies in Willebroek heeft hun laatste woorden opgetekend: Egmont zei bij het afscheid, “Vaarwel Graaf zonder land”. Waarop Oranje – allicht cynisch – wedervoer: “Vaarwel Graaf zonder hoofd”. Oranje mag dan in 1582 vermoord zijn, in 1568 had hij erg genoeg volslagen gelijk. Oranje trok noordwaarts, Egmond en Hoorne reisden door naar Brussel om de vergadering bij te wonen van de Raad van State. Na afloop liet Alva beide edelen langs een andere deur buitengaan, waarop ze, tevergeefs en onder luid protest, werden opgesloten. Ze  moesten “hun rapieren afleggen en zich gevangen laten nemen”. Ook hier verbrak Alva door verraad de onschendbaarheid van Gulden Vliesridders. Pas dan lichtte hij de landvoogdes in, en zette haar voor “un fait accompli”.

De wurgpolitiek van Alva – politiek, godsdienstig en financieel – had rampzalige gevolgen voor de Antwerpse vrije markt. Huurlingenlegers wogen op de internationale handel, de drukpers, de ambachten, en de dissidenten. Repressie en afpersing deden ook de lagere burgerij zweten. Alva had lak aan de bestaande rechtspraak en de bescherming van de rechten die zowel edelen als gilde genoten. Mede door de dure oorlogen die vanuit Spanje werden gedirigeerd, zat de Spaanse overheerser voortdurend  in geldnood. Dat zou leiden tot de gruwelijke Spaanse Furie in 1576; opvallend genoeg besteedt Adriaan Van Meerbeeck amper drie paragrafen aan die toch dramatische slag voor de havenstad. De ene muiterij was in Vlaanderen opgevolgd door de andere. De oplossing lag voor de hand: plundering van het platteland was schering en inslag. De steden waren nog tamelijk beschermd met hun wallen tegen roversbendes, maar elders had de Gelderse legeraanvoerder Maarten Van Rossum al in zijn veldtocht tegen Brabant (1642-1643) zowat alle dorpen gebrandschat die op zijn weg lagen. Op latere leeftijd zou hij zich achter Keizer Karel scharen, daar vind ik niets van terug in de selectie die de auteurs van Oproer en Omwenteling hebben gemaakt. Opportunisme is altijd belangrijker geweest dan verbanden.

Het valt trouwens op dat van de jaren 1500-1558 over de keizer en zijn steeds rigidere vervolging van de Lutheranen niets is opgenomen. De auteurs verdedigen zich terecht door te zeggen dat de klemtoon op de effectieve scheiding der Nederlanden ligt, maar dat verheelt wel hoe de opmars van Antwerpen als stadsstaat tot stand kwam. Evenmin verklaart het hoe de Nijmeegse geschiedkundige Bernard Vermaseren er in 1941 erin slaagt om Adriaan “niet hevig pro-Spaans” te noemen, hoewel hij in elke conflictsituatie getrouwheid aan het gezag (kerk en koning) laat voorgaan op veroordeling van de machthebbers die de bloedbaden en terechtstellingen verordenden.

Daardoor valt nog meer op dat Keizer Karel de echte initiator is geweest van de verschrikkelijke vervolgingen door de Contra-Reformatie (gewoonlijk gedateerd tussen 1522 en 1568). Dat had grotendeels te maken met zijn overtuiging dat de Res Publica Christiana maar één gekroond hoofd kon hebben en alle kristelijke gebieden onderdanigheid verschuldigd waren, een middeleeuwse gedachte. Voor een keizer die door een sluwe erfenispolitiek en de ontdekking van Amerika inderdaad een rijk bestierde waar de zon nooit onderging een vanzelfsprekendheid. Hij was dan ook als de dood voor afscheuringen, zelfs en vooral als die over de eenheid van godsdienst ging. Al snel, in 1521, verklaarde hij, samen met Paus Leo X, Luther tot een afvallige en legde, zeker na het doctrinaire Concilie van Trente, steeds strengere straffen op voor de afvalligen (hij heeft maar een deel meegemaakt, want het Concilie duurde van 1545 tot 1563 in 25 bijeenkomsten). Bedreiging kwam er ook politiek, omdat Karels rivaal Frans I van Frankrijk gemene zaak maakte met de Ottomanen. Die heersten over de Middellandse Zee en rukten stelselmatig verder op naar het Westen. Tweemaal moest het beleg van Wenen gebroken worden, eerst door Karels broer Ferdinand (1529), daarna door de keizer zelf (1532). Noord-Afrikaanse steden als Oran lagen onder vuur,  Algiers en Tunis waren evenwel in handen van Barbarijse piraten. Die laatste stad heroverde Karel in 1536. Niet dat de Ottomanen verslagen waren, pas na Karels dood keerde de macht na de mislukte Turkse belegering van Malta (1565). Maar de maatregelen tegen de gereformeerden – verbanning, oprichting van de militante jezuïetenorde, de instelling van de Inquisitie met foltering en brandstapel, de bloedplakkaten en later de invoering van de boekcensuur dienden vooral het behoud van de macht en de Monarchia Universalis.

Uitgeput door de oorlogen en jicht moest Karel toegeven dat hij die eenheid niet kon vasthouden. Hij sloot in 1555 de godsdienstvrede van Augsburg. Daar kregen de rijksvorsten het recht om ook de kerkbezittingen, prebenden en de opbrengst van de simonie te beheren en hun onderdanen op te leggen welke overtuiging ze moesten volgen: cuius regio, illius et religio. Wie een gebied beheert bepaalt ook de godsdienst. Niet dat die vrede reformatie en contrareformatie verzoende. Calvinisten en Wederdopers hadden decennialang het volk murw gemaakt met hun hageprekers, de beeldenstorm raasde vanaf Steenvoorde in 1566 over heel Vlaanderen, de politieke strijd was nog niet beslecht in de Nederlanden. Integendeel, zowel bij katholieken als protestanten waren het onbuigzamen die het hoge woord voerden, “fanatische Konfessionalisten” zoals Heinz Schilling ze noemt

Alva had het zelfs voor Filips II te bont gemaakt, tegen zijn beleid was al de Pacificatie van Gent afgesloten (1576). Don Juan legde een veel rustiger aanpak op. Zijn opvolger Alexander Farnese zou een stuk reconquista opstarten. Want de geesten waren al te ver uiteengedreven sinds de oprichting van de Unie van Utrecht (23 januari 1579) tussen de opstandige staten. Ze waren uitgedaagd doordat goed twee weken vroeger (6 januari) de (vooral Franstalige) Unie van Atrecht trouw gezworen had aan de Spaanse kroon en de kerk. Omdat Spanje weinig inkeer liet zien werd Filips II niet langer door de Unie erkend en verbeurde hij de troon vanwege  contractbreuk tegenover de onderdanen, zoals we dat vandaag noemen. De Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden betekende hun stap naar zelfbestuur met het Plakkaat van Verlatinghe (1581). Intussen verschenen de radikale Calvinistische republieken (Oostende, Gent, Brussel, Mechelen en vooral Antwerpen dat het zou volhouden tot 1585).

Een jaar eerder was Willem van Oranje al slachtoffer geworden van een (mislukte) aanval. Aan de man, die volgens Adriaan Van Meerbeeck de grote verantwoordelijke was van het schisma, wijdt hij in zijn kroniek een koud verslag: “In maart 1582 schoot de Baskische knecht van een Spaanse handelaar met een pistool op de Prins van Oranje, die net van tafel kwam. De lijfwachten van de prins sloegen de man, Jan Juarengui uit Bilbao, ter plekke dood”. Het stadsbestuur liet “het dode lichaam van Juarengui op de markt op een schavot gezet. Zo zou iedereen beseffen wie er achter de aanslag zat”. Dat waren voor de volkswoede de biechtvader van de dader en een tweede Spanjaard. Zij “werden gevangengezet, gewurgd, en gevierendeeld en zo in stukken aan het kasteel van de Stad gehangen”. Adriaan vergeet dat Filips II wel een forse beloning op het hoofd van de vogelvrij verklaarde prins had gezet. Overigens was het maar uitstel van executie, want op 10 juli 1584 schoot Balthasar Gerards de prins in Delft dood. Oranje was bezig om de hertog van Anjou te doen aanvaarden door de Staten Generaal, maar diens onstuimige bestorming van Antwerpen in 1584 was mislukt en Oranje moest andermaal proberen de scherven te lijmen. Helaas namen de verslagen Franse soldaten weerwraak door het nieuwe Beursgebouw in brand te steken, de ‘Franse Furie’. “De Nederlanders, in het bijzonder de Antwerpenaren, herinnerden zich de valsheid van de hertog. Ze weigerden de Fransen te aanvaarden en bedankten voor het voorstel van Anjou”, die hun een wonder had beloofd, aldus Adriaan. De auteurs van Oproer en Omwenteling betwisten die uitleg. Adriaan “vergist zich echter met bovenstaand verhaal. Mogelijk was zijn blik wat vertroebeld uit vijandigheid tegenover de hertog, want in werkelijkheid had Oranjes diplomatie nogmaals sukses geboekt”.

Toch zou Willem zijn lot niet ontlopen. Een bode had net het bericht gebracht dat Anjou aan malaria gestorven was. Willem besloot de bode voor meer toelichting terug naar Frankrijk te sturen en gaf hem reisgeld. Maar met dat geld “kocht Gerard twee pistolen, die hij met drie kogels laadde. Op 10 juli benaderde hij de prins tijdens de maaltijd, met de vraag of hij ook een paspoort kon krijgen”. Oranje liep naar de trap voor zijn schrijfgerei, maar “zodra hij zijn voet op de eerste trede zette, schoot Gerards hem door zijn linkerzijde. (…) Daar stierf hij enkele ogenblikken later”. Het bekwam ook Gerards slecht. Hij werd gefolterd, zijn tenen werden van zijn voeten gebrand. Zijn pistolen werden op het schavot stukgeslagen, maar daarbij “brak de hamer van de ene beul. Het afgebroken stuk sloeg tegen het hoofd van de andere beul, waarop de omstaanders in luid lachen uitbarstten. Zelfs Gerards moest er een beetje om grinniken”. Ze hebben wel zijn schiethand afgebrand, nepen met gloeiende ijzers stukken vlees uit zijn lijf en “sneden zijn kloppend hart uit zijn borstkas en wierpen het in zijn gezicht. En dat terwijl zijn mond nog steeds aan het bidden was”. Enige overdrijving of leedvermaak is niet ver weg in Adriaans reconstructie, want hij schreef de kroniek grotendeels tijdens het twaalfjarig bestand, een opmerkelijk vredige gevechtspauze onder het bewind van Albrecht en Isabella, die er in 1609 in slaagden een twaalfjarig bestand af te sluiten met de Noordelijke Nederlanden. De uittocht uit Antwerpen had helaas rijkdom en haven gefnuikt, de Val van Antwerpen zijn de zuidelijke Nederlanden nooit meer te boven gekomen. Het calvinisme werd uitgedreven met de Val van Oostende (1602), het laatste bolwerk van de geuzen en de protestantse burgerij. Het “klein kuddeke” uit 1544 dat nog altijd bestaat in het gehucht Korsele van Sint-Maria-Horebeke bij Brakel, daar heeft de geschiedenis wel overheen gekeken.

De Val van Antwerpen gaf ook een andere richting aan het leven van Adriaan. Het was moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen in een stad die meer dan de helft van zijn inwoners, en vooral dan nog de rijke en de intelligente, zag versluizen naar Leiden, Amsterdam, Zeeland, Dordrecht, Haarlem en Engeland waar ze altijd goed ontvangen waren. Maar ook daarvoor had Adriaan geen geld, en bovendien wou hij in het katholieke deel van de Nederlanden blijven wonen. In 1590 zoekt hij andere kontreien op. Hij gaat naar Bornem, in Klein-Brabant, het enige stuk land dat de Vlaamse graven over de Schelde ooit konden veroveren. “Adriaan zal niet uit luxe zijn stad verlaten hebben om elders leraar te worden”, noteert Pieter de Jonge in Historiek (6 februari 2026. “De wereld waarin hij opgroeide, hield door de protestantse rebellie op te bestaan”.

Het jaar 1590 wordt betwist door Raf Vinck, net als Adriaans  geboortejaar. Vinck houdt dat bij 1663, wat hem nog jonger maakt toen de grootste troebelen zijn stad beroerden. Vinck schrijft ook: “Na zijn studies aan de Leuvense universiteit werd de prille twintiger in Bornem benoemd tot baljuw zijnde de juridische vertegenwoordiger van de Heer van Bornem, een ambt dat hij bleef uitoefenen tot 1588”. Nu heeft onderzoek al vrijwel sluitend  vastgesteld dat hij nooit aan de universiteit heeft gestudeerd. Dat hij tot 1588 baljuw was vergt ook een gedachtensprong, want dan zou hij vrij kort na de Val van Antwerpen andere horizonten opgezocht hebben. Hij werd in Bornem wel, daar zijn de bronnen het over eens, koster en dorpsonderwijzer, later ook “notaris” in 1603, als vertrouwenspersoon van Baron Pedro Coloma, die er een heerlijkheid had gekocht en vooral bekend staat voor de aanleg van het Sas van Bornem, een sluis die de Oude Schelde met de huidige stroom verbindt en de oudste mechanische sluis van het land is (1589-1592). Er was ook een militaire schans aan gebouwd.

Het is onduidelijk waarom Adriaan het stilaan verkorven had bij het gemeentebestuur, maar feit is dat hij geregeld waarborgen niet of niet tijdig kon terugbetalen. Dat en zijn afkeer van de nieuwlichterij der protestanten, bracht hem mogelijk ook in moeilijkheden met Oranjes rechterhand, Graaf Marnix van St. Aldegonde wiens waterkasteel nog altijd aan de oude Schelde ligt in Weert. Hij noemde Marnix “een loos man die in alle dobbelheydt seer ervaren was ende door wiens toedoen de ketterije van Caluinus sonderlinghe in Hollandt ende Zeelandt inne gebracht was, want hij in sijne ioncheyt goet vrient van Caluinus gheweest hadde ende desen ghebruyckte den Prinsen van Oraignen om den peys te stooren”.

Het zal dan ook een opluchting geweest zijn voor hem en zijn gezin dat Aalst hem aantrok als inspecteur van de “cleyne” scholen waar hij toezicht hield op de rechte (godsdienstige) leer. Hij was ook schoolmeester “waar hij de scholieren zowel in het Vlaems als in het Latijn onderwees”. Dat liep vlot tot 1620. Toen richtten de jezuïeten een Latijnse school op, en viel hij zonder werk. Het is onduidelijk of hij zijn familie in Antwerpen weer heeft opgezocht. Zeker is dat hij met ene zekere Jan Van Meerbeeck in Brussel (familie ?) een uitgeverij opzette in 1625. Dat is goed geweten omdat hij dat jaar zijn eigen vervolg op de Chronycke uitgaf, gebeurtenissen uit de jaren 1620 tot en met 1625. Met opnieuw een sterke titel: Nederlandtschen Mercurius oft waerachtich verhael van de geschiedenissen van Nederlandt, ende ook van Duytschlandt, Spaengien, Italien, Vranckryck ende Turkyen. Dit werk heeft het niet zo goed gedaan, maar is strijdvaardiger, “een stuk scherper, zo niet radikaler van toon” en bewijst wel dat zijn interesse verder liep dan de Spaanse periode. Nadien verdwijnt hij in de anonimiteit, hij stierf kort voor zijn tweede vrouw in 1643 in Brussel, in De Doorne Croone, het huis van zijn zoon-priester Philippe. Hij kreeg een uitvaartdienst met zestien heren in Sint-Goedele op 23 april 1643

Oproer en Omwenteling is misschien wat te luchtig en te kort gehouden, maar geeft toch een goed beeld van de internationale belangstelling die Van Meerbeeck opbracht. Van de 57 opgenomen extracten zijn er twintig aan het buitenland gewijd – vaak vanuit  kristelijk perspektief in de achtergrond (zoals ‘Christenen voor China’ in 1580, of ‘Christenen uit Japan’) maar ook met historische verslagen van belegeringen (de verovering van Tenochtitlan in Mexico, 1521 of ‘Pest gewonnen, Boeda verloren’ over de strijd met de Turken in Hongarije, 1602) of wonderlijke verschijnselen. De mensen zochten toen nog verklaringen voor hemelse vingerwijzigingen. Een meteoor of een vreemd lichtschijnsel was genoeg om in paniek te geraken. Zeker in een grote stad, waar voortdurend werd gevochten of legers ingekwartierd, beschonken huurlingen en onbetrouwbare beeldenstormers als straf van god werden aangezien. Al staat hij soms verbaasd dat niet alles pek en vuur is. Als hij de vernielingen in de kathedraal beschrijft besluit hij laconiek en toch verwonderd dat er toch één goed ding was bij de beeldenstormers: ze slaan niemand dood. Een kinderhand was gauw gevuld.

Op zijn best is Adriaan als hij hilarische toestanden kan beschrijven. Een hoofdstukje dat ik niet had willen missen is ‘Het Geuzenfeest bij Graaf Culemborg’. De opstand broedt nog niet op volle kracht, maar de neerbuigendheid tegenover de Spaanse aanwezigheid is grenzeloos. Kop van jut is – terecht, want een Fransman – kardinaal Granvelle, “die landvoogdes Margareta van Parma bijstond en die zichzelf tot in het centrum van de geestelijke en wereldlijke macht had gewrongen” – een beetje zoals kardinaal Richelieu aan het Franse Hof in De Drie Musketiers. Maar in de Lage Landen pakte zijn mayonaise niet. Zowat iedereen keerde zich tegen de eerste aartsbisschop van Mechelen, zowel de edelen als de straat die spotprenten en liedjes maakte over “de ‘rode paap’, ‘de bloedhond’, ‘het Spaans varken’, ‘het pauselijk gespuis’ en dergelijke meer. Zelfs Margareta van Parma onttrok hem ten slotte haar steun, zodat Filips II zich verplicht zag de prelaat terug te roepen. In maart 1564 verliet Granvelle onze gewesten” (Nationaal Geografisch Woordenboek, Amsterdam, Huygensinstituut, Deel 1: 565-571).

De inner circle rond Margareta zou soortgelijk machtsverlies meemaken. Zij moest lijdzaam toezien hoe de Lage Landen, niet gestoord Filips II die zich in Madrid had afgesloten, blufpoker speelden, althans de belangrijkste edelen. Onder leiding van Hendrik van Brederode stelden een smeekschrift op dat zijn naam helemaal omdraaide: gedaan met te hoge belastingen, werkloosheid tierde alom omdat er een boycot van de Engelse textielindustrie van kracht was, omdat de Baltische schepen met graan en hout voor anker lagen want er was oorlog tussen Denemarken en Zweden, en omdat de winters van 1564 en 1565 ijselijk koud waren. De groeiende onrust deed de opstandige protestanten minder terughoudend uitdagen, en de brandstapel voor de voormalige karmeliet uit Brugge, Christoffel Fabritius, gooide nog meer olie op het vuur.

De hogere adel drong aan op verlichting van de ketterwetten (die sowieso de vrije handel raakten) en stuurde Egmont naar Madrid; naar zijn gevoel had Filips II het begrepen en zou hij milder worden. Groot was de teleurstelling dat de koning een missive stuurde om de harde wetten nog krachtiger toe te passen. Maar ook de lagere adel liet zich niet onbetuigd. Met honderden steunden ze het verzet. Hoogtepunt was een slemppartij in het Brussels paleis van Floris I van Pallaert, graaf Culemborg. In een mum van tijd nam de alkohol het over van het gezond verstand, vooral toen iedereen te horen kreeg dat de Franstalige Graaf van Berlaymont het smekende volk “des geux”, “schooiers” had genoemd, daarmee de lijn van Granvelle volgend en die van de hertog van Aarschot, Filips II van Croy. Op slag ontaardde het feest in een karnavalstheater. De edelen schoren zich op een snor na, trokken asgrauwe kleren aan, hingen een bedelschoteltje aan hun hoed die ze achterstevoren zetten, en droegen een medaille met daarop een bedelzak. Oranje, Egmont en Hoorn konden erger voorkomen omdat zij in het voorbijgaan de gezant van Margareta, de Graaf van Hoogstraten, konden ontzetten. Maar het was duidelijk voor onze kroniekschrijver: “Dat lukte hen slechts ternauwernood: de dronken gasten merkten de vier hoge heren al snel op en kwamen uitzinnig roepend rond hen staan, terwijl de kookpotten en bierpullen vervaarlijk in het rond zwaaiden”.

Onverzettelijkheid is altijd de lont voor een groter conflict of een oorlog. Filips II was niet in staat het wereldspel in handen te houden, zoals zijn vader wel kon tot hij troonsafstand deed. Hij was het die zichzelf te schande maakte door de Armada van 150 schepen, waaronder 20 oorlogsbodems, te verliezen door onoordeelkundige voorbereiding (soldaten moesten met schuiten tegelijk uit Vlaanderen naar Engeland oversteken, maar Hollandse piraten en vlootonderdelen hielden de havens, vooral die van Duinkerke, gesloten). De wind zat tegen. De Engelse vloot kon meteen de ongeorganiseerde Armada uiteenslaan, de overblijvers vluchtten weg langs Schotland om dan nog te worden gedecimeerd door felle stormen. De hogeborstzetterij van Filips smolt weg, hij zou nooit meer pogen de protestantse koningin Elisabeth I van de troon te krijgen.

Onverzettelijkheid tekende ook de protestanten, die al vrij snel in onderlinge sektes uiteenvielen, waarbij vooral de Wederdopers kop van jut waren. Zij waren ook de meest fanatieken, die in 1534 al getracht hadden een eigen utopische staat op te zetten in het Duitse Münster, het Nieuwe Jerusalem. Een godsdienstige dictatuur van twee Hollanders, Jan Beukelszoon van Leiden en Jan Matthijs. Toen de prinsbisschop, Franz von Waldeck, troepen verzamelde om de stad te heroveren, viel Matthijs met dertig man en een onwrikbaar geloof de tegenstander aan. Het resultaat was er naar: dertig dode wederdopers, Jan onthoofd, kop op een staak gezet, en zijn geslachtsdelen aan de stadspoort getimmerd. Van Leiden volgde hem op, maar werd compleet gaga, voerde polygamie in, voelde zich opvolger van David, en riep zich uit tot koning der aarde. De stad werd uitgehongerd, en viel midden 1535. Van Leiden onderging het lot dat Oranjes moordenaar later toeviel. De nakomers, de mennonieten, hebben wel alle geweld afgezworen.

Van Meerbeeck zag in al die tegenspoed alleen maar de vinger van god. Ook de pijnlijke dood van Filips II in 1598 was de lijdensweg van Christus: “Hij voelde zich steeds slechter van het fledercijn, dat hem ook in zijn beide handen kwelde. (…) Na het sacrament kreeg de koning een gezwel op zijn rechterbeen, nadien volgden er nog vier op zijn borst”. De dokters “legden doeken op de builen om ze te doen rijpen. Zodra ze rijp waren en ingezonken waren, kwam er een flinke hoeveelheid stinkende materie uit de wonden, alsook een paar luizen”. Maar Adriaan is niet wankel in zijn geloof. Zijn gevolgtrekking is verbazend koppig: “De koning verdroeg alle pijnen en ziekten met een groot geduld, wat vele wijze personen als een teken van zijn goddelijke zaligheid interpreteerden”.

Hoe heilig de koning van de Lage Landen wel was, ligt vervat in een griezelig detail die Adriaan terloops vermeldt: hij was een fanatieke flagellant. Als geschenk voor zijn kinderen laat hij “een lange gesel” brengen, “met nog enkele bloedspatten op de punten. De koning tilde de zweep op en zei dat het zijn bloed was, maar dat klopte niet. Het was nog bloed van zijn eigen vader, keizer Karel, die zich hiermee regelmatig had gegeseld”. De appel was niet ver van de boom gevallen. Maar de Spaanse trots was verloren gegaan in de kleine landen bij de zee, en zou nooit meer stralen als bij het begin van de ontdekkingsreizen.

Dat kon Van Meerbeeck niet weten of voorspellen. Het ene deel dat verschenen is van de Nederlandsche Mercurius, die nochtans bedoeld was voor een hele reeks, kon ook nog geen afstand nemen om de omwenteling van de 17e eeuw in zijn volheid te begrijpen. Daarom is het goed dat hij in de volkstaal een dagboek achterliet, hoe bevooroordeeld ook, om te beseffen hoe de mens een wolf kan zijn voor de ander. Misschien is de grootste waardering nog door Pieter de Jonge gemaakt: “Vergelijk hem met Geert Mak of Bart Van Loo, geen academisch historicus, maar schrijver voor het brede publiek”. Ik denk dat Adriaan Van Meerbeeck daarmee meer dan vrede zou genomen hebben. Zolang je maar niet raakte aan zijn geloof.

SELEKTE BIBLIOGRAFIE

*Adriaan VAN MEERBEECK, Chronycke van de Gantsche Wereld, ende sonderlinghe van de seventhien Nederlanden. Antwerpen, Verdussen 1620, 1.286 blz.

*Bram DE RIDDER & Joost VAN MEERBEECK, Oproer en Omwenteling. Antwerpen, Ertsberg 2025, 268 blz.

*Bram DE RIDDER & Joost VAN MEERBEECK, “Voor ze de Boeken verbrandden, smeerden ze die vol met Boter”, in: De Lage Landen, 24  november 2025, 6 blz.

*Bram DE RIDDER & JOOST VAN MEERBEECK, “Eerherstel voor vergeten schrijver Adriaan Van Meerbeeck, Oogetuige va een Stormachtig Antwerpen in de 15e Eeuw”, in: Focus Knack, 19 november 2025, 6 blz.

*Pieter DE JONGE, “Antwerpen en de Opstand door de Ogen van Adriaan Van Meerbeeck”, in: Historiek, 6 februari 2026, 5 blz.

*Raf VINCK, “Adriaan Van Meerbeeck, Inwoner van Bornem, en zijn 400 Jaar Oude Boeken in de Abdijbibliotheek”, in: Mededelingen van de Vereniging voor Heemkunde Klein-Brabant, 28 augustus 2024, II: 25-33.

*Jonas ROELENS, “Soms Heeft een Groepswerk Vier Eeuwen Nodig”, in: De Standaard der Letteren, 21 februari 2026.

*Enne KOOPS, “Contrareformatie”, in: Historiek, 17 december 2019, 5 blz.

*Adriaan J. van der Aa, “Adriaan Van Meerbeeck”, in: Biografisch Woordenboek der Nederlanden, Deel XII, Eerste Stuk, A869, s.d.: 483.

*B.A. VERMASEREN, De Katholieke Nederlandsche Geschiedschrijving in de XVIe en XVIIe eeuw over de opstand. Maastricht, Van Aelst 1941: 246-263.

°Raymond FAGEL, “Gascoigne’s The Spoyle of Antwerp (1576) as an Anglo-Dutch Tekst”, in: Dutch Crossing, 41 Nr. 2, 2017: 101-110.

Bij EU rijzen vragen over Oekraïense keuzes

Kiev eert zijn nazicollaborateurs tot woede van Joden en Polen Oekraïne bij de EU? In welke vorm, wanneer? Bij de EU worden allerlei voorstellen op tafel gegooid, waaronder dat…

Peru: links of rechts?

Voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen in Peru, nu zondag 7 juni, is de keuze eigenlijk eenvoudig. Een rechtse kandidaat, Keiko Fujimori, dochter van, en een linkse kandidaat,…

Steun Uitpers!
Steun onafhankelijke internationale analyse. Uitpers.be is een onafhankelijk platform voor kritische duiding van mondiale ontwikkelingen. Scan de QR-code met je bank-app en steun onze werking met een vrije bijdrage

Lees hier meer over