Journalisten in de huid van asielzoekers

Kees Broere (foto’s Svenn Torfinn), Van Accra naar Amsterdam, Afrikaanse migranten op weg naar Europa, Meulenhoff, Amsterdam, 2010, 224 blz. ISBN 0789029085953

Michael De Cock (foto’s: Stefan Vanfleteren), Aller/Retour, de grenzen van fort Europa, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen,2010, 365 blz. ISBN 9789085421719

Waar komen ze vandaan? Wat hebben ze meegemaakt? In welke omstandigheden hebben ze gereisd? Dat zijn enkele van de vragen die Kees Broere en Michael De Cock zich stellen in respectievelijk Van Accra naar Amsterdam en Aller/Retour. Samen met een fotograaf zoeken zij asielzoekers op tijdens hun tocht naar hun Shangri-la dat Europa heet.

 

 

Accra-Amsterdam

“Iedereen is altijd op weg; we zijn allemaal reizigers. En iedereen hoopt, op welke manier ook, van de reis beter te worden: spiritueel of materieel, en wie weet in een geval zelfs beide.” Dat schrijft de Nederlandse journalist en de Volkskrant-correspondent voor Afrika Kees Broere in het voorwoord van Van Accra naar Amsterdam. Deze eerder filosofisch geformuleerde opmerking geldt voor iedereen of je nu in het Noorden of het Zuiden van deze planeet woont. De Afrikaanse migranten die hij in dit boek volgt op hun tocht naar Europa hebben maar één betrachting, namelijk zich materieel te verbeteren, ten koste van alles. Zij willen op korte termijn een bevrediging van hun primaire behoeften. Zij zijn alleen geïnteresseerd in de onderste trap van de behoeftepiramide van de Amerikaanse motivatiepsycholoog Abraham Maslov. Zelfontplooiing en al dat spiritueel gedoe zal hun worst wezen.

Een vogel moet vliegen

Erst das Fressen, dann kommt die Moral. Bertold Brecht zei het al. Of Afrikaanser uitgedrukt: ‘Als een vogel niet vliegt, zal hij hongerig gaan slapen.’ Zo luidt een Ghanees gezegde: als iemand niet bereid is ‘uit te vliegen’, om te reizen en zich elders te vestigen, zal hij zichzelf en zijn familie niet kunnen onderhouden. Het adagio is dus niet reizen om te leren, maar om te leven. Dat is algauw een wereld van verschil. Kees Broere en de fotograaf Sven Torfinn illustreren hoe waar dat adagio is op hun tocht van Accra, de hoofdstad van Ghana, naar één van de Mekka’s van het noorden dat voor sommige Ghanese migranten Amsterdam heet. Zij proberen de aartsgevaarlijke route te volgen van Ghana over Burkina Faso, Mali, Mauretanië, Marokko, Spanje en zo hogerop. Zij slagen er niet in de volledige migratieroute te volgen – daarvoor zien zij er te anders uit, ook al geven ze zich uit voor arme blanke Zimbabwanen.

Zij proberen ‘van binnenuit’ de migrantenodyssee in beeld te brengen, maar de prijs die ze daarvoor moeten betalen aan passeurs staat daar duidelijk buiten. Tijdens hun tocht komen ze immers niet alleen in contact met illegale migranten, maar ook met vertegenwoordigers van de migratiemaffia. Voor deze laatsten is le fric belangrijker dan een mensenleven of het nu wit of zwart is. Hoe gaat nu Kees Broere daarmee om? ‘We komen in contact met mensen die ‘foute’ dingen doen, maar omdat wij de reis willen maken die ook de migranten maken, is het niet aan ons om hun te zeggen dat wij vinden dat ze zich met verkeerde zaken bezighouden.’ (p. 102) Broere doet een grote inspanning om de psyche van de migrant te begrijpen. De geslotenheid en de weigerachtigheid van de migrant om de geestelijke pijn en de wonden die de migratiereis kan veroorzaken te tonen vergelijkt hij met het ritueel van de besnijdenis van jongens, dat in veel Afrikaanse culturen voorkomt. Zij die geen pijn laten zien, bewijzen een man te zijn geworden. Daarover heeft ook Michael De Cock het in Aller/Retour. De reis naar Europa is, naast de materiële motivatie, ook als een ontgroening, een soort coming on age te beschouwen.

Broere verbaast zich ook over de zorgeloosheid bij sommigen van zijn gesprekspartners. Hij verklaart die houding voornamelijk door een gebrek aan kennis over wat het avontuur allemaal kan inhouden. Ook gebrek aan kennis over de eindbestemming. Veel jongemannen hadden zelfs geen idee waar Nederland ergens op de kaart te vinden is. ‘De bestemming die zij zeggen te willen bereiken, is voor hen helemaal geen concreet land, maar vooral een idee.’ (p. 107) Een van hen zegt tegen Broere: ‘Ook als de dingen slechter gaan in Europa, zal het nog altijd het paradijs zijn.’ (p. 150)

Is het einde van die wanhoopsovertochten stilaan in het verschiet? Dat vraagt Broere zich af in een afsluitend hoofdstukje. ‘Nee,’ beweert de Nederlandse onderzoeker Hein de Haas. ‘Zowel Europese als Afrikaanse landen hebben weinig oprecht belang in het stoppen van de migratie, omdat hun economieën afhankelijk zijn geworden van respectievelijk de migratiearbeid en de remittances.’ (p. 222),

Aller/Retour

 

Vrijwel gelijktijdig als Broere-Torfinn werkten auteur/regisseur/acteur Michael De Cock en fotograaf Stephan Vanfleteren aan een gelijkaardig project: gezicht en stem geven aan mensen die te vaak gezicht- en stemloos zijn, zoals De Cock het in zijn inleiding formuleert. De twee journalisten zijn geen neutrale waarnemers. Zij hebben een geëngageerde boodschap mee te delen, zoals ook in het toneelstuk ‘Haven 010’ dat De Cock met materiaal dat hij voor het boek verzamelde, schreef. ‘Ik vind het een schande dat jullie hier zo worden ontvangen.’ En dat meen ik. Af en toe is het goed om klaar en helder te zeggen waar je voor staat,’ zegt hij tegen een van die gelukzoekers die in krakkemikkige bootjes op Malta aanspoelt. De Cock wikkelt zijn woorden niet in diplomatie of voorzichtigheid en dat is goed, behalve allicht voor de Turtelbomen van deze wereld.

Fotograaf en schrijver verplaatsen zich naar de kwetsbare randen van Fort Europa waar een naamloze aanzwellende groep van ‘meerzoekers, anderszoekers, gelukzoekers, nog-niet-vinders, bijna-vinders, meerwillers, anderswillers’ – kortom nieuwkomers, besluit De Cock dan maar – door de steeds fijnere mazen van het verdedigingsnetwerk probeert te kruipen. Hun eerste verblijf is Malta, één der zwakste en vanuit Afrika redelijk makkelijk te bereiken schakels van de Europese Unie. Maar ze gaan ook buiten Europa. Van een oude Brit op Malta krijgen ze de raad om, zoals Broere, over te steken naar de Afrikaanse kust waar alles begint. Op een verlaten kuststrook onder Dakar ontmoeten ze nieuwe lichtingen van vertrekkers. De Cock constateert: ‘We hebben er in Europa geen flauw benul van hoe diep geworteld het verlangen om te vertrekken wel zit. En hoeveel energie en levenslust ermee gepaard gaat. Hoe anders zijn deze jonge mannen in vergelijking met de hoopjes ellende die ik in Malta uit het water zag komen en over de kade zag strompelen.’ (p. 129)

De twee journalisten trekken niet alleen naar het zuiden maar ook naar de oostelijke buitengrenzen van Europa. Zo vergezellen zij daar jonge politiemannen die in de donkere grensbossen tussen Oekraïne en Slovakije illegalen moeten klissen. Maar ook in eigen land zoeken zij asielzoekers op, zoals in de Brusselse Begijnhofkerk waar een langdurige hongerstaking plaatsvindt.

Tussen hongerstakers

Tussen de houding van de hongerstaker en de asielzoeker die altijd maar verder zoekt naar een betere plaats is volgens De Cock een groot verschil. ‘De hongerstaker heeft het zoeken gestaakt. Hij blijft waar hij is, trekt niet meer verder van stad naar land, van schuiloord naar kraakpand, maar kiest voor de ultieme confrontatie met de overheid. Geef mij papieren…of ik honger mijzelf uit.’ (p. 207)

De Cock brengt niet alleen verslag uit over de hongerstaking. Hij is ook als mens uitdrukkelijk aanwezig in dit boek. Hij drukt uit dat hij er niet van houdt dat mensen zich zo vernederen, onderuithalen en verzwakken tot ze niets meer zijn dan een hoopje ellende. ‘Ik hou niet van de praatjes en de voorbereide speeches die de hongerstakers voor je klaar hebben als je een vraag stelt. Voorgeprogrammeerd, ingestudeerd.’ (p. 204) Hij houdt ook niet van ‘politici die zich stoer op de borst kloppen dat ze niet zullen zwichten, terwijl ze als de camera’s niet meer draaien, onderhandelen met de woordvoerders om toch maar een uitweg uit de impasse te vinden.’ (p. 204)

Liefde mét papieren

De Cock en Vanfleteren brengen ook een hele tijd door rond de ‘Tettenbrug’ in Oostende waar heel wat jongens zonder gezicht hun jump in een truck naar Engeland voorbereiden. Daar ontmoet De Cock Mourad le Syrien die wat later Amro Khaled heet en zich ineens omturnt tot Marokkaan (qui est tombé Marocain). Na een lange omweg in het gesloten centrum van Merksplas belandt hij op het einde van het verhaal toch in zijn droomstad Londen. Hij wordt er verliefd op een meisje uit Oekraïne en De Cock voegt er niet echt happy end-achtig aan toe: ‘Een meisje dat zelfs papieren heeft. De liefde is mooi, meneer, maar de liefde met papieren is nog veel mooier.’ (p. 358). Liefde mét papieren is Khaleds persoonlijke antwoord op de vraag in het kinderliedje:

Witte zwanen, zwarte zwanen,

Wie gaat er mee naar Engeland varen?

Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken

Is er dan geen smid in het land

Die de sleutel maken kan?

In de huid van de andere?

Broere en De Cock zijn misschien wel geëngageerde journalisten maar voor sans papiers zijn ze ook zonder meer vervelende pottenkijkers. Dat moet hun positie er niet gemakkelijker op gemaakt hebben. De Cock verwoordt het antwoord van een nieuwkomer zo: ‘Als ik jou vertel hoe wij alles hier doen, en jij publiceert dat, dan maak ik het leven moeilijker voor degenen die na mij komen. Want dan weet de politie dat ook. Het eeuwige dilemma. Schrijf erover en meldt de ellende, en het enige mogelijke effect is vermoedelijk in hun nadeel.’ (p. 260).

Het contact met de andere loopt meestal niet van een leien dakje. Er is niet alleen argwaan, wanhoop en veel grimmigheid. Wie probeert open te staan te staan voor het verhaal van de andere wordt al gauw als punchbal gebruikt om alles op af te kieperen wat als oneerlijk wordt beschouwd. Hoe vaak kreeg De Cock niet te horen: ‘Ik ben geen crimineel en toch worden wij opgesloten… waarom?’

De Cock hengelt dikwijls en vaak tevergeefs naar eerlijke antwoorden van mensen die liefst onzichtbaar willen blijven, niet alleen voor Turtelbomen, maar ook voor goed bedoelende journalisten van wie sans papiers niet weten wat ze met die informatie gaan aanvangen. Die argwaan creëert een barrière waartegen De Cock, maar ook Broere natuurlijk, voortdurend aanbotsten. In het boek van De Cock wordt die muur alleen overschreden door een langduriger contact met Amro Khaled alias Mourad le Syrien dat tot een begin van een duurzame vriendschap kan uitgroeien.

In zijn eerlijke zoektocht ‘om gezicht en stem te geven aan mensen die te vaak gezicht- en stemloos zijn’ stelt De Cock zeer vaak, en waarschijnlijk knarsetandend, stereotiepe vragen waarop hij steevast nietszeggende antwoorden krijgt. Daar ligt de grens. In de huid van de andere kruipen is niet mogelijk. Daarvoor is de uitgangspositie te verschillend. Misschien is dat iets minder het geval bij Broere die zelf al jaren in Afrika woont en met een Afrikaanse is getrouwd. Hij is misschien meer een tussenfiguur, iemand tussen twee continenten, dan De Cock die in de ogen van vele sans papiers te veel als een hinderlijke passant beschouwd werd. Is Aller Retour dan een mislukt boek? Zeker niet. Het is een bijzonder sterk en schrijnend document waarin schrijver, fotograaf én uitgever het beste van zichzelf hebben gegeven. De indringende zwart-wit foto’s van Vanfleteren tillen het persoonlijke verhaal op tot het abstractieniveau van een moedig en soms wanhopig zoekende mensheid die vanuit de zuidkant hun lichamen in de welvaartsmaatschappij proberen te wurmen. Aller/Retour gaat over een wriemelende massa van mannen, vrouwen en kinderen die, zoals in De Cocks toneelstuk ‘Haven 010’, door een Bachiaanse samenzang aan ons, welvaartsstatelingen, laten horen dat zij ook tot de universele mensheid behoren.

Ach wie flüchtig, ach wie nichtig

Wie ein Nebel bald entstehet

Und auch wieder bald vergehet

So ist unser Leben sehet!

Deze Bachcantate wordt gezongen door een twintigtal vluchtelingen. Om kippenvel van te krijgen, zoals ook van sommige passages uit beide boeken.

(Uitpers nr. 124, 12de jg., oktober 2010)

Kees Broere (foto’s Svenn Torfinn), Van Accra naar Amsterdam, Afrikaanse migranten op weg naar Europa, Meulenhoff, Amsterdam, 2010, 224 blz. ISBN 0789029085953

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link: http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=943245&refsource=uitpers

 

Michael De Cock (foto’s: Stefan Vanfleteren), Aller/Retour, de grenzen van fort Europa, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen,2010, 365 blz. ISBN 9789085421719

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link: http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=945513&refsource=uitpers

Print Friendly, PDF & Email
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).