Joseph Fouché: van revolutionair tot hertog

Waarom nu nog een boek heruitgeven dat in 1929 werd geschreven en over een Frans politicus gaat die tweehonderd jaar geleden overleed? Allereerst omdat het portret dat Stefan Zweig (1881-1942) van die Franse politicus Joseph Fouché (1759-1820) schetst, niet alleen het portret van die ene politicus is, maar van menig politicus en van menig menselijk wezen. Maar ook omdat Stefan Zweig, die ook andere schitterende biografieën schreef, bijvoorbeeld van Maria Stuart en Marie Antoinette, in dit boek op meesterlijke wijze verslag uitbrengt over een van de meest woelige periodes uit de Franse en Europese geschiedenis: de Franse Revolutie.

 Joseph Fouché wordt in 1759 in het Franse Nantes geboren als telg uit een familie van zee- en kooplieden. Op zijn twintigste treedt hij toe tot de katholieke kloostercongregatie der Oratorianen. Hij wordt leraar en surveillant, draagt het kloostergewaad en deelt het kloosterleven, maar laat zich nooit tot priester wijden. Dat is typisch voor de eeuwige opportunist Fouché: zich nooit definitief aan iets of iemand binden. Nog als kloosterling wordt hij bevriend met Maximilien Robespierre, de latere leider van de Franse Revolutie. Op zijn dertigste verlaat hij het klooster en is van plan met de zus van Robespierre te huwen. Om onbekende redenen gaat dat niet door. Omdat hij met zijn fijne neus ruikt dat de toekomst in handen van de burgerij (de derde stand na de adel en de clerus) ligt, trouwt hij met de dochter van een rijke koopman. Om zijn toekomstige kiezers (zakenlieden) te behagen stelt hij zich zeer gematigd op (hij schrijft zelfs een document tegen de afschaffing van de slavenhandel) en op zijn tweeëndertigste wordt hij als afgevaardigde van de Conventie (het parlement) verkozen. Bij welke groep sluit hij zich in de Conventie aan? Bij de gematigde girondijnen, gewoonweg omdat die in de meerderheid zijn. Dat wordt (op een uitzondering na) de leidraad in zijn loopbaan: altijd aansluiten bij de meerderheid.

Communistisch manifest

 Als nieuw lid van de Conventie laat Fouché niet veel van zich horen, maar hij bestudeert het politieke spel des te meer. Hij laat tegenstanders het tegen elkaar opnemen en pas als het gevecht beslist is neemt hij een besluit. Die houding houdt hij zijn leven lang vol: nooit (tenzij op het einde van zijn leven) de zichtbare drager van de macht zijn, maar ze wel bezitten; aan alle touwtjes trekken, maar nooit ergens verantwoordelijk voor zijn; altijd achter een voorman staan, die ophitsen en als die te ver gaat hem verloochenen. Wat anderen over hem denken laat hem ijskoud. Als de Conventie op 16 januari 1793 moet beslissen of de afgezette koning Lodewijk XVI al dan niet ter dood veroordeeld moet worden, pleit Fouché samen met de girondijnen en zoals zijn gematigde kiezers willen voor het verlenen van gratie. Maar als puntje bij paaltje komt, stemt Fouché voor de doodstraf, want hij wil niet tot de minderheid behoren die gratie wil verlenen. De eerste van zovele bochten in het leven van Fouché.

Meteen sluit hij aan bij de meest linkse en radicale vleugel in de Conventie: de jakobijnen. Als proconsul gedraagt hij zich in zijn departement van de Loire Inférieure, in Nantes en Nevers en Moulins als een woeste radicaal. Hij publiceert een ‘Instruction’ die Stefan Zweig het eerste communistisch manifest noemt en in zijn ogen van Fouché ‘de eerste pure socialist en communist van de Revolutie’ maakt, al zal Fouché als hij later hertog van Otranto wordt alles verloochenen wat hij in die Instruction schreef. Hierin verdedigt hij iedere geweldpleging als die de Revolutie dient. Het volk is voor hem in de eerste plaats de klasse der armen die het vaderland verdedigen en door hun arbeid de samenleving voeden. Hij roept op het ‘kerkelijk bijgeloof’ te laten varen en burgers te beroven van alles wat ze te veel hebben. Hij heft het celibaat op en verplicht de priesters binnen de maand te trouwen of een kind te adopteren. Hij houdt atheïstische preken, schaft de christelijke begrafenisplechtigheden af en slaat in kerken alles kapot.

 Mitrailleur van Lyon

 Als in 1793 in Lyon een opstand tegen de Revolutie uitbreekt beslist de Conventie dat de stad met de grond gelijk moet worden gemaakt. Fouché en Collot d’Herbois worden naar Lyon gestuurd om orde op zaken te stellen. Gevangen genomen burgers worden op bevel van Fouché niet naar de guillotine gevoerd, omdat die te traag werkt, maar worden aan de lopende band gefusilleerd. Vandaar dat hij ‘le mitrailleur de Lyon’ wordt genoemd. In enkele weken tijd worden 1.600 burgers terechtgesteld. Maar als in de Conventie plots een andere wind waait, maakt Fouché opnieuw een bocht van 180 graden. Hij stopt de executies en schuift de verantwoordelijkheid voor de bloedbaden in de schoenen van zijn collega Collot d’Herbois. Als hij ter verantwoording naar Parijs wordt geroepen smeekt hij Robespierre om vergiffenis. Hij vangt echter bot en er ontstaat een strijd op leven en dood tussen Fouché en Robespierre.

Fouché haalt zijn slag thuis en wordt dankzij zijn gekonkel eenparig tot voorzitter van de jakobijnenclub verkozen. Robespierre is razend. Want zal hij zich nu moeten onderwerpen aan de goede of kwade luim van Fouché en hem de toelating moeten vragen om een toespraak te houden? Dat kan niet en Robespierre slaagt erin Fouché uit de jakobijnenclub te stoten. Het optreden van Robespierre maakt vele jakobijnse afgevaardigden niet alleen bang, maar zet ze ook aan tot verzet tegen de leider van de Revolutie. De twist eindigt met de executie van Robespierre. Nadien gaat Fouché tot ieders verbazing in de Conventie niet aan de kant van de gematigden zitten, die nu toch hadden gewonnen, maar neemt hij zijn vroegere plaats bij de radicalen in. Het wordt de eerste keer dat hij zich niet bij de meerderheid aansluit. Maar zijn optreden in Lyon blijft hem achtervolgen. Er wordt besloten hem te arresteren, maar listig als hij is slaagt hij erin niet onmiddellijk te worden gearresteerd. Weliswaar wordt hij niet meer in de nieuwe Conventie verkozen en gedurende drie jaar verdwijnt hij volledig naar de achtergrond.

Minister van Politie

Aanvankelijk leeft hij in armoede en moet de schrale kost verdienen met het mesten van varkens. Maar spoedig vindt hij een leuk bijberoep: spion van Paul Barras, het hoofd van het vijfkoppige Directoire, de toenmalige regering van Frankrijk. In die periode ontstaat onder ‘revolutionairen’ een nieuwe zeden. Waar onder Robespierre iedere vorm van luxe verboden was, komt het er nu op aan rijk te worden, want geld is macht. Fouché helpt als bemiddelaar anderen rijk worden en vergeet zichzelf niet. En zie, hij wordt gezant van de Franse Republiek in Italië en nadien in de Bataafse Republiek in Holland. In 1799 wordt hij zelfs minister van Politie. Een ideale job voor Fouché die alles over iedereen wil weten. Maar, zo schrijft Zweig, jakobijnen zijn eens ze minister zijn geen jakobijnen (radicale revolutionairen) meer. En in 1929 (!) voegt Zweig eraan toe dat ‘dat ook vandaag de dag nog geldig is voor socialisten’. En het is nog altijd geldig voor de ‘socialisten’ van de eenentwintigste eeuw, die zich nu ‘Vooruit’ noemen.

Fouché laat meteen blijken dat hij een betrouwbaar minister is: orde, rust en veiligheid worden de prioriteiten. De persvrijheid wordt beknot en opruiende redevoeringen worden verboden. En Fouché gaat door tot het bittere einde. Hij sluit letterlijk en figuurlijk zijn jakobijnse club. ‘Met het omdraaien van de sleutel (van het clublokaal) is de Franse Revolutie in feite ten einde’, zo schrijft Zweig. Als minister van Politie controleert Fouché niet alleen het gewone volk, maar ook de hele politieke elite. In alle rangen en standen heeft hij zijn spionnen. Zelfs de echtgenote van Napoleon Bonaparte, Joséphine de Beauharnais, de toekomstige keizerin, maakt deel uit van zijn spionnenkring. Fouché koopt iedereen om en vergeet vooral niet zijn eigen beurs te vullen.

Als Bonaparte op het politieke toneel verschijnt is Fouché er als de kippen bij om de toekomstige heerser en keizer zijn diensten aan te bieden. Meteen beslist hij Paul Barras, voorzitter van het Directoire, te verbannen en al zijn papieren af te nemen. Maar onder druk van zijn familie ontslaat Bonaparte, die ondertussen consul voor het leven is geworden, minister Fouché en het ministerie van Politie wordt opgeheven. In ruil mag Fouché senator worden; hij krijgt de helft van het vermogen van de Politie (één miljoen tweehonderdduizend frank) en wordt bestuurder van het kleine vorstendom Aix dat hem een aardige duit opbrengt. Bovendien koopt Fouché een prachtig huis in Parijs en een zomerhuis in Ferrières, de toekomstige verblijfplaats van de Rothschilds. Binnen de kortste keren wordt de auteur van het eerste communistische manifest de op één na rijkste burger van Frankrijk en de grootste grondbezitter van het land.

Hoewel hij is ontslagen, zet Fouché zijn politiewerk als ‘vrijwilliger’ voort. Wekelijks stuurt hij de eerste consul Bonaparte geheime informaties en steunt hij die in diens pogingen om keizer te worden. En dat levert een beloning op: in 1804 wordt Fouché door Zijne Majesteit Keizer Napoleon opnieuw tot minister benoemd. Fouché die iedereen en alles wil controleren, houdt ook de keizer in de gaten. Dankzij een omgekochte secretaris gaat van iedere belangrijke brief van het kabinet van de keizer een kopie naar Fouché. Voor het overbrieven van alle paleisgesprekken ontvangen tal van lakeien een vergoeding uit de geheime kas van de minister van Politie.

Met en tegen Napoleon

Ondertussen organiseren tal van Europese landen de oorlog tegen Frankrijk. Dat Fouché, die ondertussen ook minister van Binnenlandse Zaken is geworden, zonder medeweten van Napoleon, een inval van de Engelsen kan doen mislukken levert hem goede punten op bij de keizer. Maar dat hij op een bepaald ogenblik de nationale garde onder de wapens roept terwijl nergens een vijand te bespeuren valt, kan niet langer door de beugel. Fouché mag geen minister van Binnenlandse Zaken blijven en wordt opnieuw alleen maar minister van Politie. Om die degradatie enigszins goed te maken verleent Napoleon zijn minister een adellijke titel. De vroegere vijand van de aristocratie wordt nu hertog van Otranto. In die Zuid-Italiaanse regio zet Fouché nooit een voet, maar dat is geen bezwaar, het klinkt goed.

Terwijl Napoleon zijn veroveringen in Europa voortzet, wil Fouché op eigen houtje, zonder en tegen Napoleon, een vrede met Engeland bewerkstelligen. Ook dat kan Napoleon niet slikken. Fouché wordt opnieuw ontslagen, maar ook nu krijgt hij een troostprijs. Hij krijgt de eretitel van staatsraad en wordt ambassadeur in Rome. Als minister van Politie wordt hij opgevolgd door Anne-Jean-Marie-René Savary, hertog van Rovigo. Maar alvorens zijn opvolger in functie treedt verbrandt hij alle belangrijke en geheime documenten, behalve de papieren die hij ooit nog eens als wapen kan gebruiken. Als die plundering wordt ontdekt, wordt het zelfs voor Napoleon te veel. Fouché wordt verplicht zich in Aix terug te trekken. Over de benoeming tot gezant in Rome wordt niet meer gesproken. Er volgt voor Fouché een nieuwe ballingschap van drie jaar.

Tijdens al die jaren wordt Fouché één keer bij Napoleon ontboden. Die wil een oorlog tegen Rusland beginnen en wil hierover de mening van Fouché kennen. Die raadt zo’n avontuur ten zeerste af, maar Napoleon trekt toch naar Rusland om er een smadelijke nederlaag te lijden. Opnieuw maken tal van Europese legers zich klaar Frankrijk binnen te vallen. Omdat Napoleon Fouché voor geen haar vertrouwt, moet die uit Parijs verdwijnen. Eerst wordt hij naar Dresden gestuurd om er de nog te bezette gebieden in Pruisen te besturen. Maar van die bezetting komt niets in huis. Fouché wordt dan benoemd tot stafhouder van Illyrië, een operettestaatje dat uit snippers van Friuli, Karinthië, Dalmatië, Istrië en Triëst bestaat. Dat kunstmatige staatje wordt echter binnen de kortste keren door de Oostenrijkse keizer, op dat ogenblik de schoonvader van Napoleon, letterlijk aan flarden geschoten. Fouché wordt vervolgens naar Napels gestuurd, maar ook Italië valt in handen van de Oostenrijkers. Hij keert dan maar naar Frankrijk terug, maar bij zijn aankomst in Parijs is Napoleon afgetreden, is koning Lodewijk XVIII diens opvolger en wordt onder leiding van Charles Talleyrand een nieuwe regering gevormd waarin geen plaats is voor Fouché.

Hoogtepunt en laatste sacramenten

Dan volgt in 1815 de spectaculaire terugkeer van Napoleon uit zijn ballingsoord Elba. Omdat Lodewijk XVIII de nieuwe toestand vreest, vraagt hij Fouché toch maar om minister te worden. Die vertrouwt het zaakje niet en weigert. Zo’n belediging kan de koning zich niet laten welgevallen. De politie krijgt de opdracht Fouché te arresteren, maar die kan net op tijd zijn huis ontvluchten. De kersverse koning verlaat bij nacht en ontij het land. Als keizer Napoleon opnieuw op zijn troon zit laat hij Fouché ontbieden. Na een gesprek van een uur, waarover niets uitlekt, wordt Fouché voor de derde keer minister van Politie. Napoleon vertrouwt ‘de trouwste van zijn vijanden’ echter niet en laat Fouché door de geheime politie bespioneren. Die politie ontdekt dat Fouché een Oostenrijkse gezant ontvangen heeft die hem een brief overhandigde van de Oostenrijkse kanselier Klemens von Metternich, waarin een bijeenkomst van ‘vertrouwensmannen’ in Bazel wordt voorgesteld. Fouché wordt meteen beschuldigd van hoogverraad.

Maar alweer nemen de zaken een onverwachte wending. Napoleon treedt na zijn nederlaag in Waterloo af en Fouché wordt de voorzitter van een voorlopige regering. Op zijn zesenvijftigste bereikt hij het hoogtepunt van zijn macht en kan hij onbeperkt over Frankrijk heersen. Het kan echter niet gek genoeg worden, want Fouché schuift de macht opnieuw naar Lodewijk XVIII en wordt diens minister van Politie. Onder druk van de royalisten en uiteindelijk van de koning moet Fouché een lijst opstellen van al wie in het verleden al te zeer tegen de monarchie was gekant. Fouché stelt die lijst op. Tal van namen van zijn vroegere kameraden van tijdens de Revolutie prijken erop, de zijne natuurlijk niet. De royalisten en zeker de leden van de koninklijke familie gaan nog een stapje verder. Ze eisen dat de koning de moordenaar van zijn broer, Lodewijk XVI, uit de Tuilerieën, het koninklijk paleis, verjaagt. Uiteindelijk biedt Fouché zijn ontslag aan. Hij wordt gezant aan het Hof van Dresden. Maar het Franse parlement beslist dat de koningsmoordenaar en de mitrailleur van Lyon nooit amnestie zal krijgen en ook zijn functie als gezant verliest.

Vanaf dan wordt Fouché door Metternich voortdurend naar een andere plaats gestuurd. Van Dresden gaat het naar Praag en vervolgens naar Linz en Triëst. Daar aangekomen is hij zo goed als stervende. Maar de vroegere gewelddadige atheïst zal op 26 december 1820 de ogen pas definitief sluiten nadat een priester hem de laatste sacramenten heeft toegediend. Opportunist tot in de kist.

 

– Joseph Fouché  – Uitgeverij IJzer – 252 blz. – 22,50 euro

ISBN

Joseph Fouché – Portret van een politicus
Stefan Zweig
Uitgeverij IJzer
2020
252
 978-90-8684-211-7
Deel dit artikel