Jarige Iraanse islamitische republiek in crisis

In februari 1979 keerde ayatollah Ruhollah Khomeini uit ballingschap terug naar Teheran om er een islamitische republiek te vestigen. Vijfentwintig jaar later verkeert die republiek volop in crisis door een felle politieke confrontatie tussen hervormers en conservatieven.

Een confrontatie, waarin de reformisten rond president Mohammed Khatami een belangrijke nederlaag leden. Uit de gegevens van de eerste ronde van de parlementsverkiezingen op 20 februari blijkt dat er opnieuw een conservatief parlement uit de bus zal komen. Iets wat deels te wijten is aan de diskwalificatie van zowat 2400 hervormingsgezinde kandidaten. En deels aan de desillusie van vele kiezers die niet meer geloven in de kansen van de president en dus maar thuis bleven. Volgens officiële cijfers bedroeg de opkomst slechts 50,5% tegenover 67,35% in 2000.

De crisis, die al begon toen Khatami in 1997 onverwachts tot president werd verkozen, werd zeer acuut op 11 januari 2004 toen de Raad van Wachters – een twaalfkoppig college dat alle wetten en kandidaten bij verkiezingen op hun islamitisch gehalte moet toetsen – meer dan 3.600 van de 8.156 kandidaten, onder wie 80 van de 290 zetelende parlementsleden, voor de parlementsverkiezingen van 20 februari afwees. Zij zouden, aldus de conservatieve Raad, de islamitische waarden niet voldoende respecteren. De hervormers zegden dat dit neerkwam op een soort staatsgreep, op een poging opnieuw een conservatieve meerderheid in het parlement te creëren. Tachtig parlementsleden begonnen meteen een sit-in in het parlement.

Inmiddels kregen, na een vingerwijzing van de opperste geestelijke leider, ayatollah Ali Khamenei, die in 1989 Khomeini opvolgde, een 1200-tal eerder gewraakte kandidaten te horen dat ze toch mochten meedingen naar een zetel.

Een poging van Khatami zijn aanhangers om het laken naar hun kant te trekken door met "driedubbele hoogdringendheid" een nieuwe kieswet te laten goedkeuren door het parlement te laten goedkeuren, mislukte. Onder de nieuwe wet zou de Raad van Wachters zijn bevoegdheid om kandidaten op hun islamitisch gehalte te controleren grotendeels verliezen. Geen wonder dus dat de Raad wet als onislamitisch verwierp.

Clericaal regime

De revolutie van 1979 in Iran tegen de absolutistische monarchie van sjah Reza Pahlavi werd al vlug een conservatieve revolutie. Progressieve medestrijders tegen de sjah zoals de communistische Tudeh en de links-islamitische Volksmodjaheddin werden buiten spel gezet en hun leden in grote aantallen fysiek geliquideerd. Er kwam een klerikaal regime, dat gebaseerd is op de doctrine van de velayat-a-faqih, waaronder de staat dient geleid te worden door de bekwaamste sjiitische geestelijke.

De aan de macht gekomen geestelijkheid, die pas openlijk in verzet was gekomen toen de sjah in 1963 met zijn reformistische "witte revolutie" begon, schafte een aantal hervormingen af zoals de landbouwhervorming, waaronder de geestelijkheid de controle over haar enorm grondbezit had verloren. En de Iraniërs werden onderworpen aan een hele reeks betuttelende zgn. religieuze voorschriften, zoals het verplicht dragen van de chador door vrouwen en strenge scheiding der geslachten, waarvan de naleving scherp wordt gecontroleerd door de revolutionaire wachters, basidji’s (vrijwilligers) en andere parapolitionele groepen.

Ook de Koerden, die gehoopt hadden dat het nieuwe bewind meer oren naar hun verzuchtingen zou hebben dan de sjah, kwamen bedrogen uit. De clerus toonde zich even unitair als de sjah en wilde niets weten van Koerdische autonomie. De feitelijke autonomie, die tot stand kwam tijdens de verwarring van de revolutie, werd met wapengeweld ongedaan gemaakt. Vele Koerden werden terechtgesteld.

De Iraanse machthebbers zijn de Koerdische nationalisten steeds blijven beschouwen als een gevaar. Om dit tegen te gaan, gingen ze zelfs over tot politieke moorden op hun leiders in het buitenland. Op 13 juli 1989 werd de leider van de Koerdische Democratische Partij van Iran (KDPI), Abdul Rahman Ghassemlou, in Wenen vermoord door agenten van de Iraanse geheime diensten toen hij in het geheim wou onderhandelen met vertegenwoordigers van de regering. Op 17 september 1992 werd zijn opvolger, dr. Said Charafkandi, samen met de KDPI-vertegenwoordigers in Frankrijk en Duitsland, vermoord in een restaurant in Berlijn.

Ook pleegde de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken na de Tweede Golfoorlog in 1991 (de eerste was de oorlog tussen Irak en Iran van 1980 tot 1988), geregeld overleg met zijn Turkse en Syrische collega’s over de Koerdische kwestie. Onderwerp van de gesprekken waren de Koerden in Noord-Irak. De drie landen wilden absoluut voorkomen dat hun feitelijke autonomie onder de paraplu van de geallieerden van de Tweede Golfoorlog, zou uitdraaien op onafhankelijkheid of juridisch erkende autonomie. Dit zou immers een "slecht" voorbeeld zijn voor hun eigen Koerden.

Isolement

Na de revolutie van 1979 raakte Iran internationaal in het isolement. Op 4 november 1979 bezetten studenten-aanhangers van de revolutie de Amerikaanse ambassade en gijzelden daar 66 Amerikanen. Ze werden op 20 januari 1980 vrijgelaten, maar de banden met de Verenigde Staten waren bijna onherstelbaar beschadigd. Verder stootte het islamitisch bewind vele landen af door zijn uitgesproken wil om de revolutie uit te dragen en de "corrupte regimes" aan de Golf omver te werpen. Dat was één van de redenen waarom de Iraakse president in 1980 een oorlog begon tegen Iran – met steun van het Westen en van de zich in hun bestaan bedreigd voelende Arabische monarchieën op het Arabisch schiereiland.

De vernielingen die de revolutie en de oorlog meebrachten leidden tot een sterke sociale en economische achteruitgang. Dit terwijl de buitenwereld niet meer wenste te investeren in het revolutionaire land. De achteruitgang werd nog versterkt door de demografische explosie na de revolutie. De mollahs verwierpen geboortebeperking zodat de bevolking van toen zowat 35 miljoen mensen nu is aangegroeid tot minstens 70 miljoen. Zelfs voor de clerus te veel, want al jaren wordt geboortebeperking aangemoedigd en wordt zelfs abortus toegestaan in een aantal gevallen.

Er gingen dus stemmen op voor toenadering met het Westen. Nog onder Khomeini braken er ruzies uit tussen pragmatici die bv. toenadering tot de Verenigde Staten wilden om investeringen in de olie- en gasindustrie aan te trekken. Khomeini moest meermaals tussenbeide komen. Meermaals gaf hij de pragmatici gelijk. Wat niet verwonderlijk was: hijzelf maakte in 1988 een einde aan de oorlog met Irak toen hij zag dat hij die niet kon winnen en dat die het land ondraaglijk veel kostte.

Onder zijn opvolger, Ali Khamenei, is het tij gekeerd ten gunste van de conservatieven. De macht is stevig in handen van de opperste geestelijke leider, Khamenei, en van de door hem benoemde conservatieven van de harde lijn in de Raad van Wachters, in het gerechtelijk apparaat en in de geheime diensten.

Enige hoop wekte hojatalislam Hashemi Ali Akbar Rafsanjani, de rechterhand van Khomeini, die in 1989 tot president werd gekozen en dat twee ambtstermijnen bleef tot in 1997. Hij was een pragmaticus die opkwam voor gematigdheid en economische liberalisering. In eigen land wist hij de doctrinaire voorstanders van de harde lijn, die Iran in de buitenwereld een slechte naam hadden bezorgd, uit hun machtsposities te wippen. Hij werkte met succes aan de normalisatie van de relaties met Europa – voor de VS was het nog te vroeg. Uiteindelijk echter bleek Rafsanjani geen hervormer, maar een gematigd conservatief, die als clericus aan de macht de islamitische republiek wilde consolideren en dat doel niet in gevaar wou laten komen door heethoofden.

Onverwachte reactie

In 1997 kwam er een einde aan het mandaat van Rafsanjani. Onder de Iraanse wet kan een president slechts twee ambtstermijnen functioneren. Vrij algemeen werd verwacht dat de conservatieve parlementsvoorzitter Ali Akbar Nateq-Nouri hem zou opvolgen. Maar tegen de verwachting in werd hij verslagen door Mohammed Khatami, een voormalig minister van Cultuur, die eerder had moeten opstappen wegens zijn al te liberale ideeën. Hij was vooral populair bij de jeugd en de vrouwen. Die verwachtten van hem dat hij de teugels zou vieren wat betreft de islamitische regels zoals de klederdracht en de vrijheid van meningsuiting. De triomf van Khatami kreeg een vervolg in de gemeenteraadsverkiezingen van februari 1999 en in de parlementsverkiezingen van februari 2000, waarin de president de conservatieve meerderheid wist te breken en een hervormingsgezind parlement achter zich kreeg. Op 8 juni 2001 werd Khatami met een overweldigende meerderheid als president herkozen.

Maar vorig jaar leek het elan gebroken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart lieten de Iraniërs het massaal afweten, 85% ging niet meer stemmen. De teleurstelling was duidelijk: niemand geloofde nog dat Khatami iets zou kunnen veranderen. De desillusie bij de jeugd, de grote meerderheid van de Iraniërs, die de revolutie niet meemaakte en geen boodschap heeft aan haar idealen, was zo groot dat zelfs in stilte gehoopt werd dat de Amerikanen na hun zege in Irak ook in Teheran het regime zouden komen omverwerpen. Ook in Egypte, waar president Hosni Mobarak sedert 1981 de plak zwaait met behulp van uitzonderingswetten en de noodtoestand, werden dergelijke wanhopige geluiden opgevangen.

De reden van de wanhoop is evident: Khatami was en is een machteloos president. Tegen de reactie van het volk in 1997, kwam er onmiddellijk een tegenreactie van de conservatieven. De ene krant na de andere werd gesloten. Iedereen die openlijk kritiek had op het regime (journalisten, schrijvers, hervormers…) ging achter de tralies. Revolutionaire wachters en basidji’s werden uitgestuurd om studentenbetogingen uiteen te slaan en met geweld de islamitische leefregels te doen respecteren. De in het parlement door de hervormers goedgekeurde wetten voor liberalisering van de perswet, over vrouwenrechten en ter beperking van de bevoegdheden van de politie en het gerecht, werden vernietigd door de Raad van Wachters. Khatami zelf werd er geregeld moedeloos van. Al in 2001 dacht hij eraan zich geen kandidaat te stellen voor een tweede presidentiële ambtstermijn. Ook dit jaar is met de gedachte gespeeld van ontslag, waarbij de hervormingsgezinde ministers zouden volgen. Maar dit ging niet door, want dan zou men het veld overlaten aan de conservatieven.

Gematigden en hardliners

De conservatieven zijn allerminst één blok. Rafsanjani bv. was een pragmaticus, die niet akkoord kon gaan met de aanhangers van de harde lijn, die principieel tegen elke verandering en gematigdheid zijn. De geestelijke leider Ali Khamenei kan tot het kamp van de gematigd-conservatieven worden gerekend, dit wil zeggen tot het kamp dat het huidig systeem van islamitische republiek wil handhaven maar, zeker wat de relaties met de buitenwereld betreft, tot soepelheid bereid is.

De gematigden hebben overigens de laatste maanden laten zien dat zij het in belangrijke dossiers voor het zeggen hebben en niet op ideologische zuiverheid staan. Het was bv. Hassan Rohani, de voorzitter van de Hoge Nationale Veiligheidsraad, en niet de regering van president Khatami, die onder druk van Europa besloot in te binden wat betreft het al dan niet vermeende kernwapenprogramma van Iran. Tot grote woede van de hardliners.

Niet minder belangrijk is ook de onmiskenbare toenadering met de Verenigde Staten. De aardbeving te Bam op 26 december, die aan meer dan 30.000 mensen het leven kostte, was hier de katalysator. Voor het eerst sinds 1980, toen onder president Bill Clinton een mislukte poging werd ondernomen om de gijzelaars in de Amerikaanse ambassade te bevrijden, landden er Amerikaanse militaire vrachtvliegtuigen in Iran. Ook mochten er 80 Amerikaanse hulpexperts het land binnen.

Het initiatief werd genomen door de VS die eerder al pogingen deden om de relaties met Iran te verbeteren. Denken we maar aan de geheime Amerikaanse wapenleveringen in 1985, die tot het Iran-Contra-schandaal leidden. Onder de sjah was Iran de voornaamste Amerikaanse basis in het Midden Oosten. Het land blijft met zijn grote bevolking, zijn olie en gas en zijn strategische ligging een niet te negeren land en belangrijk voor de toekomst en stabiliteit van de regio.

De pogingen tot toenadering kregen een flinke klap toen president George Bush jr. plots met zijn "as van het kwaad", waarvan Iran een deel zou zijn, naar buiten kwam. Maar ondertussen lijkt men zich wel bewust van het feit dat men het regime niet omver zal krijgen via radio-uitzendingen en steun aan de monarchisten rond de zoon van de sjah. En, niet minder belangrijk, Washington weet dat Iran heel wat invloed heeft bij de sjiieten in Irak, die dreigen in opstand te komen als er geen algemene verkiezingen komen.

Iran zelf heeft ook belang bij betere relaties. Het regime voelt zich immers omsingeld sedert Amerikaanse troepen in Afghanistan en in Irak de dienst uitmaken. En het zou economisch veel baat hebben bij de opheffing van de Amerikaanse sancties. Maar toen Washington wat te ver wilde gaan door een hoge delegatie naar Iran te sturen met onder meer senator Elisabeth Dole en een verwant van president Bush, was het antwoord "nee". Het was te veel en te vroeg. Opvallend was wel dat een felle anti-Amerikaanse tirade van ayatollah Ahmad Jannati, de machtige voorzitter van de Raad van Wachters, een week na de aardbeving, niet werd uitgezonden door de staatstelevisie.

In dezelfde lijn zit ook de toenadering met Egypte. Om die mogelijk te maken werd in centraal Teheran een straat herdoopt, die genoemd was naar Khaled Islambouli, de man die de Egyptische president Anwar Sadat in 1981 vermoordde.

Een kwarteeuw na de revolutie staat Iran op een keerpunt. Er is een sterke stroming die verandering wil, af van de klerikale betutteling, en daarom Khatami tot president verkoos. Maar de meerderheid van de geestelijkheid – ook Khatami is, evenals alle leiders op belangrijke posten, een lid van de sjiitische clerus – wil het huidige systeem en de macht behouden. Zij heeft met de verkiezingen een belangrijke slag gewonnen. Verwacht kan worden dat zij, in het spoor van Rafsanjani, enkele al te radicale elementen op een zijspoor zal zetten om wat stoom af te laten. In de hoop dat dit voldoende zal zijn om de ontevreden bevolking te sussen.

(Uitpers, nr. 51, 5de jg., maart 2004)

Eerdere artikels over Iran in Uitpers:

  • Freddy De Pauw. Iraanse mollahcratie op neoliberale toer. Nr. 44, juli-augustus 2003.
  • Paul Vanden Bavière. Khatami, een populair maar machteloos president? Nr. 21, juli-augustus 2001.
  • Paul Vanden Bavière. Khatami erkent onmacht. Nr. 16, februari 2001.
  • Paul Vanden Bavière. Iraanse conservatieven in de tegenaanval. Nr. 9, juni 2000.

Visited 8 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).