Ivoorkust: de etnisch-economische spagaat

Deze maand verlengde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties het mandaat van de vijfduizend man sterke vredestroepenmacht in Ivoorkust. Na de bloedige burgeroorlog bewaken de vijfduizend Franse en West-Afrikaanse soldaten het zeer fragiele staakt-het-vuren dat in mei dit jaar te Marcoussis werd afgesloten.

Het geweld laaide op in september vorig jaar en escaleerde tot een bloedige burgeroorlog tussen de regering-Gbagbo en de rebellen uit het noorden. Deze crisis is zondermeer het gevolg van een complexe etnisch-religieuze verdeel-en-heers- politiek die gepaard gaat met een algemene economische aftakeling.

Verdeel en heers

Ivoorkust werd als voormalige Franse kolonie onafhankelijk in 1960. Net zoals verschillende andere Afrikaanse landen erfde het binnen de geforceerde staatsgrenzen een zeer heterogene samenleving. Er bestaan een tiental belangrijke etnische groepen. Net zoals Nigeria valt het land ook onder te verdelen in een christelijk zuiden en een quasi islamitisch noorden dat thans vooral bewoond wordt door migranten uit Burkina-Faso, Mali en Guinee. Het zijn deze breuklijnen die vier decennia lang politiek zouden worden geëxploiteerd.

In 1957 werd Félix Houphouët-Boigny door de Franse overheid aangeduid als voorzitter van de grondwetgevende vergadering van Ivoorkust. Drie jaar later werd Boigny, alias ‘de krokodil’, dan verkozen als eerste president. Tijdens zijn opportunistische één-partij-bewind evolueerde Ivoorkust tot een staat met een betrekkelijke stabiliteit, uiterlijk althans. Onder curatele van Frankrijk wel te verstaan. Het is geen geheim dat de Ivoriaanse ministers werden geïnstrueerd door invloedrijke ambtenaren en diplomaten op quai d’Orsay. Strategische functies en de belangrijkste economische troeven bleven eveneens in handen van de Fransen.

Onder het paradigma dat de etnische Akan voorbestemd zouden zijn de macht te dragen, zocht Boigny steun bij de belangrijkste stam uit deze etnische groep: de Bauolés. Uit deze gemeenschap rekruteerde hij bijvoorbeeld drieduizend soldaten voor een militie onder eigen commando. Via een uitgebreid patronagenetwerk van stamhoofden kocht hij ook de getrouwheid af van de meeste andere belangrijke bevolkingsgroepen. Desondanks kwam het verschillende keren tot zware interne conflicten. In 1969 contesteerde de koning van de Agnis, een etnische groep in het westen, de legitimiteit van Boigny en pleitte voor een aansluiting bij Ghana. Boigny reageerde prompt door enkele honderden soldaten ter plaatse te sturen en de opstand met geweld te onderdrukken. Een jaar trachtte Kragbé Gnagbé, de chef van de Guébié, een eigen politieke partij op te richten. Ook in dit geval werd gereageerd met een repressief militair optreden. Tien dorpen werden verwoest en meer dan vierduizend Guébié kwamen om.

Ondanks de superioriteitspolitiek van de Akan, ook Akanité genoemd, wist Félix Houphouët-Boigny de meest invloedrijke etnische entiteiten te verenigen door een gemeenschappelijke rivaal te creëren. Dit werden de drie miljoen migranten die vooral in het noorden van het land leefden. Ze gingen door voor ‘Ivoiriens douteux’ en konden bijgevolg geen enkele aanspraak maken op politieke rechten. Men weigerde hen de Ivoriaanse nationaliteit hoewel de grondwet dat na vijf jaar verblijf in het land mogelijk maakte. Daarnaast speelde de autochtone elite ook handig het katholicisme uit als bindmiddel van de bevolkingsgroepen in het zuiden. Zo voorzag men een fonds voor christelijk onderwijs, terwijl islamitische scholen in het noorden op geen enkele manier op betoelaging konden rekenen. Verder werden katholieke ceremonies en feesten uitvoerig uitgezonden op de staatstelevisie en erkende de regering uitsluitend katholieke feestdagen. Symbolisch werd ook gestart met het bouwen van een gigantische kathedraal in de hoofdstad Yamoussoukrou, geïnspireerd op de Sint-Pieter te Rome. Het zuidelijke deel van Ivoorkust kon ook aanzienlijk meer profiteren van de economische groei ten opzichte van het hoofdzakelijk islamitische noorden. Enkel via contacten met de islamitische leiders en noordelijke stamhoofden, kon men grootschalige onlust voorkomen. Het is deze discriminatie op basis van religie en nationaliteit, dit concept van Ivorité, dat als oorzaak van de recente spanningen beschouwd kan worden.

In 1993 overleed president Houphouët-Boigny. Hij werd opgevolgd door zijn dauphin Henry Bedié. Onder zijn bewind werd de economie op recept van de Bretton Woordinstellingen via Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP) grondig geliberaliseerd. Deze maatregelen deden hem ondermeer door een toenemende werkloosheid en corruptieschandalen in ongenade vallen bij een groot deel van de bevolking. Vanaf dit moment werd Alassane Ouattara, een voormalig eerste minister en technocraat bij het Internationale Muntfonds (IMF), als vertegenwoordiger van de allochtone gemeenschap de belangrijkste uitdager van de Ivorité-politiek. De regering voerde echter aan dat Ouattara ten onrechte tot de Ivoriaanse nationaliteit genaturaliseerd was en vaardigde een internationaal aanhoudingsbevel uit waardoor hij politiek buiten spel werd gezet.

Zes jaar later pleegde generaal Robert Gueï een staatsgreep. Bedié vluchtte het land uit. Onder zijn militaire junta werd het leger grondig gezuiverd van ontrouwen. De verzoeningpogingen met het RDR, de partij van Ouattara, liepen spaak tijdens een referendum over een nieuwe grondwet die het niet-Ivorianen onmogelijk bleef maken deel te nemen aan presidentsverkiezingen. Negen maanden na zijn aantreden organiseerde het militaire regime in 2000 presidentsverkiezingen. Wanneer Gueï zichzelf na de stembusslag tot winnaar uitriep, barstte een grootschalige volksopstand los in de grootsteden en moest hij vluchten naar het buitenland.

Met de steun van Frankrijk werd de belangrijkste oppositiekandidaat Laurent Gbagbo vervolgens aangesteld tot nieuw staatshoofd. Hij zette zondermeer verder het xenofobe Ivorité-discours voort. Identiteitskaarten werden zo vijftien keer duurder voor genaturaliseerde migranten, hij gaf de toestemming ingeweken Burkinabese en Malinese landbouwers van hun velden te verjagen en om vluchtelingennederzettingen in de sloppenwijken van Abidjan met de grond gelijk te maken. Amnesty Internationaal maakt ook gewag van het elimineren van politieke tegenstanders en het werd Ouattara opnieuw verboden deel te nemen aan verkiezingen, deze keer voor het parlement. Zijn poging om onder het mom van budgettaire redenen ook het leger te herstructureren vormden de aanleiding tot het uitbarsten van het geweld in september vorig jaar. Na de ministeries van veiligheid en defensie en de functie van stafchef te hebben toegekend aan leden van zijn eigen Béte-etnie maakte Gbagbo werk van het zuiveren van de troepen. De jonge soldaten die werden gerekruteerd onder Gueï en anderzijds ook de militairen uit het noorden werden prompt uit het leger gezet.

Op 19 september 2002 brak er bijgevolg muiterij uit in de gendarmeriebases van Abidjan en Bouake. Dezelfde dag nog werden enkele hoge legerofficieren uit de entourage van Gbagbo uit de weg geruimd. De opstand verspreidde zich in sneltempo. Drie rebellenbewegingen, Le Mouvement populaire ivoirien du Grand Ouest (MPIGO), Le Mouvement pour la justice et la paix (MJP), en Le Mouvement Patriotique de Côte d’ Ivoir (MPCI), hoofdzakelijk bestaande uit allochtonen gesteund door hun landen van herkomst, Burkina-Faso en Liberia, bezetten begin dit jaar de helft van het land.

Van september vorig jaar tot juli kwamen naar schatting drieduizend mensen om, 1,5 miljoen sloegen op de vlucht. Door systematische verkrachtingen lijkt in Ivoorkust na het geweld ook het Aidsvirus aan een dodelijke opmars begonnen. Op economisch vlak is de productie van cacao volledig stilgevallen wat leidt tot zware inkomstenverliezen. Ondanks de amnestie voor de rebellen die begin augustus werd afgekondigd en het feit dat verschillende oppositieleiders nu deelnemen aan de regering, blijft het wantrouwen groot. Geen van de strijdende partijen is tot dusver van start gegaan met ontwapenen. Door clandestiene handel vanuit de buurlanden zijn tienduizenden stuks lichte wapens over Ivoorkust verspreid geraakt. Er gaat ook geen week voorbij zonder demonstraties waarbij jonge volwassenen hun misnoegdheid uiten over het Franse vredesplan en over de massale werkloosheid en armoede.

Globalisering en geweld

Na de onafhankelijkheid opteerde president Boigny voor het zogenoemde ‘libéralisme ouvert sur l’ extérieur avec une intervention direct de l’Etat.’ Als koloniale nalatenschap bleef de economie van Ivoorkust sterk afhankelijk van de export van landbouwgewassen: cacao, koffie en katoen. De plantages werden geëxploiteerd door Franse bedrijven en door staatsbedrijven. Veertig procent van de opbrengsten werden via allerlei heffingen doorgesluisd naar de staatskas. Ze stelden president Boigny en consorten in staat patronagenetwerken te financieren die de getrouwheid van de elite van de verschillende etnische groepen en aanvankelijk ook de migrantengemeenschappen af te kopen.

Het staatskapitalisme leidde vanaf begin jaren zestig tot 1976 tot een gemiddelde jaarlijkse groei van het bruto nationaal product van negen procent. Economen gingen dan ook al snel spreken van een ‘milracle ivoirien’. In werkelijkheid impliceerde deze organisatie een aantal belangrijke structurele problemen. De inwijkelingen uit de buurlanden maakten al snel twee derde uit van het totale aantal plantagearbeiders en maar liefst een vierde van de Ivoriaanse bevolking. De belastingsopbrengsten werden door de overheid echter bijna uitsluitend geïnvesteerd in de zuidelijke regio die vooral bewoond werd door autochtone Ivorianen zoals het nieuwe economische hart: de zeehavenstad Abidjan. De hoofdzakelijk exportgerichte primaire economie bleef ook sterk afhankelijk van de fluctuerende internationale grondstoffenprijzen en van de verhoopte industriële groei kwam nauwelijks wat terecht.

In 1979 startte een recessie doordat de prijzen van cacao en koffie kelderden en de oogsten grotendeels mislukten door een langdurige droogte. Vanaf dit moment startten doorgedreven schuldherschikkingen door de Club van Parijs en de Bretton Woods instellingen. Frankrijk alleen al pompte in 1994 en 1995 respectievelijk 1,4 en 1,1 miljard dollar in de Ivoriaanse economie. Gaandeweg werd er een eerste zeer doorgedreven fase van privatisering en liberalisering ingeluid. Onder Bedié leidde een stijging van de cacaoprijzen en een devaluatie van de CFA tot een korte heropleving. Na 1998, de periode van de staatsgreep door Robert Gueï, volgde echter opnieuw economische aftakeling die blijft duren tot vandaag.

Tijdens de jaren negentig mondden de opeenvolgende economische crises uit in een sociaal slagveld. Gedurende de periode van 1989 tot 1999 daalde het inkomen per capita van duizend dollar in 1980 tot 670 dollar in 2000 en kende het bruto nationaal product een negatieve groei van 0,2 procent. Ondermeer door de SAP’s steeg door afslankingen van staatsbedrijven de werkloosheid wat leidde tot een sterk verarmde stedelijke bevolking. Het aantal armen in de landelijke gebieden verdrievoudigde en nam in het belangrijkste economische centrum, Abidjan, toe met 15,8 procent. Een bijkomend gegeven was dat de oude cacaobomen van de autochtone bevolking stilaan minder vruchten begonnen te dragen terwijl de jongere stammen die in de tachtiger jaren geplant werden door vooral de Burkinabés meer vruchten afleverenden en dus een zware concurrentie betekenden. In dit licht moet zeker de wetswijziging van 1998 gezien worden die niet-Ivorianen verbood grond te bezitten

De Franse connectie

In februari trokken duizenden mensen door de straten van Abidjan. Ze scandeerden tegen de aanwezigheid van Franse troepen die de rebellen zouden bewapenen en vooral tegen de vermeende bemoeizucht bij het bepalen van toekomstige presidentskandidaten. De rebellen beweerden dan weer dat de militairen het overheidsleger steunden. Van oudsher is er in Ivoorkust een Franse marinebasis aanwezig. Vandaag houden een drieduizendtal infanteristen en Légionairs toezicht op de uitvoering van het staakt-het-vuren.

Het is hoe dan ook de verdienste van de Franse diplomatieke inspanningen dat er op dit moment een vredesakkoord bestaat. De Franse tussenkomst kan door een aantal factoren verklaard worden. Ten eerste wil Frankrijk opnieuw aan politieke invloed winnen in de Francophonie Africaine. Er zijn immers kapers op de kust Zowel Groot-Brittannië na bijvoorbeeld haar interventie in Sierra-Leone als de Verenigde Staten (zie verder) tonen opnieuw interesse in het continent, zij het meestal uitsluitend in de economische troeven.

De Franse economische belangen in Ivoorkust zijn aanzienlijk. Tienduizend Fransen zijn er tewerkgesteld en grote bedrijven zoals Bouygues, Bolloré en France Télécom hebben geprofiteerd van de privatiseringen en bezitten quasi monopolies in de energie-, telecommunicatie- en mediasector.

Wonderland

Discriminatie en favoritisme hebben samen de economische marginalisering, die een typisch kenmerk is van de impact van globalisering op Afrika, Ivoorkust in een diepe afgrond gestort. Op economisch vlak was het land een ‘wonderland’ dat naar de mening van het IMF en de Wereldbank kon doorgaan als modelvoorbeeld. Waar men echter aan voorbijging, is het feit dat geweldige economische macroresultaten een structurele politieke en etnische chaos maskeerden.

(Uitpers, nr. 46, 5de jg., oktober 2003)

J.Holslag is lid van de werkgroep Conflictpreventie en Internationale Veiligheid PCV

Dit artikel verscheen eerder in Vrede.Tijdschrift voor internationale politiek. 46e jg., nr. 363, september-oktober 2003, blz. 18-20.

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 115 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook