Israël: ‘Met deze man wordt het niet anders’

Sinds de vroege ochtend van 10 november heeft de Israëlische ‘Arbeiderspartij’ een nieuwe leider. Amir Peretz, de drieënvijftigjarige leider van de Israëlische vakbondscentrale Histadrut en zoon van een Marokkaans immigrantengezin, nam de handschoen op tegen de tweeëntachtig jarige politieke veteraan, vice-premier in het huidige kabinet van Ariel Sharon, ex-premier, ex-minister van Buitenlandse Zaken en grondlegger van de Israëlische wapenindustrie, Shimon Peres. Het eerste wat Peretz deed was de coalitieregering van generaal Ariel Sharon opblazen.

De honderdduizend leden van de Israëlische sociaal-democratische Labourpartij gaven Peretz 42,35% van de stemmen, Peres moest zich tevreden stellen met 39,96% en een derde kandidaat, Benyamin Ben Eliezer, minister van Infrastructuur in de regering Sharon, werd uitgeteld met 17,5%. Peretz maakte een voortijdig einde aan de coalitieregering van generaal Ariel Sharon. In deze regering van nationale eenheid had de Arbeiderspartij zichzelf tot een verregaande staat van ontbinding gevoerd. De vraag is alleen of Amir Peretz over het talent beschikt om een lijk te reanimeren.

De kersverse Labourleider zorgde meteen voor zijn twee eerste wapenfeiten. Op 12 november was hij de vedette toen hij in Tel Aviv 200.000 Israëliërs toesprak op de herdenking van de moord op Yitzhak Rabin, de man die in 1993 met de Palestijnse leider Yasser Arafat de akkoorden van Oslo had bezegeld. Er was ook een officiële herdenkingsdienst voor de vermoorde ex-premier en generaal. En daar was veel ‘schoon’ volk. De foto stond in alle binnen- en buitenlandse kranten: op de tribune op de eerste rij hadden Bill Clinton en zijn ambitieuze eega Hillary postgevat. Op de tweede rij zat een nukkig kijkende Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, tussen haar voormalige republikeinse collega James Baker en een ingedommelde oude man, de Israëlische premier Ariel Sharon, die in 1995 met een maandenlange haatcampagne tegen Rabin het klimaat had geschapen waarin een nooit eerder vertoonde politieke moord kon gedijen. De herdenkingsplechtigheden waren voor Amir Peretz de bevestiging van zijn nieuw leiderschap over de Arbeiderspartij en de erkenning dat hij voortaan een volwaardig kandidaat is voor het Israëlische premierschap.

Op 21 september kondigde Peretz aan dat zijn partij de regering van nationale eenheid verliet. Dat was het einde van de regering Sharon. Op 28 maart 2006 komen er nieuwe verkiezingen, waarbij Amir Peretz het voornamelijk zal moeten opnemen tegen generaal Sharon, die inmiddels zijn eigen Likoedpartij heeft verlaten om een nieuwe, eigen formatie op te richten. Aanvankelijk zou Sharons nieuwe partij “Nationale Verantwoording” heten. Een dag later werd die naam veranderd in “Vooruit” (Kadima in het Hebreeuws). Sharons communicatiespecialisten hadden hem wellicht ingefluisterd dat een modern politicus in 2006 geen verkiezingen kan winnen met een voorhistorische partijnaam. Sharon was het geterg van een aantal van zijn Likoedmedestanders (aangevoerd door zijn grote rivaal en ex-premier Benyamin Netanyahu) grondig beu. Een belangrijk deel van de Likoedleiders en -achterban kon de terugtrekking van de Israëlische troepen en kolonisten uit de Gazastrook niet verteren. En Sharon slaagde er niet in om dit manoeuvre te verkopen voor wat het werkelijk was: een meesterlijk, strategische zet om het wezen van de Israëlische kolonisering van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem voor eens en altijd veilig te stellen. Het behoud van een handvol kolonies en enkele duizenden kolonisten in Gaza kon hier volgens Sharon onmogelijk tegen opwegen.

Nieuwe euforie en ‘newspeak’

In Israël werd er met een collectieve aanval van euforie gereageerd op de politieke aardverschuiving en de verkiezing van Amir Peretz tot nieuwe Labourleider. Yediot Aharonot, Israëls populairste dagblad, huurde zelfs de gevierde zanger Chlomo Artzi in om een hoofdartikel te plegen. “Wees onze nieuwe Rabin!”, schreef de artiest en “Dank u, Amir Peretz. Er bestaat nog hoop op vrede in dit land”. Op hetzelfde ogenblik denderden Israëlische tanks en legervoertuigen zoals gewoonlijk door de straten van de bezette steden op de Westelijke Jordaanoever, werden er Palestijnse verzetslui neergekogeld of gearresteerd en kwam het aan de Israëlisch-Libanese grens tot een dagenlang treffen tussen Israëlische soldaten en strijders van Hezbollah, waarbij een tiental Libanese doden viel.

De Israëlische euforie sloeg ook snel over naar de redacties van kranten, persagentschappen, radio- en televisiestations in het buitenland. Bij ons wijdde De Morgen op maandag 14 november, twee dagen na de grote herdenkingsmanifestatie en de triomf van Amir Peretz in Tel Aviv, zijn hoofdartikel aan de “nieuwe situatie” in Israël. Editorialist Koen Vidal opende zijn stuk met de kop: “Wordt het met deze man anders?”

Blijkbaar was hij er zich van bewust dat het opletten geblazen was om al te enthousiast het wierookvat te zwaaien. “Neen, dit is geen aanhef van een hagiografie. Evenmin een uiting van voorbarige hoop,” zo schreef hij. “Maar in Israël loopt een politicus rond die de jongste dagen uitspraken deed die haaks staan op het oorlogsdiscours dat we de laatste jaren te veel hebben gehoord en dat voor te veel haat en doden zorgden. De man heet Amir Peretz en werd vorige week gekozen tot de nieuwe leider van de Arbeiderspartij.” Vidal zette zijn vreugdedansje verder: “Peretz’ persoonlijkheid is een mix van een aantal kwaliteiten die in Israël en het Midden-Oosten voor vooruitgang kunnen zorgen. Ten eerste is de nieuwe Labourleider een uitgesproken vredesduif. Het eerste wat hij na zijn verkiezingsoverwinning deed, was naar het graf van de vermoorde Yitzhak Rabin stappen om er deze boodschap te verkondigen. “Een vredesakkoord met de Palestijnen is voor mij een absolute prioriteit. Wij zullen niet rusten vooraleer we een langdurig akkoord met de Palestijnen bereiken dat onze toekomst en die van onze kinderen veiligstelt en ons opnieuw hoop geeft om in een regio te leven waar mensen samenwerken in plaats van – God behoede ons – bloed te vergieten”. Toegegeven, het is niet de eerste maal dat een Israëlische politicus zo’n belofte lanceert. Maar: de huidige premier Ariel Sharon zou zulke woorden niet over zijn lippen krijgen. Wat was het lang geleden dat dat soort woordenschat werd gebruikt in het land waar momenteel een nieuwe Berlijnse muur tussen twee bevolkingsgroepen wordt gebouwd.”

Het is de journalist van De Morgen niet ontgaan dat Israëlische politici van Orwelliaanse ‘newspeak’ hun handelsmerk hebben gemaakt, ongeacht ze verkozen zijn voor Likoed of Labour. Al vijftien jaar lang houden ze de wereld voor het lapje, praten ze over “vrede” en noemen ze de genadeloze oorlog en repressie tegen de Palestijnen en de verdere kolonisatie van de Palestijnse gebieden “het vredesproces”. Het ontgaat Vidal echter volkomen dat ook het nieuwe uithangbord van Labour, Amir Peretz, de discipline van de ‘newspeak’ volkomen beheerst. Luisteren we nog eens even naar de woorden die hij op het graf van Rabin uitsprak. Peretz wil “opnieuw leven in een regio waar mensen samenwerken in plaats van – God behoede ons – bloed te vergieten”. Opnieuw? Heeft de staat Israël (met zijn opeenvolgende regeringen) sinds zijn ontstaan op 15 mei 1948 dan ooit willen leven in een regio van peis, vree en samenwerking onder de volkeren en staten? En zijn de opeenvolgende oorlogen die het Israëlische leger in de regio heeft gevoerd al definitief uit het collectieve gewist? De Suezoorlog van 1956, de junioorlog van 1967 met de bezetting van heel het grondgebied van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina, de Arabisch-Israëlische oorlog van 1973, de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon in 1978, de moorddadige invasie van Libanon en de 88 dagen durende bombardementen op Beiroet in 1982 waarmee Sharon de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) definitief wilde liquideren, de genadeloze onderdrukking van twee opstanden van een Palestijns volk dat het Israëlische kolonialisme voor eens en altijd kwijt wil? Ook voor de nieuwe Labourleider behoort dit alles blijkbaar tot de Israëlische manier van samenleven met anderen uit de regio.

Wervelend verhaal

De Morgen ruikt de nieuwe wind die door Israël waait en raakt meteen in een lichte roes. “Onder leiding van oudgediende Shimon Peres verschrompelde de Arbeiderspartij tot een formatie die amper nog doet denken aan de socialistische beweging die in 1948 aan de wieg stond van Israël en een wervelend verhaal wist te brengen,” schrijft Koen Vidal zonder verpinken. “Het is precies dat verhaal dat Peretz opnieuw lijkt te willen oppikken. Met het nodige tactische doorzicht trouwens.” Jammer dat de Palestijnen De Morgen niet kunnen lezen, ze zouden meteen gewaarschuwd zijn dat er met Amir Peretz een en ander op komst is en dat het weer allemaal zal wervelen.

Twee weken voor dit euforische stuk, publiceerde Koen Vidal een paginagroot interview met de Britse oorlogscorrespondent Robert Fisk. Hij geldt als een van de meeste integere en bekwaamste journalisten, die de voorbije dertig jaar in het Midden-Oosten aan de slag zijn geweest. De Morgen publiceerde het gesprek naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van Fisks 1437 bladzijden tellende magnum opus, “De Grote Beschavingsoorlog. De Verovering van het Midden-Oosten” (1). Fisk heeft tijdens zijn carrière niet alleen tussen de lijken gestaan van de oorlogsslachtoffers in Afghanistan, Libanon, Iran en Irak, hij heeft niet alleen honderden malen voor zijn leven gevreesd toen er bommen, granaten en kogels om zijn oren floten, hij heeft ook het ‘vredesproces’ in het Midden-Oosten gevolgd en ontrafeld. Hij was in de zalen en coulissen van vredesconferenties aanwezig en hij heeft het Israëlisch-Palestijnse vredesproces – “waar Kafka een puntje aan zou kunnen zuigen” – in al zijn hilariteit en tragiek gevolgd tijdens talloze gesprekken met Israëlische “vredesduiven” uit de opeenvolgende regeringen, met de Palestijnse leiders die in 1993 binnentraden in het Israëlische “Alice in Wonderland”, dat niet meer dan een geniale valstrik bleek te zijn.

In zijn hoofdstuk “De laatste koloniale oorlog” zet hij met uiterste precisie het scalpel in het stoffelijk overschot van wat eens ‘het vredesproces’ heette. Hij toont aan – en het zijn bijzonder ontluisterende pagina’s – hoe de oude garde van de Palestijnse nationale leiding onder Yasser Arafat zich wetens willens om de tuin heeft laten leiden in ruil voor het burgemeesterschap over wat losse stadsgewesten in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever. De PLO-leiders, schrijft Fisk, waren oude mannen, die kost wat kost voor hun dood hun droom van terugkeer naar Palestina wilden gerealiseerd zien. Zij keerden terug en wisten dat de vier miljoen andere Palestijnse vluchtelingen hun zelfde droom voor eens en altijd mochten vergeten. En vooral toont Fisk aan hoe de ‘vredesduiven’ van Labour, Yitzhak Rabin en Shimon Peres, hun handtekening plaatsen onder een Israëlisch-Palestijns “vredesakkoord”, dat door de Verenigde Staten werd gepatroneerd en meer gaten dan echte tekst vertoonde. Er stond vrijwel niets concreets op papier. Fisk beschrijft hoe Rabin en zijn latere opvolgers systematisch hebben geweigerd om het weinige dat wel neergeschreven stond ook daadwerkelijk uit te voeren.

Een gammele trein en een TGV

Fisk herinnert er ons aan dat “op basis van het akkoord van Oslo de bezette Westelijke Jordaanoever zou worden verdeeld in drie zones.” “Zone A zou onder exclusief Palestijns bestuur komen, zone B onder Israëlische militaire bezetting maar in samenspraak met de Palestijnse Autoriteit, en zone C onder volledige Israëlische bezetting. Op de Westelijke Jordaanoever bestond zone A uit slechts 1,1% van het grondgebied, terwijl in Gaza – overbevolkt, weerspannig, opstandig – praktisch het gehele grondgebied onder Arafats bestuur zou komen te vallen. Het was tenslotte de bedoeling dat hij de politieagent van Gaza zou worden. Zone C op de Westelijke Jordaanoever omvatte 60% van het grondgebied, hetgeen Israël in staat stelde voort te gaan met de snelle uitbreiding van nederzettingen voor joden en uitsluitend voor joden, op Arabisch land. Arafat had immers Jeruzalem al opgegeven.”

De Amerikaanse president Bill Clinton, de grote broer die toezicht zou houden op de naleving van de Palestijns-Israëlische akkoorden, moest samen met zijn diplomaten “het vredesproces steeds weer op het juiste spoor zetten.” De “vredestrein” stond voortdurend stil, maar een andere trein, die van de kolonisatie, raasde met de snelheid van een TGV vooruit. Fisk haalt de statistieken boven en die zijn verbijsterend. “Tussen 1967 en 1982 waren slechts 21.000 kolonisten naar de Westelijke Jordaanoever en Gaza verhuisd. In 1990 was het totaal al 76.000. En tegen het jaar 2000, zeven jaar na de Oslo-akkoorden, was de stand 383.000, de kolonisten in het geannexeerde Oost-Jeruzalem inbegrepen.” Fisk merkt fijntjes op dat de kolonisatie steeds in een versnelling hoger werd geschakeld onder een Labourpremier. Met vredesduif Yitzhak Rabin was het niet anders.

“Op 17 mei 2001”, stelt Robert Fisk, “achtte René Kosimik, hoofd van de delegatie van het Internationale Rode Kruis in Israël en de bezette Palestijnse gebieden, het noodzakelijk de wereld eraan te herinneren dat op basis van de Conventie van Genève ‘de vestiging van de bevolking van de bezettende mogendheid in de bezette gebieden wordt beschouwd als een onrechtmatige verhuizing en gekwalificeerd als een ernstige schending’. ‘Het nederzettingenbeleid als zodanig wordt in het humanitair recht beschouwd als een oorlogsmisdaad’. En toch ging de bezetting en de onteigening van de Palestijnen gewoon door, ook terwijl Arafat stervende was in 2004 en terwijl de ‘veiligheidsmuur’ van Israël zijn slinkse weg volgde over nog meer Arabisch land. Meer dan welke gebeurtenis dan ook bewees deze reusachtige koloniale expansie de Palestijnen dat Oslo een schijnvertoning was, een leugen, een trucje om Arafat en de PLO zo ver te krijgen dat zij alles waar ze sinds meer dan een kwarteeuw altijd naar hadden gestreefd en voor hadden gevochten, los te laten.”

Tot zo ver het relaas van Robert Fisk, een van de meest bevoorrechte waarnemers op het terrein.

Als Amir Peretz hetzelfde tactische doorzicht heeft dan zijn grote voorbeeld Yitzhak Rabin, zoals het hoofdartikel van De Morgen suggereert, dan weten de Palestijnen dat er voorlopig geen einde komt aan hun calvarie. Tijdens de Rabinherdenking, waar Peretz zijn eerste massale ovatie in ontvangst mocht nemen, nam één van de belangrijke buitenlandse gasten, Hillary Clinton, de verdediging op zich van de bouw en de spoedige voltooiing van de 620 kilometer lange apartheidsmuur. De Palestijnen zullen veel geduld mogen oefenen vooraleer ze het nieuwe boegbeeld van de Arbeiderspartij zullen horen zeggen dat deze muur van de schande ogenblikkelijk moet worden afgebroken. Het schaadt absoluut niet er aan te herinneren dat de plannen voor deze muur werden uitgetekend door Labour ten tijde van het premierschap van Ehud Barak. Ariel Sharon voerde uit wat zijn Labourvoorganger had bedacht. Alleen zorgde hij er stiekem voor dat bij de bouw nog meer Palestijns grondgebied werd onteigend dan in de oorspronkelijke plannen van Labour was voorzien.

Wanneer een Israëlische politicus vandaag belooft dat hij absolute prioriteit zal verlenen aan de concrete uitwerking van een twee-statenoplossing en tegelijk het huidige status quo wil bewaren (met een verdere kolonisatie en de voltooiing van de muur), voert hij een slechte cabaretvertoning op, waarop de wereld alleen maar met hoongelach en liever nog met een stevige woede-uitbarsting kan reageren. Helaas heeft ‘de wereld’ een bijzondere relatie met de staat Israël, zijn duiven en haviken.

Waarop is de euforie over de verschijning van een nieuwe Labourster aan het firmament dan gebaseerd? Op luchtverkoperij en imagebuilding, in geen geval op feiten. Amir Peretz heeft een vlotte stijl en een charismatische, mediterrane, mediatieke kop. Ook in Israël weten ze dat er niet alleen zeep maar ook politici dienen verkocht te worden.

“Amir Peretz is een syndicalist en bekommert zich vooral om het lot van de minder gegoeden,” zo meldt het hoofdartikel van De Morgen. “Eindelijk eens een normale politicus in Israël, zou je haast denken,” schrijft Koen Vidal opgelucht. Zelfs bij deze blijk van sympathie vraagt hij om het collectieve geheugen even op nul te zetten. De staat Israël heeft in het recente verleden regeringsleiders voortgebracht, die allen hun sporen hadden verdiend in de instellingen, die er in de joodse staat echt toe doen. Israël heeft drie zulke instellingen: het leger, de wapenindustrie en de vakbond Histadrut (het Joods Nationaal Fonds dat 93% van de grond in Israël in eigendom heeft even buiten beschouwing gelaten). De wapenindustrie heeft in het verleden al een van zijn founding fathers naar het ambt van premier gevoerd: Shimon Peres. Het leger heeft de jongste twintig jaar heel wat van zijn generaals premier zien worden. Om er slechts drie te noemen: de generaals Yitzhak Rabin, Ehud Barak en Ariel Sharon. De derde instelling, die steeds een pijler van de staat Israël is geweest, is de Histadrut. De vakbond is met zijn immens economisch imperium nog steeds de grootste werkgever van het land. De Histadrut was een onmisbare schakel voor een strak zionistisch beleid. De vakcentrale heeft jarenlang op de barricade gestaan voor zuivere joodse arbeid in het land. Door de invloed van de Histadrut is de toegang tot de Israëlische arbeidsmarkt (die geregeld wordt door ongeschreven apartheidswetten) nog steeds zo goed als vergrendeld voor 20% van de Israëlische staatsburgers, namelijk de Israëlische Arabieren (want zo worden de Palestijnen in Israël genoemd). Vandaag mag de Histradrut zich voor het eerst in de 57-jarige geschiedenis van Israël klaarmaken om de nieuwe premier te leveren. “De kans is reëel dat Peretz naar het premierschap van Israël kan dingen,” voorspelde Koen Vidal. “En misschien wordt het dan eindelijk anders in het Midden-Oosten.”

Het is uiteraard niemand verboden zijn wensen voor werkelijkheid te nemen. Zo pas heeft de Nederlandse vredesbeweging Pax Christi het boek ‘Verdreven Palestijnen’ gepubliceerd (zie elders in de rubriek boeken van dit nummer). Daarin zet de Palestijns-Amerikaanse rector magnificus van de Universiteit van Massachusetts, Naseer Aruri, een glashelder standpunt uiteen. Hij refereert aan de Israëlische auteur Daniel Gavron. Die schrijft in zijn boek ‘The other Side of Despair: Jews and Arabs in the Promised Land’ dat “de enige oplossing waarmee de joodse staat behouden zou kunnen blijven – de opdeling in twee staten, Israël en Palestina – niet langer houdbaar is.” Nasser Aruri kan alleen maar beamen: “Het proces dat met de Oslo-akkoorden begon en werd vervangen door de ‘Routekaart voor de Vrede’ (Road Map) en de terugtrekking uit de Gazastrook kan nergens toe leiden, omdat het gebaseerd is op de Israëlische staat, die een vreedzame, gelijkwaardige co-existentie met het Palestijnse volk verwerpt”.

En dat is nu precies het probleem met de politici van Labour en Likoed: zij willen in hun land geen democratie, maar een etnocratie, een staat voor joden en alleen voor joden. Zij zijn niet bereid de Palestijnen (waarmee ze gedoemd zijn samen te leven, tenzij ze in staat zijn ze allemaal te verdrijven) in hun staat te behandelen als volwaardige burgers met gelijke grondwettelijke, politieke, sociale en economische rechten. Israël heeft niet eens een grondwet, want die zou in artikel 1 moeten beginnen met “alle burgers van de staat Israël zijn gelijk voor de wet”. En dat wil politiek Israël niet. Met Amir Peretz wordt dit niet anders.

(Uitpers, nr. 70, 7de jg., december 2005)

Noot

(1) Robert Fisk, ‘De Grote Beschavingsoorlog. De Verovering van het Midden-Oosten’, Uitgeverij Anthos, Amsterdam, De Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2005, 1437 blz..

Visited 13 Times, 1 Visit today

Tags :