Islamisme in Centraal-Azië: tussen mythe en werkelijkheid

Na Afghanistan zou de strijd tegen het terrorisme in Centraal-Azië(1) worden gevoerd. Althans dat voorspelden analisten kort na de start van de militaire operatie tegen de Taliban eind 2001. Ook officiële bronnen in de regio waarschuwden voor het ‘islamitisch gevaar’ van extremistische groeperingen in Centraal-Azië. Dat het in werkelijkheid maar om een beperkt aantal radicale moslims ging, die niet bijzonder slagvaardig waren, belette de Amerikaanse regering niet om de voormalige sovjetpotentaten in Centraal-Azië na 9/11 als partners te omarmen in de zogenaamde oorlog tegen het terrorisme.

Tot eind jaren ‘80 bleef het heel stil rond Centraal-Azië, dat goed verborgen zat achter het ijzeren gordijn. De val van de Sovjet-Unie mag dan wel de stilte rond het gebied doorbroken hebben, de regio is bij ons nog steeds geen voorpaginanieuws, ondanks de grote sociaal-economische achterstand en het slechte bestuur waartegen de bevolking nu in opstand tracht te komen.

De autoritaire gezagvoerders van de Centraal-Aziatische republieken dulden echter weinig of geen verzet. Oppositieleden en ‘andersdenkenden’ worden de mond gesnoerd, desnoods met harde hand, zoals gebeurde tijdens de opstand in de Oezbeekste stad Andijan in mei 2005. Vooral moslims kregen het de voorbije jaren hard te verduren. In Kirgizië, Tadjzikistan, en Oezbekistan, waar de islam na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een heropleving kende, worden vele moslims onder meer onterecht als terroristen aanzien. Velen worden door de overheid lastiggevallen of worden zonder rechtvaardig proces opgesloten. Paradoxaal genoeg dreigt die anti-islamitische repressie de Centraal-Aziatische moslims nu in handen van extremisten te drijven.

Wahabisme aan de Kaspische Zee?

De volksopstanden die in het voorjaar van 2005 uitbraken in Oezbekistan en Kirgizië zijn slechts enkele van de incidenten waarmee de Centraal-Aziatische republieken de voorbije vijftien jaar geconfronteerd werden. Niet toevallig ontstonden beide opstanden in de Fergana-vallei, een dichtbevolkt grensgebied tussen Tadzjikistan, Oezbekistan en Kirgizië. Van in de Sovjet-tijd is de grensregio een sociaal en etnisch kruitvat. De recente onlusten hebben vooral te maken met de slechte leefomstandigheden in de vallei.

Al in de jaren ‘80 speelden islamitische groeperingen in op de verzuchtingen van de bevolking in deze grensstreek. Reeds voor 1991 pompten officiële instanties uit Saoedi-Arabië geld in de regio om er hun invloed te versterken. Met Saoedisch geld werden moskeeën gebouwd en korans uitgedeeld, een praktijk die in de loop van de jaren negentig gretig werd verdergezet, en die het lokale gebruik van de term ‘wahabi’ verklaart.

Doordat het wahabisme (2) de officiële godsdienst in Saoedi-Arabië is, begonnen de Sovjetbestuurders in Centraal-Azië de term ‘wahabi’ te gebruiken voor het groeiend aantal moslims die hun godsdienst niet praktiseerden binnen de door de overheid en de KGB gecontroleerde voorzieningen. Naderhand ging men er vanuit dat alle andere islamitische infrastructuur door de Saudi’s gefinancierd werd en dat de moslims die van die voorzieningen gebruik maakten vromer waren dan de andere moslims in de regio (3). Nochtans zijn de meeste moslims in Centraal-Azië soefi’s, die de islam op een veel opener manier beleven dan de puriteinse wahabi’s. Een uitzondering is Kirgizië, waar driekwart van de bevolking soennitisch is, maar waar zeventig jaar Sovjetbewind het godsdienstgevoel fel heeft afgezwakt. Vandaag betekent de benaming ‘wahabi’ voor de autoriteiten in de regio evenveel als ‘terrorist’.

Ideologische leegte

De gestage toename van het aantal moskeeën en andere islamitische voorzieningen in de jaren ‘90 verontrustte al gauw de nieuwe machtshebbers in Centraal-Azië. In vergelijking met andere moslimlanden bleef het aantal moskeeën per duizend inwoners nochtans heel beperkt. De heropleving van de islam kende haar grenzen. De verregaande secularisering kon na het jarenlange sovjetbewind niet zomaar worden omgekeerd.

De heropleving van de islam in Centraal-Azië is geen eenzijdig fenomeen. Voor velen was de terugkeer naar de islam een reactie op de decennialange Russische kolonisering en gedwongen onderdrukking van de eigen cultuur, die nauw verweven is met het soefisme. Voor de jongere bevolking speelde nog een andere factor mee. Na de implosie van de Sovjet-Unie ontstond niet alleen een machtsvacuüm in de voormalige Sovjetrepublieken, er heersten ook een ideologische leegte en een gebrek aan morele zingeving.

In elk van de vijf zogenaamde stan-republieken bleef de Sovjet-nomenclatura aan de macht en kwamen de sleutelsectoren van de economie en de buitenlandse investeringen in handen van clans en ongure nieuwe rijken, die nauwe banden hebben met de presidentiële families. De Sovjetachtige bureaucratie en corruptie maken de meeste andere economische initiatieven onmogelijk. Het gevolg is dat zo’n twee derde van de Centraal-Aziaten onder of gevaarlijk dicht bij de armoedegrens leeft (4).

Het simplistische nationalisme en de personencultus van de megalomane en eccentrieke machtshebbers boden maar weinig voldoening aan de gedesoriënteerde jongeren, die op zoek waren naar zingeving in hun verpauperde en uitzichtloze bestaan (5). In de plaatselijke moslimgemeenschap konden ze niet alleen een sociaal netwerk opbouwen, ze verwierven er ook een identiteit, die hen de nodige zelfbevestiging bood.

De nood aan zelfbevestiging drijft de jongeren echter niet noodzakelijk in de armen van extremisten. De moslims in Centraal-Azië zijn van oudsher erg vreedzaam en hebben over het algemeen weinig sympathie voor gewapende militante groeperingen die in de streek actief zijn, ook al strijden die tegen de corruptie en het wanbestuur van de neo-stalinistische regimes. Voor veel moslims in Centraal-Azië biedt het soefisme een sociaal systeem en een manier om zichzelf te bevestigen.

Opgeklopte dreiging

De kans dat uit die sociale verbondenheid en solidariteit een middenklasse zou ontstaan – zoals in Turkije en Indonesië is gebeurd – ervaren de lokale machtshebbers als een grotere dreiging dan het moslimfundamentalisme. De anti-islamitische repressie in de regio is er vooral op gericht om de opkomst van een middenklasse tegen te gaan. Die dreigt namelijk de economische belangen en de macht van de heersende klasse in het gedrang te brengen.

De aanhouding van een groep zakenmannen in Andijan anderhalf jaar geleden, die uiteindelijk de aanleiding gaf voor de volksopstand in de Oezbeekse stad, is daar een goed voorbeeld van. Drieëntwintig moslimmannen werden toen aangehouden op verdenking van banden met criminele en extremistische organisaties. Ze bleven opgesloten, ook al was er geen enkel bewijs dat het om moslimextremisten ging. Het waren gewoon islamistische zakenmannen die met hun opbrengsten lokaal liefdadigheidswerk steunden (6).

In Oezbekistan was de onrechtvaardige opsluiting van de zakenmannen lang geen alleenstaand geval. Veel verklaringen van verdachte terroristen worden via foltering verkregen, wat een veroordeling bijna onvermijdelijk maakt. Moslims in de regio worden ook in hun privéleven lastiggevallen door de plaatselijke autoriteiten en veiligheidsdiensten. De repressie en vernedering gaan vaak heel ver. In de streek van Kanibadam in Tadzjikistan bijvoorbeeld werden moslimfamilies verboden om een huwelijk volgens de moslimtraditie te houden. Alleen de westerse wijze werd toegelaten. Islamitische studenten in Oezbekistan, op hun beurt, krijgen aan hun universiteit geen aparte ruimte toegewezen om te kunnen bidden (7).

Het bloedige neerslaan van de volksopstand in Andijan levert misschien het meest zichtbare bewijs van de harde sociale en anti-islamitische repressie. Honderden mensen kwamen om toen Oezbeekse militairen het vuur openden op demonstranten. President Karimov, gesteund door de Russische regering, rechtvaardigde die gewelddadige aanpak als een legitieme actie tegen islamitische extremisten. Maar zelfs Washington sloot zich daar niet bij aan en leverde felle kritiek op het Oezbeekse regime, nadat bekend geraakte dat de meeste slachtoffers vreedzame burgers waren die enkel hun ongenoegen wilden uiten tegen het sociale en economische wanbeleid van de regering.

Door het islamitisch gevaar in de regio op te blazen konden de dictatoriale Centraal-Aziatische regimes na 9/11 hun internationale legitimiteit aanzienlijk vergroten. Dankzij hun partnerschap met de VS in de zogenaamde oorlog tegen het terrorisme konden de lokale potentaten niet alleen hun schatkist spijzen met de instroom van Amerikaanse valuta’s, ze konden ook ongemoeid hun genadeloze onderdrukking van de moslimbevolking verderzetten en elke mogelijke vorm van sociaal verzet in de kiem smoren.

Sinds de bloedige onderdrukking van de volksopstand in Andijan is de situatie in Oezbekistan heel erg gespannen. Maar ook in buurland Kirgizië is de toestand rumoerig. Nadat president Askar Akayev na de volksopstand in maart 2005 het land uitvluchtte, verzakte het land in chaos en criminaliteit.

Bovendien is duidelijk geworden dat de harde repressie tegen de moslimbevolking in de regio een voedingsbodem creëert voor moslimextremisme. Net zoals de onderdrukking onder het Sovjetbewind moslims in Tsjetsjenië en Oezbekistan destijds in handen van militante groeperingen dreef, doen de aanhoudende vernedering en mishandeling van moslims in Centraal-Azië de populariteit van radicale moslimbewegingen toenemen (8).

Terroristen in Centraal-Azië

As we de Centraal-Aziatische autoriteiten en media mogen geloven, dan zijn ze niet alleen heel gevaarlijk, maar ook heel talrijk, de terroristen die actief zijn in de regio.

Door hun clandestiene werking is het nochtans heel moeilijk om in te schatten hoeveel leden deze militante groeperingen tellen en hoe slagvaardig ze zijn.

Recente analyses en observeringen die de verschillende islamitische bewegingen in kaart brachten zijn het niet altijd eens over de grootte en het activisme van de militante organisaties in Centraal-Azië. Wel zijn de meeste studies het er over eens dat de islamitische dreiging in de regio na 9/11 werd uitvergroot. Ook blijkt dat de meeste groeperingen los opereren, niet bijzonder slagvaardig zijn en weinig of niets te maken hebben met het zogenaamde mondiale terreurnetwerk van Al Qaeda.

Veel van de militante organisaties zijn al lang actief in de regio, sommigen al van in de Sovjet-tijd. Het meest genoemd door de lokale regimes is de “Hizb-ut-Tahrir al-Islami” of de “Islamitische Weerstandspartij”. De beweging werd begin jaren ‘50 opgericht door Palestijnse vluchtelingen in Syrië en Jordanië en dook voor het eerst op in Centraal-Azië in het midden van de jaren ‘90. Voor aanhangers van een gewelddadige beweging als Hamas is de Hizb-ut-Tahrir niet meer dan een grap. De islamitische beweging schuwt namelijk het gebruik van geweld en streeft het weinig realistische doel na van een wereldkalifaat dat volgens de sharia leeft.

Doordat de organisatie verboden werd in Centraal-Azië, verwierf ze een bijna mythische status, vooral onder de jonge moslimbevolking. Jonge moslims die op zoek waren naar zingeving in hun miezerige leventje sloten zich aan bij de organisatie. Mettertijd verzamelde de beweging een aanzienlijke groep aanhangers in de regio. Zij opereren in kleine cellen of daïra van vaak slechts drie tot zes leden. De genadeloze klopjacht op Hizb-ut-Tahrir-aanhangers heeft de beweging naar verluidt geradicaliseerd.

De Hizb-ut-Tahrir is al het langst actief in de overbevolkte katoenprovincies in het oosten van Oezbekistan, waar vermeende leden van de groepering twee derde van de circa 7.000 politieke gevangenen uitmaken. In Kirgizië is de beweging vooral actief onder de 680.000 etnische Oezbeken die in het zuiden van de republiek leven en zich politiek ondervertegenwoordigd voelen. De repressie tegen de Hizb-ut-Tahrir heeft dan ook voor toenemende etnische spanningen gezorgd. In mei 2001 werden voor het eerst ook vermeende Hizb-ut-Tahrir-militanten opgepakt in het zuiden van Kazachstan, een republiek die tot dan toe immuun werd geacht voor moslimfundamentalisme onder meer wegens de omvangrijke Slavische bevolking die er woont. De enige republiek waar de islamitische beweging nog niet is gesignaleerd, is Turkmenistan (9).

Ook ondergronds is de meer lokale islamitische groepering “Bayat”, die onder meer actief is in Noord-Tadzjikistan. Meer zichtbaar en gewelddadig is de “Harakat ul-Islamiyah Özbekistan” of de “Islamitische Beweging van Oezbekistan”, een militante groepering met vermeende banden met Al Qaeda. De beweging wil ook de seculiere en corrupte politieregimes in de regio omverwerpen om er een islamitische staat te installeren. In augustus 1999 en 2000 gebruikten rebellen van de Islamitische Beweging van Oezbekistan de afgelegen provincie Batken in het Tadzjiekse gedeelte van de Fergana-vallei als uitvalsbasis voor gewapende aanvallen tegen buurlanden Oezbekistan en Kirgizië. Nadat de militante groepering gedwongen werd om Tadzjikistan te verlaten, vestigde ze zich in Afghanistan, waar de groepsleiders een verbond aangingen met de Taliban. Sinds de Amerikaanse inval in Afghanistan verschansen de meeste aanhangers zich in het grensgebied met Pakistan.

In Tadzjikistan, waar tussen ’92 en ‘97 een burgeroorlog woedde tussen verschillende clans, bestaat ook de gematigd-islamistische “Partij voor Islamitische Wedergeboorte”. De partij zit sinds het einde van de oorlog in een coalitieregering met voormalige Sovjet-nomenclatura. Naast enkele losse cellen en groeperingen in Centraal-Azië is er ook nog “Tabliq”, een islamitische – hoofdzakelijk niet-politieke – groepering die migreerde vanuit Zuidoost-Azie en vandaag in zowat 150 landen actief is.

Rivaliteit tussen de grootmachten

Islamitische organisaties als Hizb-ut-Tahrir richten hun grieven ook op de Amerikaanse en andere buitenlandse troepen die in de regio gelegerd zijn. Toen in 2002 bekend geraakte dat de lucratieve brandstofbevoorrading van de westerse coalitietroepen in Kirgizië in handen was van de schoonzoon van de toenmalige president, besefte de bevolking eens te meer dat ze niet al te veel profijt moest verwachten uit de aanwezigheid van die buitenlandse soldaten. De bevolking pikt het niet dat die militairen onder meer vrijgesteld worden van taksen en diplomatieke onschendbaarheid genieten, terwijl ze amper verandering komen brengen in het ellendige bestaan van de inwoners (10).

De interesse van de VS voor Centraal-Azië gaat niet terug tot de strijd tegen het terrorisme, maar dateert al van in de Sovjet-tijd. Toen al aasde Washington op de enorme energierijkdommen die het gebied herbergt. De Kaspische oliereserves, de derde ter wereld na de Perzische Golf en Siberië, trekken sinds 1993 indrukwekkende investeringen van Amerikaanse oliereuzen als Chevron en Exxon Mobil. Intussen bouwen ook China en de EU aan de nodige contacten met de regio om hun energiebevoorrading veilig te stellen.

Vooral Kazachstan kan profiteren van de onstilbare energiedorst van de grootmachten, ten koste van zijn regionale rivaal Oezbekistan, dat het met een stuk minder olie-en gasvoorraden moet stellen. Tasjkent kan wel nog rekenen op de steun van regionale partners als Moskou, dat zijn invloed in het gebied probeert te handhaven door met zowat alle voormalige Sovjetregimes in de regio nauwe banden te onderhouden.

Het valt op dat de relaties tussen het relatief stabiele Kazachstan en de internationale gemeenschap er de voorbije jaren op verbeterd zijn, terwijl het wankele Oezbekistan steeds meer geïsoleerd dreigt te geraken. Na de aanslagen van 11 september waren de VS nochtans niet te beroerd om met het dictatoriale regime van Islam Karimov een partnerschap te sluiten in de zogenaamde strijd tegen het terrorisme. Oezbekistan bleek bijzonder geschikt als uitvalsbasis voor de Amerikaanse militairen die in Afghanistan de Taliban moesten verdrijven. In ruil voor financiële ondersteuning en investeringen konden de VS een militaire basis opzetten dichtbij de grens met Afghanistan. Maar aan het partnerschap kwam abrupt een einde toen Karimov de Amerikaanse soldaten niet langer welkom heette na de felle kritiek die Washington had geleverd op de bloedige onderdrukking van de volksopstand in Andijan. Oezbekistan had voor die eis tot terugtrekking van de VS rugdekking van de “Groep van Shanghai” (11), waartoe niet toevallig ook Rusland en China behoren. In buurland Kirigizië, dat van oudsher armer is, behouden de Amerikanen voorlopig wel hun militaire basis.

De ontplooiing van Amerikaanse troepen in de regio onthult het strategische belang van Centraal-Azië. De regio grenst niet alleen aan Afghanistan, waar Navo-troepen (12) momenteel alle moeite hebben om de talrijke Taliban-strijders te verslaan, het olierijke gebied ligt ook naast Rusland en China, die beiden als rivalen gelden voor Washington. Ook de Navo, onder druk van de VS, heeft de voorbije jaren toenadering gezocht tot de voormalige sovjetrepublieken. Het spreekt voor zich dat China en Rusland niet echt opgezet zijn met de aanwezigheid van westerse troepen in hun achtertuin. Vandaar ook hun pogingen om via de “Groep van Shanghai” een tegengewicht te vormen voor de Amerikaanse containmentpolitiek in de regio.

Een lokale analist vatte de situatie in de wankele en verpauperde regio als volgt samen: ,,We krijgen in Centraal-Azië een hernieuwde rivaliteit tussen de VS, China en Rusland op een moment dat de apathie onder de bevolking steeds meer plaats maakt voor misnoegen met de uitzichtloze sociale toestand en de extreem corrupte en autoritaire regimes in de regio” (13).

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

Voetnoten

(1) Onder Centraal-Azië verstaat men over het algemeen de vijf voormalige Sovjetrepublieken tussen de Kaspische Zee en China, m.n. Kirgizië, Oezbekistan, Turkmenistan, Kazachstan en Tadzjikistan.

(2) Het wahabisme is een puriteinse tak van de islam.

(3) Gebaseerd op Bruno De Cordier, “Seeing demons where there are none”, Thinking East, 23 juli 2005 http://www.thinkingeast.net/site/index.php?option=com_content&task=view&id=141

(4) Gebaseerd op Bruno De Cordier, “Ook in gewezen Sovjet-republieken ijveren moslim-fundamentalisten”, De Standaard, 1 augustus 2002.

(5) Gebaseerd op Anna Matveeva, “Violent valleys. Islamism in Central Asia”, The World Today, augustus/september 2006.

(6) Gebaseerd op International Crisis Group, “The Andijon Uprising”, Asia Briefing n°38, 25 mei 2005.

(7) Bruno De Cordier, “Seeing demons where there are none”, Thinking East, 23 juli 2005 & Jennifer Balfour, “The crisis facing Uzbek youth today”, Eurasianet, 4 April 2001, http://www.eurasianet.org/departments/insight/articles/eav040401.shtml

(8) Bruno De Cordier, “Seeing demons where there are none”, Thinking East, 23 juli 2005 & International Crisis Group, “Radical islam in Central Asia: Responding to Hizb ut-Tahrir”, Crisis Group Asia Report, nr 58, 30 June 2003.

(9) Gebaseerd op Bruno De Cordier, “Ook in gewezen Sovjet-republieken ijveren moslim-fundamentalisten”, De Standaard, 1 augustus 2002.

(10) Gebaseerd op Bruno De Cordier, “Amerikaanse troepen maken Centraal-Azië niet stabieler”, De Standaard, 19 september 2002.

(11) De “Groep van Shanghai” telt zes leden, m.n. Rusland, China, Oezbekistan, Kazachstan, Tadzjikistan en Kirgizië. Vier landen hebben het statuut van waarnemer: India, Pakistan, Mongolië en Iran. Dit jaar vierde de organisatie zijn vijfjarig bestaan.

(12) Kazachstan en Kirgizië functioneren momenteel als transitzones voor Navo-troepen die deelnemen aan de ISAF-operatie in Afghanistan.

(13) Gebaseerd op Bruno De Cordier, “Amerikaanse troepen maken Centraal-Azië niet stabieler”, De Standaard, 19 september 2002.

 

Bronnen

  • Jennifer Balfour, “The crisis facing Uzbek youth today”, Eurasianet, 4 April 2001, http://www.eurasianet.org/departments/insight/articles/eav040401.shtml
  • Jorn De Cock, “Opstand Oezbekistan beïnvloed door revolte in Kirgizië”, De Standaard, 14 mei 2005.
  • Bruno De Cordier, “Ook in gewezen Sovjet-republieken ijveren moslim-fundamentalisten”, De Standaard, 1 augustus 2002.
  • Bruno De Cordier, “Amerikaanse troepen maken Centraal-Azië niet stabieler”, De Standaard, 19 september 2002.
  • Bruno De Cordier, “Seeing demons where there are none”, Thinking East, 23 juli 2005 http://www.thinkingeast.net/site/index.php?option=com_content&task=view&id=141
  • Bruno De Cordier, Blinde regen: Centraal-Azië in de frontlijn, Academia Press, 2005
  • International Crisis Group, Crisis Group Asia Report, nr 58, “Radical Islam in Central Asia: Responding to Hizb ut-Tahrir”, 30 June 2003.
  • International Crisis Group, “The Andijon Uprising”, Asia Briefing, nr 38, 25 mei 2005.
  • International Crisis Group, “Uzbekistan: Europe’s sanctions matter”, Crisis Group Asia Report, nr 54, 6 Nov 2006
  • International Crisis Group, “Kyrgyzstan on the Edge“, Crisis Group Asia Report, nr 55, 9 Nov 2006
  • Mourat Laumouline, “L’Organisation de Coopération de Shanghai vue d’Astana”: un ‘coup de bluf’ géopolitique?”, IFRI, Programme de Recherche Russie, NEI, juli 2006.
  • Anna Matveeva, “EU stakes in Central Asia”, Chaillot paper, nr 91, European Union Institute for Security Studies, juli 2006.
  • Anna Matveeva, “Violent valleys. Islamism in Central Asia”, The World Today, augustus/september 2006.
  • Peter Michielsen, “Aanslagen 11 september maakten van Karimov partner van VS”,
  • NRC Handelsblad, 18 mei 2005.
  • Ahmed Rashid, Jihad: The Rise of Militant Islam in Central Asia, Penguin, 2002.
  • Elizabeth Skinner, “Enduring freedom for Central Asia”, Strategic Insights, Center for Contemporary Conflict, april 2002.
  • Aleksei Strogin, “Where the threat to Central Asia originates?”, Ferghana.ru, 13.04.2006, http://enews.ferghana.ru/article.php?id=1381
  • “Uzbeks Angered by US Criticism on Religious Rights”, IPWR, http://www.iwpr.net/?p=buz&s=b&o=325819&apc_state=henb, 1 december 2006.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 89 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook