Iran volgende doelwit van Bush ?

Bij het begin van zijn tweede ambtstermijn beloofde de Amerikaanse president Bush dat hij zal doorgaan met het “verspreiden van de vrijheid” in de hele wereld. Drie dagen eerder schreef de Amerikaanse journalist Seymour Hersh in “The New Yorker” dat commando’s van de speciale strijdkrachten al sedert de zomer van 2004 in Iran actief zijn. Geen wonder dat Iran, na Afghanistan en Irak, door velen wordt gezien als het volgend oorlogstoneel.

De voormalige veiligheidsadviseur van president Jimmy Carter, Zbigniew Brzezsinski, zei in een commentaar dat de toespraak van Bush “als men die letterlijk opneemt, neerkomt op een Amerikaanse kruistocht in de hele wereld”. “In de praktijk zie ik niet, hoe die zou moeten worden gevoerd”, voegde hij eraan toe. Vele waarnemers namen de speech dan ook niet ernstig en het Witte Huis deed, via een “briefing” van de voornaamste kranten, zijn best om de toespraak van Bush te minimaliseren. Maar heel wat leden van Bush’ eigen Republikeinse partij waren er veel minder gerust in en hadden heel wat kritiek op “hun” president.

Bush heeft zijn “oorlog tegen het terrorisme”, volgens zijn toespraak althans, uitgebreid naar het beëindigen van de tirannie in de wereld en het verspreiden van de vrijheid. Een wat eigenaardig doel voor een man, die in zijn eerste ambtstermijn, na de 11 september-aanslagen op de “twin towers” in New York en het Pentagon in Washington, zijn best heeft gedaan om de vrijheid in de Verenigde Staten zoveel mogelijk aan banden te leggen. Ook zou hij in het kader van de “democratisering” van de wereld best wellicht thuis het voorbeeld geven. Door bv. het kiesmannensysteem af te schaffen bij de presidentsverkiezingen en ervoor te zorgen dat één man één stem is. Door alle belemmeringen op de registratie van kiezers te verbieden. Door te zorgen dat nieuwe partijen ongehinderd, d.w.z. zonder heelder reeksen juridische procedures, aan verkiezingen zouden kunnen deelnemen. Over die problematiek heeft Lode Vanoost al uitvoerig bericht in Uitpers.

Het “verspreiden van de vrijheid” is totnogtoe ook maar weinig succesvol geweest. In Afghanistan steunden de Amerikanen op de traditionele “war lords” – d.w.z. dat ze die gewoon omkochten – in hun oorlog tegen het Taliban-regime van mollah Omar en de terreurbeweging Al-Qaeda (De Basis) van Osama bin-Laden. Met als gevolg dat die krijgsheren opnieuw de plak zwaaien, zodat er geen sprake is van vrijheid, en zorgen voor een meer dan ooit bloeiende papaverteelt en drugshandel (die in de laatste jaren van de Taliban was opgedoekt).

In Irak wisten de Amerikanen in de kortste keren de Irakezen tegen zich in het harnas te jagen. Door na de “bevrijding” de plundering van alle musea, ministeries, hospitalen en andere officiële gebouwen toe te staan (behalve degene, zoals het ministerie van olie, die hen nuttig konden zijn). Door het 500.000 manschappen tellende leger en honderdduizenden ambtenaren, die ooit om den brode lid waren geweest van de Baath-partij van Saddam Hoessein, zonder meer de laan uit te sturen. Door de systematische folteringen van Irakezen en door de talrijke doden die ze sedert de invasie op hun geweten hebben, waarschijnlijk meer dan 100.000. Door als interim-premier Iyad Allawi te benoemen, een man die uit hetzelfde hout als dat van Saddam Hoessein gesneden is. Door hun onvermogen om de bevoorrading met elektriciteit, water en benzine te herstellen. Reken daarbij de genocide die ze aanrichtten door de sancties in de periode 1990-2003 – één miljoen tot anderhalf miljoen slachtoffers – en men begrijpt best dat het verzet tegen de bezetting op zo’n grote schaal wordt gevoerd. De chef van de Iraakse spionagedienst, generaal Mohammed Shahwani, schat het aantal verzetsstrijders op meer dan 200.000.

Ook blijven de Amerikanen aan alle touwtjes trekken: de opeenvolgende Iraakse “regeringen” bestaan uit stromannen die voor elke dollar bij de Amerikanen moeten gaan bedelen en de Amerikaanse bevelen uitvoeren. Naar verluidt hebben de Amerikanen zelfs doodseskaders opgericht om in Irak al dan niet vermeende tegenstanders fysiek te elimineren. Ze hebben er althans de juiste man voor: ambassadeur John Negroponte organiseerde in de jaren 1980, als ambassadeur in El Salvador doodseskaders in Centraal-Amerika. Wellicht zijn die doodseskaders verantwoordelijk voor een reeks even bloedige als mysterieuze aanslagen op sjiitische doelwitten in een poging een wig te drijven tussen soennieten en sjiieten.

De verkiezingen van 30 januari waren zo vrij, dat niemand tot net voor de stembusverrichtingen wist wie de kandidaten waren: om “veiligheidsredenen” waren hun namen geheim gehouden. Ook van verkiezingsprogramma’s hadden de meeste Irakezen niets gehoord. Hoe dan een vrije keuze maken? Internationale waarnemers verkozen de kiesverrichtingen te volgen vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman – een kleine 1.000 km van Bagdad – omdat het te gevaarlijk was. Hoe kunnen er eerlijke en vrije verkiezingen worden gehouden onder een buitenlandse bezetting en in een sfeer van geweld? In minstens vier provincies was het houden van verkiezingen vrijwel onmogelijk. In het buitenland was er alvast weinig enthousiasme: van de 1,2 miljoen stemgerechtigde Irakezen lieten er zich nog geen vierde registreren, ondanks alle oproepen en propaganda.

De catastrofale toestand in Irak – met al ruim 1.300 gedode en 10.000 gewonde Amerikaanse staten – is de voornaamste rem op de verdere oorlogsplannen van Bush. De oorlog is door de oplopende verliezen en kosten (4,5 miljard dollar per maand) alles behalve populair. Zo’n 56% van de Amerikanen vindt dat Bush’ Irak-beleid verkeerd zit. Er is dan ook al druk gespeculeerd dat de Amerikanen gebruik zouden maken van het “succes” van de “vrije verkiezingen” om in de loop van het jaar, of ten minste tegen halfweg 2006, geleidelijk aan te vertrekken. De afgetreden minister van Buitenlandse Zaken, Powell, sprak van een mogelijke terugtrekking tegen het einde van dit jaar. De Britse premier Tony Blair drong er bij zijn vriend Bush op aan een tijdschema op te stellen voor het vertrek en de bondgenoten haken meer en meer af. Zelfs de zo Washington-getrouwe Nederlanders halen hun 1.600 manschappen weg uit Irak. Bush geraakt dus meer en meer geïsoleerd, maar om geen gezichtsverlies te lijden kan hij niet direct afkomen met een beslissing om te vertrekken. Hij heeft het Congres zelfs al 80 miljard dollar gevraagd voor de oorlogen in Afghanistan en Irak, een bedrag waardoor het Amerikaanse budgettekort kan oplopen tot 450 miljard dollar.

Het zijn allemaal remmen op de plannen van de Amerikaanse neoconservatieven om de oorlog voor een “nieuw Midden-Oosten” voort te zetten. Een landoorlog tegen Iran is hoe dan ook uitgesloten. Daarvoor zouden honderdduizenden Amerikaanse troepen naar Afghanistan en Irak dienen te worden overgebracht. Een onbetaalbare operatie, waarvan het succes alles behalve gegarandeerd zou zijn. Iran is ruim 3,5 keer zo groot als Irak en telt een bevolking van ruim 70 miljoen mensen, die tijdens de oorlog met Irak (1980-1988) blijk gaf van haar bereidheid tegen een vreemde aanvaller te vechten.

Een andere optie is gerichte aanvallen op industriële complexen, atoomsites en fabrieken. Maar Iran heeft al laten weten dit niet onbestraft te zullen laten. Met name Israël kan dan een doelwit van Iraanse raketten worden, ook vanuit Libanon met medewerking van de pro-Iraanse Hezbollah-militie. En ook Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein en Qatar, die alle militaire hand- en spandiensten verlenen aan de Amerikanen en Amerikaanse soldaten op hun grondgebied hebben, zouden het voorwerp van represailles kunnen worden. Met alle gevolgen vandien voor de olieprijs, die nu al tegen de 50 dollar per vat bedraagt.

Wellicht daarom lijkt het eerder waarschijnlijk dat Bush, als hij inderdaad zijn oorlog wil voortzetten, een “zachter” doelwit zal kiezen. Met name Syrië (en Libanon). Het verarmde Syrië zit namelijk klem tussen Turkije, Irak en Israël, die als uitvalsbasis én deelnemers kunnen dienen. Washington kan blijkbaar op Europese steun rekenen, zeker op die van Frankrijk. De eerste schoten in de richting van Syrië zijn vorig jaar al gelost. Eén van de “hoogtepunten” daarvan was de goedkeuring op 2 september van Amerikaans-Franse resolutie 1559 door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin opgeroepen werd tot eerbied “voor de soevereiniteit, de territoriale integriteit en de politieke onafhankelijkheid van Libanon” – ook al was Libanon alles behalve vragende partij voor zo’n resolutie. Het was een duidelijk hint aan het adres van Syrië zijn troepen – nog een 17.000 – uit Libanon terug te trekken. Of anders…

Merkwaardig aan de resolutie is haar eenzijdig karakter: er wordt nergens opgeroepen tot hetzelfde respect voor de territoriale integriteit van Syrië, waarvan de Golan-hoogten sedert 1967 door Israël worden bezet. Als Europese landen tegen resoluties tegen Israël stemmen is het standaard-excuus dat de resolutie “onevenwichtig” is. Maar als een resolutie Israël ten goede komt is er geen evenwicht nodig.

(Uitpers, nr. 61, 6de jg., februari 2005)

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).