Iran, strijd om de macht binnen het regime

Sedert de presidentsverkiezingen van 12 juni is het woelig in de Iraanse hoofdstad Teheran. Voor- en tegenstanders van de verkozen president Mahmoed Ahmadinejad betogen. De ordediensten slaan hard in op de tegenstanders. Met vele doden tot gevolg. Een nieuwe revolutie in Iran dertig jaar na de islamitische revolutie van 1979 tegen sjah Reza Pahlavi? Eerder een strijd om de macht binnen het vooral religieuze establishment.

Zoals de meeste regimes is ook het Iraanse geen monolitisch systeem. Verschillende (belangen)groepen en strekkingen onder de islamitische geestelijken strijden er om macht. De huidige president Ahmadinejad is een buitenbeentje. In de eerste plaats omdat hij geen geestelijke is zoals zijn voorgangers Mohamed Khatami (president van 1997 tot 2005) en Ali Akbar Hasehmi Rafsanjani (president van 1989 tot 1997). Ten tweede neemt hij geen blad voor de mond. Hij is geen diplomaat en is daarom het zwart schaap van het Westen. In wezen zegt hij hetzelfde over de Israëli’s als de Israëli’s over Palestijnen en Arabieren. In Israël heet dat “vrijheid van meningsuiting” als men Palestijnen en Arabieren uitscheldt als ongedierte dat mag worden verjaagd, zelfs uitgeroeid. Niemand in het Westen die daar op reageert. Als Ahmadinejad iets in die zin zegt is dat verwerpelijk antisemitisme, racisme van de bovenste plank..

Ahmadinejad is zoals zijn voorgangers gescreend door de “Raad van Hoeders” (die ook de kandidaturen voor het parlement moet goedkeuren), die wordt geleid door de havik ayatollah Ahmed Jannati. Kortom, iedereen die naar het presidentschap of naar een parlementszetel wil dingen moet passen binnen het islamitische establishment. Zoniet wordt de kandidatuur verworpen. Het is dan ook potsierlijk te hopen dat het onder de tegenkandidaten van Ahmadinejad fundamenteel anders zou gaan. Uiteindelijk is de president ook niet de onbetwiste machthebber. Dit is de “opperste leider”, grootayatollah Ali Khamenei, die in 1989 ayatollah Ruhollah Khomeini, de stichter van de islamitische republiek, na diens dood opvolgde. Hij heeft de uiteindelijke beslissingsmacht.

Zeker zijn er onder de honderdduizenden betogers tegen Ahmadinejad vele jongeren die hopen op een vrijer leven. Het is zeker geen pretje om onder een klerikaal bewind te leven. In België hebben velen die in het katholiek onderwijs school liepen – we spreken dan tot de jaren 1970 – dat ook aan de lijve ondervonden. Betutteling allerhande betreffende kledij, gedrag, muziek die mag worden beluisterd, boeken die mogen worden gelezen, omgang met, of beter verbod op omgang met de andere sekse enz. Regeltjes om, bij manier van spreken, van dood te vallen.

Probleem is dat in Iran nog een grote meerderheid van de bevolking daar achter staat. In Europa heeft men zich grotendeels kunnen bevrijden van deze religieuze onderdrukking – alhoewel het christelijk fundamentalisme in Nederland bv. nog een belangrijke minderheid vormt (televisie en internet zijn voor die groep nog altijd des duivels). In de Verenigde Staten is het nog erger. Daar bedraagt het aantal fundamentalisten ten minste 25% van de bevolking. Voor die groepen is persoonlijke vrijheid uit den boze en moet de staat de religieuze normen in hun meest gestrenge interpretatie aan iedereen opleggen.

In Iran zijn er enerzijds de heel vele armen, de grote meerderheid van de bevolking, die van dag op dag overleven, geen geld hebben om te experimenteren met alcohol of om de nieuwste westerse muziek en modekledij te kopen. Die hebben dan ook maar weinig op met de verwende groep rijkeluiskinderen die graag buiten de islamitische schreef willen lopen.

Ook is er anderzijds, zoals in Egypte, Algerije, Saoedi-Arabië en de andere Golfstaten enz. een “religieuze burgerij” van handelaars, beoefenaars van vrije beroepen (dokters, ingenieurs, professoren, leraars…), die bewuster in de strikte normen van de islam gelooft en op het behoud ervan staat. Al Qaeda en andere islamitische fundamentalisten in het Midden-Oosten, Afrika, Europa en Azië worden door hen gesteund. Ook in het Westen bestaat er nog altijd zo’n christelijke fundamentalistische burgerij. In Iran zijn het uiteindelijk de “bazaari’s’”, de handelaars, die de islamitische revolutie van Khomeini hebben gefinancierd.

Dat alles wil niet zeggen dat er geen accentverschuivingen kunnen zijn. Ayatollah Khomeini’s wierp de sjah omver in 1979 in naam van de havelozen. Maar in hetzelfde jaar van zijn dood, in 1989, werd ayatollah Rafsanjani president. Die ging de neoliberale toer op. Met liberalisering van de buitenlandse handel. Met privatisering van staatsbedrijven, die, zoals dat in Rusland na de val van het communisme gebeurde, voor een prikje aan de vrienden werden verkocht. Voor een prikje? Dikwijls betaalden ze gewoonweg het bij staatsbanken geleende geld niet terug. Zoals in het Westen leidde dat neoliberalisme tot een groter wordende kloof tussen rijk en arm, tussen winnaars en verliezers. Rafsanjani zorgde ook goed voor zichzelf want hij werd, onder meer door de handel in pistachenoten, dollarmiljardair.

Winnaars pronken dikwijls maar al te graag met hun geld. En willen dus meer persoonlijke vrijheid. Die vrijheid werd hen beloofd door Mohammed Khatami, die in 1997 verrassend de presidentsverkiezingen won van een hardliner. Hij werd in 1991 herkozen voor een tweede ambtstermijn, maar alles samen maakte hij niets van zijn beloften waar. Hij werd strak in het gareel gehouden door het religieuze establishment, waartoe hij als clericus zelf toe behoorde. Wat het hem ook moeilijk maakte om maatregelen te treffen die tegen de belangen van zijn eigen klasse ingingen. De clerus is in wezen steeds conservatief en in de fundamentalistische islam houdt dat in dat de privé-eigendom heilig is – zo werd onder Sadat en Mobarak in Egypte de landverdeling van president Nasser teruggeschroefd op basis van fatwa’s van geestelijke leiders en kreeg de groep van grootgrondbezitters haar gronden terug. Dit eigendomsprincipe heeft voorrang op dat van sociale rechtvaardigheid, dat nochtans, evenals in de Bijbel, ook in de koran niet ontbreekt.

Geen wonder dat de ontgoocheling groot was toen Khatami’s ambtstermijn en einde liep. Dat maakte het mogelijk dat in 2005 een man, Mahmoud Ahmadinejad, die een terugkeer naar de verdediging van de armen, zoals die in principe (de praktijk ligt wel anders) onder Khomeini bestond, tot president werd verkozen. En wat men ook moge zeggen van Ahmadinejad, hij heeft gepoogd zijn beloften waar te maken. Zo voorzag hij vele dorpen van water en elektriciteit, bouwde bruggen en wegen in achtergebleven gebieden, zorgde voor sociale zekerheid voor groepen mensen en deelde soms gewoonweg geld uit aan mensen die iets nodig hadden. Kortom, een “populistische politiek”, die door de rijken werd verketterd, want volgend het “Mattheuseffect” moet worden gegeven aan degenen die al hebben. Een “elitistische politiek” zou de regel moeten zijn, zoals dat bv. ook in België het geval is, waar degenen die geen belastingen kunnen betalen toch moeten afdokken terwijl de belastingverlagingen vooral de vermogenden ten goede komen.

In zijn streven naar sociale rechtvaardigheid kwam Ahmadinejad vorig jaar in botsing met de bazaari’s. De handelaars van de bazaar, die weinig of geen belasting betaalden, waren er niet mee gediend dat hij voorstelde hen hogere lasten op te leggen. Meer zelfs een btw-systeem in te voeren om de begroting in evenwicht te brengen. Om hun verzet te ondersteunen, waren er vorig jaar een reeks stakingen van de handelaars.

Het lijkt er dan ook op dat die bazaari’s de tegenstanders van Ahmadinejad in de race naar het presidentschap hebben gesteund. In de eerste plaats Mir Hossein Moesavi. Dat er in het Westen een hype rond Moesavi ontstond is ook het gevolg van het feit dat de meeste westerse journalisten geen farsi spreken en dus bij de begoede, en vreemde talen sprekende klasse terecht komen voor hun informatie. Reken daarbij dat zij ook de westerse vooroordelen tegen Ahmadinejad meebrachten toen zij de presidentsverkiezingen gingen verslaan. Ze vergaten daarbij dat Ahmadinejad wel populair was bij de armen – tot nader order nog altijd de meerderheid in Iran. En dat Ahmadinejad enorm aan populariteit won door zijn ondubbelzinnige steun aan de Palestijnen toen de Israëli’s in december en januari lelijk huis hielden in de Gaza-strook – met 1400 doden, onder wie ruim een derde kinderen. De toen gelanceerde solidariteitsacties hebben hem zeker geholpen. Zou Moesavi beter zijn? Wellicht voor de rijken, maar hij was de man die in 1987 als eerste minister het geheime Iraanse atoomprogramma opstartte. Van toegevingen op dit vlak zou van hem dan ook maar weinig te verwachten zijn.

Dat het protest zo hevig is, is waarschijnlijk ook het gevolg van financiering van de oppositie door de bazaari’s. En door het buitenland. Het is geen geheim dat de Amerikanen een heel programma hebben lopen bij de minderheden in Iran voor gewapende acties tegen het islamitisch regime. In de eerste plaats bij de ideologische minderheid van de Volksmoedjaheddin, die door Washington en Europa op de lijst van “terroristische organisaties” werden geplaatst toen ze vanuit het Irak van president Saddam Hoessein operaties uitvoerden tegen Iran én optraden als beschermers van het Iraakse regime. Na de bezetting van Irak in 2003 echter waren ze plots geen te ontwapenen terroristen meer en kregen ze hulp voor hun operaties in Iran. Ze bevinden zich zes jaar later nog altijd in Irak, alhoewel premier Nuri al-Maliki beweert dat ze moeten vertrekken.

Ook de etnische minderheden werden gerekruteerd. Dat is merkbaar in de aanslagen die door Baloesji’s, Arabieren en Azeiri’s… worden gepleegd. En natuurlijk ook door de Koerden van de PJAK, de Partij voor een Vrij Leven in Koerdistan, die het Iraanse filiaal is van de (Turks-)Koerdische Arbeiderspartij (PKK). Met deze laatste partij, die in dezelfde kampen verblijft in het Qandil-gebergte in Irak als de PKK, zou de samenwerking inmiddels verbroken zijn. Dit wegens bezwaren van Turkije.

Als er geld voor gewapende actie beschikbaar is vanuit het Westen mag men aannemen dat er ook geld genoeg voorhanden is voor politieke actie. Washington beschikt immers over een heel team dat gespecialiseerd is in het ontketenen van revoluties en staatsgrepen. Dat was lang in Latijns-Amerika actief en werd na de val van de Sovjet-Unie naar Centraal- en Oost-Europa gestuurd om socialistische regeringen ten val te brengen. Met gedeeltelijke successen in landen als Georgië en Oekraïne. Het ziet er echter niet naar uit dat het Iraanse regime, dat wel een crisis kent, echt in gevaar is. Vele opposanten zijn het immers eens met de grote lijnen van dit regime. En de ayatollahs houden alle touwtjes strak in handen. Moest het leger onbetrouwbaar blijken – maar dat heeft daar totnogtoe geen teken van gegeven – kan het regime terugvallen op de Revolutionaire Wachters, op het vrijwilligerskorps van de Bassidji’s en de Komiteh’s die alle wijken in steden en dorpen omkaderen.

(Uitpers, nr. 111, 10de jg., juli-augustus 2009)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 73 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook