Irak heeft – voorlopig – een goede grondwet

Met enige vertraging werd op 8 maart in Bagdad een grondwet ondertekend door de leden van de Iraakse interimregeringsraad. Het gaat officieel om een voorlopige grondwet in afwachting dat er tegen de herfst van 2005 een nieuwe grondwet wordt opgesteld door het parlement dat ten laatste eind januari volgend jaar bij algemeen stemrecht moet worden verkozen. Dit komt er op neer dat Irak voorlopig een grondwet heeft. En dat alle verworvenheden – zoals voor de Koerden en de vrouwen – later weer op de helling kunnen worden gezet.

De Amerikanen bestempelen de voorlopige grondwet als de meest liberale die ooit in het Midden-Oosten is goedgekeurd. Dat is ook zo. Hij bevat een "Bill of Rights", met de rechten van de burger, zoals recht op een onafhankelijke justitie, vrijheid van meningsuiting en vergadering, godsdienstvrijheid, recht op opvoeding en gezondheidszorg. Dat komt vooral omdat de grondwet zwaar de stempel draagt van de Amerikaanse bestuurder van Irak, Paul Bremer, die eenzijdig zijn veto tegen sommige bepalingen stelde en zware druk op de regeringsraad uitoefende om de tekst goedgekeurd te krijgen. Het is dus niet van harte gegaan. Op 30 juni legt Bremer officieel zijn bevoegdheden neer en heeft de grondwet geen machtige beschermer meer.

De vertraging bij de ondertekening kwam er, toen op het allerlaatste moment vijf sjiitische leden (onder wie Muhammad Bahr al-Uloom, op dat moment voorzitter van de raad, Ahmad Chalabi, de leider van het Iraaks Nationaal Congres, en Abdelaziz Hakim, het hoofd van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak), bezwaren opperden tegen de tekst.

Na overleg met de hoogste sjiitische geestelijke leider, groot-ayatollah Ali al-Sistani, werden de handtekeningen alsnog gezet. Maar dat gebeurde zonder veel overtuiging. Integendeel zelfs. Twaalf van de dertien sjiitische leden van de regeringsraad lieten achteraf weten, dat zij niet akkoord waren met twee clausules in de tekst, te weten die betreffende het federalisme en over het belang van de islam. De groot-ayatollah van zijn kant zei dat geen enkele wet, die niet is goedgekeurd door een verkozen parlement, legitiem is. Dit wil zeggen dat hij ook de voorlopige grondwet niet legitiem acht.

Sjiitische meerderheid

De sjiieten vormen, met 60% van de bevolking, de meerderheid van de Irakezen. Vandaar dat de sjiieten zich, onder impuls van Ali al-Sistani, gedeisd hebben gehouden sedert de Amerikaans-Britse oorlog tegen het regime van Saddam Hoessein. Ze rekenen er immers op dat de door de Amerikanen in het vooruitzicht gestelde democratie hen automatisch aan de macht zal brengen. Vandaar ook dat al-Sistani aandrong op verkiezingen vóór de Amerikanen op 30 juni de macht zullen overdragen aan een "echte" Iraakse interim-regering. Op dat punt heeft hij bakzeil moeten halen omdat ook de Verenigde Naties het Amerikaanse argument volgenden dat snelle verkiezingen technisch niet mogelijk waren wegens, onder meer, het ontbreken van kiezerslijsten. De afspraak is wel dat die eind dit jaar of ten laatste eind januari 2005 zullen worden gehouden.

Hoe het in de tussentijd moet is nog niet helemaal duidelijk, zowel wat het overgangsparlement en de overgangsregering betreft. Daarover moet nog een supplement op de grondwet worden goedgekeurd. Eerder stelden de Amerikanen voor getrapte verkiezingen te houden voor een overgangsparlement, via de door hen benoemde districts- en provincieraden. Dat zou een pro-Amerikaanse meerderheid moeten opleveren én te gelijkertijd verhinderen dat de sjiieten aan de macht zouden komen en wellicht een op het Iraanse model geïnspireerd islamitisch bewind zouden invoeren. Wat de regering betreft wordt er gedacht aan een nieuw lichaam dat zou worden aangeduid door het overgangsparlement of aan het uitbreiden van de huidige 25 leden tellende regeringsraad.

Eén van de voornaamste bezwaren van al-Sistani tegen de voorlopige grondwet de eenheid van het land in het gedrang brengt. Die grondwet bepaalt immers, dat drie van de achttien Iraakse provincies in een referendum met tweederden van de stemmen elk nieuw meerderheidsbesluit, ook over een nieuwe grondwet, kunnen verwerpen. Dat komt neer op een vetorecht van de Koerden, waarvan het gebied niet toevallig drie provincies beslaat. Met andere woorden de voorlopige grondwet is een garantie voor de autonomie die de Koerden al sinds 1991 feitelijk genieten. Maar niet alleen de Koerden hebben een vetorecht over alle nieuwe wetten, ook de soennitische Arabieren, die tot de val van Saddam Hoessein Irak hebben gedomineerd en geregeerd, kunnen via die clausule elke beslissing van de sjiitische meerderheid blokkeren.

Het komt erop neer dat de sjiieten, evenals de soennieten en de buurlanden (Syrië, Turkije en Iran) trouwens, het door de Koerden gevraagde, en door de Amerikanen gesteunde, federalisme verwerpen.De Koerden zien dit federalisme als de voortzetting van de feitelijke autonomie die zij al sedert 1991 hebben. Met dien verstande dat hun autonoom gebied zou worden uitgebreid met de oliesteden Mosoel en Kirkoek en dat de regering in Bagdad hen een vast aandeel van de olieopbrengsten zou garanderen.

In principe beschermt de voorlopige grondwet de bestaande Koerdische autonomie via de daarin voorziene vetoprocedure. Maar de praktijk kan heel anders zijn. Ali al-Sistani wil immers een enkele wet erkennen die niet door een verkozen meerderheid is goedgekeurd. En er is uiteraard geen enkele garantie dat een na algemene verkiezingen gevormde regering ooit een referendum zal organiseren… De lijdensweg van de Koerden in Irak is dus lang niet voorbij.

Een tweede belangrijke bezwaar van de sjiieten dat de islam niet het belang krijgt dat hij zou moeten hebben. De grondwet stipuleert wel dat de islam de officiële staatsgodsdienst is en een bron van de wetgeving, maar de sjiieten hadden gewild dat er werd ingeschreven dat de sharia de enige bron van recht zou zijn. Paul Bremer wou op dat punt niet wijken. Ook komen er geen religieuze rechtbanken. Maar Bremer deed wel andere toegevingen. Zo staat er geschreven dat er geen wet kan worden goedgekeurd, die in tegenspraak is met de geloofspunten van de islam, waarover een brede consensus bestaat. Een uiterst rekbaar en niet-objectief begrip.

Vrouwenrechten

Dat was de reden waarom op de dag van de ondertekening, die tevens de internationale de van de vrouw was, in Bagdad door vrouwen gemanifesteerd werd voor gelijkheid van man en vrouw en voor afschaffing van elke discriminatie. Dat gebeurde op het Firdaws-plein, de plaats waar Saddam Hoessein op het einde van de oorlog symbolisch en letterlijk, via zijn standbeeld, van zijn voetstuk werd gehaald. De betoging werd geleid door Yanar Mohammed, de voorzitster van de Organisatie voor de Vrijheid van de Vrouw in Irak. Zij had voor de gelegenheid een kogelvrij vest aan omdat ze ter dood veroordeeld werd door een schimmig "Leger van Sahaba".

De vrouwen zijn niet onterecht bang. Op 29 december waren de islamisten in de regeringsraad, gebruik makend van de afwezigheid van een groot aantal leden, erin geslaagd om bijna tersluiks "wet 137" goed te keuren, waaronder de vooruitstrevende familiewet van 1959 – van lang voor Saddam Hoesseins tijd dus – werd afgeschaft. Dat gebeurde op initiatief van Abdel-Aziz al-Hakim, de leider van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak. Concreet betekende het dat alles wat de familie en de positie van de vrouw betrof, weer onder de bevoegdheid van religieuze rechters zou vallen.

Onder impuls van Paul Bremer herriep de regeringsraad eind februari "wet 137". Dat gebeurde in voltallige vergadering met 15 stemmen voor de afschaffing, 5 tegen en 5 onthoudingen. Bremer hoefde dus niet gebruik te maken van zijn vetorecht over alle beslissingen van de regeringsraad.

Zowel de Koerden als de vrouwen hebben in de voorlopige grondwet hun slag thuis gehaald, ook al kregen de vrouwen geen 40% van de toekomstige parlementszetels, zoals door de soennitische veteraan uit de Iraakse politiek, Adnan Pachachi, was voorgesteld. Maar de toekomst voor beiden blijft hoogst onzeker. In de voorlopige grondwet is een procedure opgenomen die de sjiitische meerderheid ondergraaft. Maar die dreigt te verdwijnen als de sjiieten via de stembus aan de macht komen.

Als het zover komt, want het gevaar voor een burgeroorlog neemt met de dag toe. Tientallen Koerden werden op 1 februari in Arbil gedood bij aanslagen op de kantoren van de twee grote Koerdische partijen – de Democratische Partij van Koerdistan en de Patriottische Unie van Koerdistan – tijdens de viering van het islamitische Offerfeest aldaar. Op 2 maart werden de sjiieten zwaar geraakt – met zeker 180 doden – bij aanslagen op twee heiligdommen in Kerbala en Bagdad op Ashura, het belangrijkste feest van de sjiieten, waarop de marteldood van imam Hoessein, de kleinzoon van de profeet Mohammed en zoon van imam Ali in 680 door de soennitische kalief Yazid te Kerbala wordt herdacht. Maar ook de soennieten blijven niet gespaard. Al wie in dienst treedt van de autoriteiten of diensten verleent aan de Voorlopige Autoriteit van Paul Bremer is een mogelijk slachtoffer.

De autoriteit zelf is in gevaar door het geleidelijk uiteenvallen van de coalitie. De Spaanse socialistische leider Zapatero heeft al laten weten dat de Spaanse troepen na 30 juni worden teruggetrokken, tenzij de Verenigde Naties de zaak overnemen. En de Poolse president Aleksander Kwasniewski gaf in een overmoedig moment toe dat Polen bij de neus was genomen door de Amerikanen om troepen te sturen. Een verklaring die hij later, na enkele telefoontjes uit Washington, gevoelig afzwakte.

Maar ook in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië dreigt de bezetting moeilijker en moeilijker te worden naarmate er meer en meer leugens naar boven komen. De voorlopig laatste in de reeks om Bush aan de kaak te stellen was Richard Clarke, een voormalig veiligheidsverantwoordelijke van het Witte Huis, die getuigde dat de president na 11 september 2001 niet van al-Qaeda wou horen maar absoluut wilde dat Irak als schuldige werd aangeduid. Het kan zelfs de plannen in het gedrang brengen van de VS om permanente basissen in Irak te vestigen – volgens oud-generaal Jay Garner, de voorganger van Paul Bremer – het hoofddoel van de oorlog tegen het regime van Saddam Hoessein.

(Uitpers, nr. 52, 5de jg., april 2004)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 45 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).

zie ook