Irak: drie vragen, drie antwoorden

De Duitse graaf Hans von Sponeck was van 1998 tot 2000 Humanitair Coördinator van de Verenigde Naties voor Irak. Hij was de opvolger van de Ier Denis Halliday, die ontslag nam uit protest tegen de gevolgen van de sancties op de Iraakse bevolking. Hij bestempelde die als "genocide".In 2000 nam von Sponeck op zijn beurt ontslag uit onvrede met de sancties en de tekortkomingen van het olie-voor-voedsel-programma.

Sedertdien voert hij wereldwijd actie tegen de sancties. Op 25 september 2002 hield hij een toespraak voor het "European Colloquium on the American Threat against Iraq" in Brussel. We geven hieronder de vertaalde tekst van zijn rede in verkorte versie weer – onder meer een vierde vraag met betrekking wat het Europees Colloquium concreet zou kunnen doen, werd weggelaten.

Vraag nr. 1: Is Irak een dreigend gevaar?

De Verenigde Staten houden vol dat Irak een bedreiging vormt voor zijn veiligheid. Die bedreiging, zo wordt geargumenteerd, is zo ernstig dat er een preventieve militaire actie vereist is om de VS en de bredere internationale gemeenschap te beschermen. Het Verenigd Koninkrijk (VK) deelt die visie.

De rest van de wereld, in het bijzonder Iraks buren, zijn het daar niet mee eens. De internationale gemeenschap aanvaardt de "bewijzen" die de VS en het VK hebben voorgelegd niet als harde en onbetwistbare bewijzen dat Irak beschikt over materiaal voor ABC-wapens of tracht die te produceren.

Pogingen om Irak in verband te brengen met daden van terrorisme zijn mislukt. Hetzelfde geldt voor pogingen om samenwerking tussen Al-Saeda en Irak aan te tonen.

Een studie van het Brits Internationaal Instituut voor Strategische Studies (IISS) is een goede samenvatting van de speculaties over Irak. De studie besluit dat Irak "waarschijnlijk kernwapens kan maken", "waarschijnlijk het aanmaken van biologische groeibodems heeft hervat", "waarschijnlijk chemische agentia zoals mostardgas en voorlopers heeft achtergehouden", "waarschijnlijk nog een klein aantal ballistische raketten met een reikwijdte tot 650 km, zoals de al-Hoessein-raket heeft verborgen gehouden".

Tijdens een bezoek aan Irak in juli 2002 kreeg ik van de Iraakse regering de toestemming twee door mij gekozen sites te bezoeken: Al-Dora aan de rand van Bagdad en Al-Fallujah III. Beide werden door westerse inlichtingendiensten en door de gevestigde Amerikaanse en Britse media geïdentificeerd als sites waar volgens hun bewijsmateriaal biologische wapens zouden zijn geproduceerd sedert het vertrek van de wapeninspecteurs van de VN in december 1998.

Het IISS-rapport wijst erop dat te Al-Dora "het werk lijkt te zijn herbegonnen. De installatie beschikt over ongeveer 25% van haar capaciteit". Wat Al-Fallujah III betreft zegt het dat "de fabriek voor castorolie vernield werd. Haar huidige status is onbekend". In het door de Amerikaanse regering op 12 september gepubliceerde document "Een decennium van misleiding en uitdaging" heet het dat Al-Dora beschikt over een "uitgebreid systeem voor de behandeling en filtering van lucht" en dat "de Iraakse regering inspanningen doet om de activiteiten in de Fallujah-fabriek te verbergen". In het door de Britse regering op 24 vrijgegeven rapport staat dat Al-Fallujah is "heropgebouwd" en men zich over Al-dora "zorgen moet maken".

Mijn bezoek aan de twee plaatsen in gezelschap van de Duitse tv-zender ARD toonde onbetwistbaar aan dat Al-Dora en Al-Fallujah III vernield werden (het IISS-rapport geeft dat toe van Al-Fallujah). Wat vernield is kan geen bedreiging vormen.

Vraag nr. 2: Wat is de verklaring voor de huidige Amerikaanse Irak-politiek?

Er is geen simpele verklaring. Maar het belang van Iraks energiebronnen, de samenstelling van de regering-Bush en de veranderingen in het politieke landschap in het Midden Oosten zijn drie belangrijke factoren die deel uitmaken van zo’n verklaring.

  • Iraks energiebronnen:
    Tijdens de hoorzittingen op 31 juli en 1 augustus in de Commissie Buitenlandse betrekking van de Amerikaanse Senaat, verklaarde de vooraanstaande Republikeinse senator Richard Lugar: "…we gaan de olie-industrie runnen. We gaan ze goed runnen en gaan geld verdienen; dat zal helpen betalen voor de rehabilitatie van Irak want er is daar geld!"
  • De regering-Bush:

  • Sleutelfiguren in de regering waren betrokken in de Golfoorlog van Bush sr. in 1991. Dat kan verklaren waarom de Amerikaanse regering de Wet op de Bevrijding van Irak van oktober 1998 veel ernstiger neemt dan de regering-Clinton. De wet vraagt om een verandering van het regime in Irak. De politiek van "containment" (in bedwang houden) van president Clinton is onder Bush een politiek van "bezetting van buitenuit" geworden.
    De voornaamste ingrediënten van de Amerikaanse regeringspolitiek tegenover Irak zijn: de geciteerde verandering van politiek, een missionair fanatisme om de Amerikaanse versie van ‘democratie’ te verspreiden, een fatale vermenging van de gerechtvaardigde strijd tegen terrorisme en een strategie voor het veranderen van regimes die geacht worden te agressief anti-Amerikaans te zijn.
  • Het politiek landschap in het Midden Oosten:

  • De ernstige verslechtering van het Palestijns-Israëlisch conflict in de loop van de voorbije twaalf maanden heeft de samenhang tussen de Arabische regeringen versterkt. Betekenisvolle politieke veranderingen in de Arabische Liga werden duidelijk in het slotcommuniqué van de top van maart 2002 in Beiroet. Dit communiqué eindigde met de verwerping van oorlog tegen het "broederland Irak". Sedertdien hebben alle Arabische regeringen, Koeweit en Saudi-Arabië inbegrepen, herhaaldelijk hun verzet tegen een militaire confrontatie met Irak geuit. Er is een sterk publiek ongenoegen, in het bijzonder in Saudi-Arabië, over de "twee maten, twee gewichten" in de aanpak van de twee grote conflicten in het Midden Oosten, de Palestijnse kwestie en Irak. De VS weten dat de akkoorden over hun militaire aanwezigheid in het Midden Oosten niet meer vanzelfsprekend zijn. Daarom is er haast nodig.

Conclusie: De Irak-politiek van de Amerikaanse regering heeft weinig te maken met de terugkeer van de wapeninspecteurs noch met bezorgdheid voor het lijden van het Iraakse volk. Het heeft alles te maken met de Amerikaanse vastberadenheid een nieuw regime in Bagdad te installeren. Wegens deze doelstelling genieten de VS geen internationale steun. President Chirac bevestigde dit toen hij verklaarde: "Het is geen kwestie van Bush/Blair aan de ene kant en Chirac/Schröder aan de andere, het gaat om Bush/Blair aan de ene kant en al de anderen aan de andere kant."

Vraag nr. 3: Wat houdt dat in voor het Iraakse volk?

Ten eerste moet erop worden gewezen dat het lijden en het trauma dat voorvloeit uit de verhevigde confrontatie tussen Irak en de VS/VK en het vooruitzicht op oorlog voorbijgaat aan de politici en de media in Europa. Er zijn overweldigende bewijzen van de tol die deze ontwikkelingen en twaalf jaar van economische sancties van de Iraakse bevolking heeft geëist. De impact daarvan zal nog lange tijd worden gevoeld na de opheffing van de sancties en het einde van het conflict rond Irak.

De humanitaire uitzondering op het embargo, het olie-voor-voedsel-programma, heeft altijd over te weinig geld beschikt. Dat was in het bijzonder zo in de eerste drie fazen omdat de Veiligheidsraad had beslist dat er per faze slechts voor 2,6 miljard $ olie mocht worden verkocht. Toch stond de Veiligheidsraad erop dat er 30% van dit bedrag zou worden afgeroomd voor compensatiebetalingen terwijl de ondervoede bevolking niet eens over elementaire geneesmiddelen beschikte.

Tussen 16 december 1996, toen het olie-voor-voedsel-programma begon, en 10 mei was er voor elke Irakees per jaar slechts 172$ beschikbaar. De Iraakse bevolking is zo verpauperd dat 55% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Dat zou tot 90% opgelopen zijn als er onder het programma niet maandelijks een voedselpakket gratis ter beschikking werd gesteld ter waarde van 25$.

Een andere dramatische indicator van de toestand is de kindersterfte. In het jaarlijks UNICEF-rapport over de toestand van de kinderen wordt gezegd dat de sterfte van kinderen van minder dan vijf jaar met 160% toenam in de periode 1990-1999. Dit is de hoogste toename van alle 188 besproken landen. Nog volgens UNICEF is de geletterdheid onder vrouwen gedaald tot 45% in 1995 terwijl Irak in 1987 door de UNESCO werd geprezen omdat het toen 80% had bereikt. Cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie tonen dat het aantal jongeren met geestesziekten meer dan verdubbeld is tussen 1990 en 1998.

De Amerikaanse regering beschuldigt Irak ervan 16 VN-resoluties te hebben geschonden, maar alles wijst erop dat de Amerikaanse en Britse regeringen de hoofdverantwoordelijken zijn voor de schending van zowat alle internationale verdragen en conventies: van het handvest van de VN tot het Internationaal Verdrag over economische, sociale en culturele rechten, de Geneefse en Haagse conventies en de conventie over genocide. (Zie in dit verband het rapport UN/ECOSOC van 21 juni 2000 (GE.00-14092) van de Belgische professor Marc Bossuyt, nu rechter bij het Arbitragehof, toen hij voorzitter was van een commissie van de Mensenrechtencommissie van de VN; zie ook "The Impact on International Lax of a Decade of Measures Against Iras" dat in februari 2002 werd gepubliceerd door Oxford University Press).

Er moet ook worden gezegd dat de twee "no-fly-zones" op geen enkel mandaat van de VN berusten en dus een ernstige schending van het internationaal recht en van de VN-resoluties betekenen, die specifiek spreken over de territoriale integriteit en soevereiniteit van Irak. Als door de VN aangeduide ambtenaar belast met de veiligheid van de VN-mensen in Irak, maakte ik rapporten op over de gevolgen van Amerikaanse en Britse luchtaanvallen op Irak. In 1999 registreerden we 132 luchtaanvallen met 144 gedode burgers, meer dan 300 gewonden en heel wat vernielingen aan burgerlijke eigendommen. Tijdens verscheidene bezoeken aan New York werden die rapporten overgemaakt aan Amerikaanse en Britse ambtenaren. Ik kreeg van hen te horen dat ik mijn mandaat te buiten ging door zulke documenten op te stellen en dat ik in elk geval een VN-stempel zette op de Iraakse propaganda. Het is een kwalijke zaak dat de Veiligheidsraad daar geen einde aan heeft kunnen stellen.

Als er een Amerikaanse oorlog tegen Irak komt, dan zullen er aanzienlijke burgerlijke verliezen en vernielingen te betreuren vallen. Dit voorkomen is een grote uitdaging voor de Europese democratieën.

(Uitpers, nr. 34, 4de jg., oktober 2002)

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 45 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook