Irak: de missie van Hans Blix

Hans Blix. Missie Irak. Balans, Amsterdam, 2004, 295 blz.

Blix beschrijft in zijn boek Missie Irak het diplomatiek spel voor en achter de schermen met als inzet inspecties of oorlog tegen Irak. Althans, dat is zijn overtuiging. De Zweed is een bevoorrecht getuige en expert op vlak van massavernietigingswapens. Nadat hij zestien jaar heeft gewerkt als directeur-generaal van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) gaat hij in 1997 met pensioen. Net op dat ogenblik beginnen de spanningen rond de inspecties in Irak hoog op te lopen. UNSCOM, de Speciale Commissie van de VN die door Resolutie 687 van de VN-Veiligheidsraad was opgericht, gaat ten onder aan controverses en meningsverschillen en wordt opgedoekt. Met een nieuwe resolutie 1284 komt UNMOVIC (VN-Commissie voor controle, verificatie en inspectie) in de plaats. VN-secretaris-Generaal Kofi Annan vraagt aan Hans Blix om de nieuwe inspectieorganisatie te leiden. Hij aanvaardt de opdracht.

Blix geeft weinig eigen commentaar op de mislukking van UNSCOM. Wel is duidelijk dat hij een streng inspectieregime voor Irak noodzakelijk vindt en dat hij vermoedt dat Irak zaken verborgen houdt. UNSCOM was een vehikel voor spionnen, waarbij (volgens o.m. ex-inspecteur Scott Ritter) zelfs informatie is doorgesluisd naar aartsvijand Israël. Blix laat in het midden of hij die stelling volgt. Hij geeft zelfs eerder de indruk dat het allemaal wat overdreven wordt, via formuleringen als "aldus de berichten" of cynische zinsneden als dat "het regime wel opgetogen" moet zijn geweest over het spionnenverhaal. Het bracht immers UNSCOM volledig in diskrediet. Idem voor de gevolgen van de sancties, die hij trouwens niet in vraag stelt. Deze, zo begint hij, "brachten de regering geen schade toe, alleen maar het Irakese volk, en niet in het minst de kinderen" waarna hij er een veelbetekenend "zo werd gezegd" aan toevoegt. Daarmee lijkt Blix officiële VN-rapporten te minimaliseren alsook de kritiek van VN-functionarissen als Denis Halliday (hij nam de term ‘genocide’ in de mond) en Hans von Sponeck die beiden uit onvrede ontslag namen als bazen van het Olie-voor-voedsel-programma.

Uiteindelijk is het sanctieregime verlicht. In Blix’ visie en volgens zijn berekeningen waren de sancties niet langer meer een belemmering voor de legale import en dienden ze enkel nog als controle. Hij geeft daarop cijfers om dat te staven. Heel het sanctieverhaal is een discussie apart (en Blix staat er ook niet lang bij stil), maar zijn berekeningen zijn niet eerlijk. Hij brengt de afdrachten voor de herstelbetalingen (30 procent) en de administratieve kosten van het programma en de wapeninspectieteams niet in mindering. Min daarbovenop de 13 procent voor de Koerdische regio restte voor Irak uiteindelijk slechts 53 procent.

Blix visie op de hele kwestie van de massavernietigingswapens en de inspecties is als volgt samen te vatten. Volgens hem was er inderdaad een probleem: "Persoonlijk vond ik op dat moment dat Iraks onvermogen of onwil om te bewijzen dat het geen massavernietigingswapens bezat, een reden was het land niet te vertrouwen en de sancties te handhaven" (p. 20). Dat was ook zijn publieke positie: "Ik zei tegen de pers dat we uitsluitend waren gekomen omdat de wereld er zeker van wilde zijn dat Irak geen massavernietigingswapens bezat. Als we die zekerheid al in 1991 hadden gekregen, zouden Irak de sancties gespaard zijn gebleven."(p. 106) Hoewel hij vond dat daar voldoende tijd moest voor worden uitgetrokken was hij voorstander van een hard inspectieregime. Zo bestempelde hij de opname van een clausule bij de opmaak van een nieuwe resolutie (de latere VN-Veiligheidsraadresolutie 1441) "die gewapende actie legitimeerde als Irak niet meewerkte" als waardevol. (p. 93) Hij had er ook een redelijk vertrouwen in dat de VS de militaire opbouw in de regio vooral zagen als extra drukkingmiddel voor goede inspecties. "Ik zag niet in dat het opvoeren van de militaire druk en het mobiliseren voor gewapend optreden noodzakelijkerwijs een wens naar een vreedzame oplossing uitsloot" (p. 95). Volgens Blix was de nieuwe resolutie 1441trouwens "een draconische resolutie die door geen enkele staat zou zijn geaccepteerd, tenzij deze direct werd bedreigd met een gewapende aanval". En hij zei dat niet om kritiek op de militaire opbouw te uiten.

Blix is geregeld dubbelzinnig, zelfs tegenstrijdig in zijn mening over de Amerikaanse bedoelingen, zoals uit volgende passage blijkt (p. 22): "Er is wel beweerd dat de Verenigde Staten wilden dat de inspecties zouden mislukken en dat de schaarse hoeveelheid locaties die de Amerikaanse inlichtingendienst in november en december 2002 voor inspectie had voorgesteld in dit licht moest worden bezien. Ik deel deze opvatting niet. Zoals we zullen zien koesterden de Verenigde Staten op dat moment grote belangstelling voor de inspecties en moedigden ons aan deze in hoog tempo uit te breiden en ze ‘agressief’ uit te voeren, misschien met de hoop, of ten minste de verwachting, dat Irak ons toegang zou weigeren, zodoende de resolutie zou schenden en zich ontvankelijk zou maken voor ‘ernstige gevolgen". M.a.w. dus toch streefden naar een mislukking?

In elk geval maakt Blix geen gewag van de uitlating van de voormalige minister van Financiën O’ Neill op 11 januari (Blix’ voorwoord in het boek is gedateerd op 30 januari) dat de oorlog tegen Irak al voor 11 september 2001 was gepland. Dat past trouwens in de lijn van de politiek van Washington waar sinds oktober 1998 ‘regime change’ tot officiële politiek is uitgeroepen. Op 31 oktober 1998 werd die beleidslijn formeel vastgelegd in de ‘Iraq Liberation Act’ (ILA).

Ondanks dat lijkt Blix te geloven dat Irak zelf de sleutel in handen had voor een vreedzame oplossing. Zo blijkt toch uit zijn verslag over de voorstelling van zijn rapport aan de VN-Veiligheidsraad op 27 januari 2003. Tegen Kofi Annan zei hij dat "de keus was of ontwapening door inspectie of ontwapening door oorlog." En die keuze "lag niet alleen bij de leden van de Veiligheidsraad maar ook bij Irak".(p. 137) Blix’ visie dat ontwapening "een alternatief voor oorlog, niet de aanzet daartoe" (p. 144) was, creëerde voor Irak een paradox, waar hij zelf geen oplossing voor geeft. Stel dat er wapens gevonden waren, dan was er sprake van de beruchte ‘smoking gun’, wat ongetwijfeld voor de VS het ultieme argument zou vormen voor een oorlog. Maar als er niets gevonden wordt of Irak zich in een ‘onvermogen’ bevindt om aan te tonen dat het geen massavernietigingswapens meer heeft, dan zou dit gezien worden als onwil of gebrek aan medewerking en dus… ‘oorlog’. Blix toont zich trouwens in dat verband een volgeling van de merkwaardige omkering van de bewijslast. In zijn verklaring voor de VN-Veiligheidsraad van 14 februari 2003 zegt hij: "we moeten niet overhaast concluderen dat ze er zijn. Die mogelijkheid is echter ook niet uit te sluiten. Als ze er zijn, moeten ze ter vernietiging worden overgedragen. Als ze niet bestaan, moet daartoe strekkend geloofwaardig bewijsmateriaal worden overgelegd." (p. 190)

Pas vanaf de helft van het boek slaat Blix wat om en wordt hij nerveuzer over het gedrag van de VS. Dat heeft wellicht te maken met de bewuste verklaring op 14 februari waarover premier Blair hem berichtte dat de Amerikanen teleurgesteld waren. Reden: hij zou te weinig rekening hebben gehouden met de door de VS aangebrachte ‘bewijzen’. Blix gaf integendeel lucht aan zijn twijfels over de geloofwaardigheid van de veiligheidsdiensten die "geneigd kunnen zijn meer uit het materiaal te halen dan erin zit". Verderop gaat hij uitvoerig in op hoe hij en zijn collega El Baradei (de baas van het IAEA) in de VS-pers onder vuur kwamen te liggen. El Baradei stond immers zo goed als op het punt om te concluderen dat in Irak geen atoomwapenprogramma liep. Dat was niet naar de zin van de VS, die in de Veiligheidsraad steeds openlijker campagne voerden om een meerderheid achter hun standpunt voor oorlog te krijgen. Maar het is vergeefs wachten op een striemend oordeel van Blix op deze hele gang van zaken. In zijn laatste hoofdstuk met de veel veelbelovende titel ‘Na de oorlog: massaverdwijningswapens’, keert hij terug naar zijn diplomatieke evenwichtsdans: "Ik wil niet suggereren dat Blair en Bush bewust een onjuiste voorstelling van zaken gaven, maar als zij en hun naaste adviseurs even kritisch hadden nagedacht, hadden ze, denk ik, geen uitspraken gedaan die misleidend waren voor het publiek" (p. 276).

We hebben er het raden naar waarom Blix harde woorden aan het adres van de VS en Groot-Brittannië schuwt, zelfs niet als overduidelijk blijkt dat beide landen ontzettend knoeien met gegevens. Wellicht heeft het te maken met zijn jarenlange carrière als topambtenaar, waarbij voortdurend tussen verschillende posities moet worden gelaveerd.

Toch is het niet enkel dat. Het lijkt er sterk op dat Blix opgesloten zit in een bepaald denkpatroon. Geregeld laat hij na vragen te stellen bij een aantal fundamentele kwesties. Zo maakt hij zich nauwelijks bedenkingen bij de belachelijke VS-stelling dat Irak zwaar moest aangepakt worden omdat het land een bedreiging vormde voor de ‘wereldvrede’. Zijn discours is danig eng opgebouwd rond het massavernietigingswapens en inspecties, dat hij geen ruimte vindt (wil vinden?) om ook maar de hypothese te onderzoeken dat er eventueel andere factoren in het geding zijn, zoals economische, militaire of geopolitieke belangen. Op geen enkel ogenblik ook laat Blix de kwestie van het arsenaal massavernietigingswapens in Israël aan bod komen, ook niet op die plaatsen waar hij de problematiek in de regio schetst (Iran, Syrië of Noord-Korea worden wel genoemd).

Hij besluit gelaten dat de oorlog tegen Irak niet meer ongedaan kan worden gemaakt, ook nu blijkt dat er geen massavernietigingswapens zijn gevonden, waarop hij de oorlog nog een positieve draai wil geven. Immers, één van de "wreedste regimes sinds de tweede wereldoorlog" is uit de wereld verdwenen (p.284). De dodentol die dat nog altijd kost laat hij onvermeld. Verderop schrijft hij: "door de oorlog zullen misschien democratieën ontstaan in Irak en elders in de wereld" (een oud maar nog altijd actueel VS-argument) en er is een "dam opgeworpen tegen de proliferatie van massavernietigingswapens, ongeacht het feit dat dergelijke wapens daar niet zijn aangetroffen." Hij bedoelt wellicht de proliferatie bij ‘ongewenste regimes’ (en verwijst trouwens zelf naar Libië). De actuele modernisering van de nucleaire arsenalen in de VS, Frankrijk en China zouden Blix wat sceptischer mogen stemmen.

De allerlaatste bladzijde is gewijd aan het door Bush geformuleerde recht op een preventieve aanval, waarop hij opnieuw de VS probeert te strelen: "In sommige situaties is dat gemakkelijk te bepalen, zodat niemand problemen heeft met een preventieve actie en daarvoor geen toestemming nodig heeft". Maar aan de andere kant: "het ontbreken van deze legitieme ondersteuning (van de Veiligheidsraad, nvdr) schaadde de rechtmatigheid van de actie, de geloofwaardigheid van de regeringen die de actie doorzetten, en het gezag van de Verenigde Naties".

(Uitpers, nr. 53, 5de jg., mei 2004)

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).