Iraanse conservatieven in de tegenaanval

In mei 1997 won de hervormingsgezinde Mohammed Khatami, tegen de verwachtingen in, en dan nog met een ruime meerderheid, de Iraanse presidentsverkiezingen. De triomf kreeg een vervolg tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van februari 1999 en in de parlementsverkiezingen van eerder dit jaar. Maar nog vóór de nieuwe majlis (parlement) op 28 mei bijeenkwam, sloegen de conservatieven terug: hervormingsgezinde kranten werden met bosjes gesloten, hervormingsgezinden voor de rechtbanken gedaagd.


Is het hier een laatste sluiptrekking, een achterhoedegevecht van rechts tegen onvermijdelijk geachte hervormingen, liberalisering en plurlalisme of een stap naar de terugkeer van een conservatief regime – er is in dit verband zelfs gesproken van een mogelijke staatsgreep. Of is het gewoon een poging de balans weer in evenwicht te krijgen tussen de verschillende fracties en groepen?


De derde mogelijkheid mag zeker niet worden uitgesloten. President Khatami en de opperste geestelijke leider en opvolger van wijlen ayatollah Khomeini, ayatollah Ali Khamenei, zijn geen vijanden. Beiden zijn – zoals overigens het hele establishment – islamitische geestelijken die een evenwicht zoeken tussen een conservatieve sjiitische islam en de noodzaak tot openheid en hervormingen om voor de (olie)industrie de broodnodige kapitalen aan te trekken. Vooral willen zij de macht van de geestelijkheid handhaven.


Als de hervormingsgezinden lijken te triomferen, zoals bij voorbeeld bij de grote studentenbetogingen van juli vorig jaar, zal ook Khatami op de rem gaan staan. En als de conservatieven te veel het laken naar hun kant trekken, zal Khamenei ze desavoueren. Zo liet hij de verantwoordelijken voor een reeks politieke moorden in 1998 en voor de excessen van de repressie tegen de studentenbetogingen van 1999 vervolgen. Vorig jaar ook, zette hij de al te demagogische opperrechter ayatollah Mohammed Yazdi af en verving hem door de als reformist bestemde ayatollah Mahmud Hashemi Shahrudi.

Een reactionaire revolutie



De revolutie van 1979 in Iran tegen de monarchie was in wezen een reactionaire revolutie: tegen het afkalven van traditionele machtsposities en tegen de buitenlandse invloed die interne veranderingen bevorderde. De Iraanse geestelijkheid begon haar openlijk verzet tegen het bewind van sjah Reza Pahlavi pas toen deze in 1963 zijn “witte revolutie” lanceerde. De clerus nam aanstoot aan het feit dat vrouwen stemrecht kregen. Maar hij was vooral woedend over de landbouwhervorming, waaronder de geestelijken hun enorm grondbezit, en daarmee de basis van hun macht, zouden verliezen. En om die macht was het te doen. In dit verband ontwikkelden sjiitische geestelijken, onder wie Khomeini, de doctrine van de velayat-a-faqih of het bestuur van de staat door een opperste rechtsgeleerde. Met andere woorden, de staat dient te worden geleid door een geestelijke. Een doctrine die door vele geestelijken wordt verworpen omdat de sjiitische vorm van de islam traditioneel anti-staats is. Ook in Iran zijn er vele leidende clerici die deze doctrine verwerpen. Hervormingsgezinden in Iran pleiten voor de afschaffing ervan.


Een tweede belangrijke component van de islamitische revolutie waren de traditionele, gelovige handelaars van de bazaar, de zgn. bazari’s, die zich gepasseerd voelden door de snelle modernisering en industrialisering van de sjah. Ze waren niet langer de gepriviligeerde tussenpersonen en konden dus geen percenten opstrijken op de enorme sommen die werden besteed aan de uitvoering van de plannen van de sjah. Het was een nieuwe klasse van seculiere zakenlui rond de sjah, van wie velen aan buitenlandse universiteiten, ook in België, hadden gestudeerd, die schatrijk werd door de commissies. Uit wraak financierden de bazari’s de campagne van Khomeini tegen het keizerlijke bewind.


De andere componenten van het verzet tegen de sjah – zoals nationalisten, liberalen, de communistische Tudeh en de nog steeds vanuit Irak opererende links-islamitische Volksmodjaheddin – werden na de revolutie één voor één geëlimineerd, dikwijls fysiek. Ook geestelijken rond ayatollah Shariat-Madari, een tegenstander van het bestuur door de opperste rechtsgeleerde, kregen te lijden onder de repressie. Het verlangen naar autonomie van minderheden als Koerden, Baloetsji’s en Turkmenen werd met geweld onderdrukt.


Zo kon Iran tot een Islamitische Republiek worden uitgeroepen volgens de doctrine van de velayat-a-faqih, waaronder Khomeini de opperste geestelijke leider werd. De conservatieve bazari’s en geestelijken kregen echter af te rekenen met radicale revolutionaire geestelijken en hun voetvolk, dat tijdens het verzet tegen de sjah een beter lot was beloofd. De revolutie bracht een eigen dynamiek op gang. Revolutionaire studenten bezetten van november 1979 tot 20 januari 1981 de Amerikaanse ambassade in Teheran en gijzelden er 53 personeelsleden. Opperrechter Khakhali kende bijna niets anders dan doodsvonnissen tegen ieder die enig verzet bood tegen de richting van de revolutie. Een revolutie die ook de ambitie had haar idealen uit te dragen en de regimes in de regio omver te werpen – wat één van de redenen was voor de verwoestende oorlog met Irak (1980-1988).

De uitschakeling van de revolutionairen



Khomeini zal de rest van zijn leven, tot zijn dood in juni 1989, voor een deel spenderen aan het zoeken naar een evenwicht tussen de onstuimige, sterk anti-westerse revolutionairen en de conservatieven. Het was echter niet van meetaf aan duidelijk dat het hier om conservatieven ging. Door het contrast tussen beide groepen werden deze laatsten nogal eens verkeerdelijk als “hervormers” voorgesteld. Toen in 1989 de macht werd verdeeld onder Hashemi Rafsanjani, een naaste en loyale medewerker van Khomeini, die president werd , en Ali Khamenei, die de functie van opperste geestelijke leider overnam, hadden velen de indruk dat het om een machtsdeling tussen hervormers en conservatieven ging. Die indruk werd nog versterkt toen Rafsanjani erin slaagde de revolutionairen grotendeels uit te schakelen of op een zijspoor te zetten – grotendeels door ze een onvoldoende te geven op het examen waarin ze hun kennis van de islam moesten bewijzen om voor verkiezing in aanmerking te komen. Populair in het Westen werd hij ook toen hij economische hervormingen aankondigde en vooral de Europese landen al een markt van 65 miljoen mensen zagen opengaan, waarop dankzij de olie van Iran, goed geld zou kunnen worden verdiend.

Maar alles samen bleek Rafsanjani uiteindelijk een exponent te zijn van de conservatieve geestelijkheid, die in het parlement samenwerkte met de bazari’s – kortom een man van de conservatieve coalitie van vóór de revolutie tussen clerus en bazaar. Van diepgaande hervormingen was er dan ook geen sprake. Vele geestelijken konden een luxueus leven leiden als voorzitters van stichtingen voor de armen, oorlogsslachtoffers enz. die monopolies kregen voor de invoer van bepaalde goederen en daar grof geld aan verdienden. Ze werkten daarbij samen met de bazari’s, die interessante inkomsten konden verwerven via hun religieuze connecties en dus evenmin voor een vrije markteconomie en concurrentie waren gewonnen.


Rafsanjani’s blazoen is de laatste tijd nog verder getaand doordat hij bij de jongste parlementsverkiezingen openlijk als boegbeeld van het conservatieve kamp optrad en het in Teheran slechts met de hakken over de sloot – volgens velen slechts dankzij gesjoemel – haalde. De beschuldigingen van verkiezingsfraude waren niet uit de lucht. Feit is dat Rafsanjani zijn zetel pas definitief behaalde toen de conservatieve Raad van Hoeders een aantal verkiezingsuitslagen naar de prullenmand verwees. Rafsjani verkoos dan ook liever de eer aan zichzelf te houden. Twee dagen voor de eerste zitting van de nieuwe majlis besloot hij zijn zetel niet zullen innemen.


Zijn reputatie was eerder ook in het gedrang gekomen toen men zich hier en daar begon te realiseren dat hij de man was die verantwoordelijk was voor een reeks politieke moorden in het buitenland. Zoals op de leider van de Koerdische Democratische Partij van Iran (KDPI), Abdul Rahman Ghassemlou, in Wenen op 13 juli 1989 en op diens opvolger, Said Charafkandi, en drie andere KDPI-leden in een Grieks restaurant in Berlijn op 17 september 1992. Op het proces tegen de moordenaars in Duitsland werd Teheran openlijk aangewezen als opdrachtgever.

De beloften van Khatami



Omdat in Iran een president slechts twee achtereenvolgende mandaten kan hebben, betekende 1997 het einde van het tijdvak-Rafsanjani. De conservatieve voorzitter van het uittredende parlement, Ali Akbar Nateq-Nouri, werd als nieuwe president naar voor geschoven en was de gedoodverfde overwinnaar. Hij werd echter met een verrassend grote meerderheid verslagen door Mohammed Khatami, die een paar jaar eerder door de conservatieven de laan was uitgestuurd als minister van Cultuur wegens zijn te grote tolerantie. In zijn campagne kwam hij op voor grotere persoonlijke vrijheid, een vrijere pers en pluralisme. Met succes.


Vele Iraniërs toonden in het stemhokje dat ze de conservatieve coalitie van geestelijken en bazari’s beu zijn, dat ze genoeg hebben van de betutteling van de overheid, van de willeurige huiszoekingen door de Komitehs, van de “islamitische straffen” voor zonden tegen de gedrags- en kledijcode, van ingrepen allerhande in het privé-leven???


Meteen begon het te roeren in het conservatieve kamp. Het kwam tot een nu al drie jaar durende, soms bloedige strijd, tussen de hervormers en de conservatieven, die de meerderheid in het parlement hadden. Dit voorjaar kwam er een nieuw grootscheeps conservatief offensief. Het begon met de moordpoging op de leidende hervormer Saeed Hajjarian in maart. Op 16 april dreigden de Revolutionaire Wachters reformistische leiders en intellectuelen “het hoofd in te slaan”. Vier dagen later, op 20 april, hield geestelijk leider Khamenei de eerste van een reeks lange redevoeringen, waarin hij scherp uitviel tegen de florerende reformistische pers. Hij beschuldigde ze ervan te werken “voor de vijand” (de Verenigde Staten) en “de islamitische beginselen te ondermijnen”. De Revolutionaire Rechtbanken, die gebruik maakten van een nieuwe, door het conservatieve parlement goedgekeurde perswet, pikten hier op in door leidende journalisten gevangen te zetten. Ook deelnemers aan een conferentie in Berlijn van de Duitse Groenen over de Iraanse revolutie werden gedagvaardd of opgesloten. Op 23 april ten slotte sloten de rechtbanken ineens twaalf hervormingsgezinde kranten en vier dagen later nog eens twee.


Begin mei nam ayatollah Khamenei zijn regulerende rol weer op. In een vrijdagssermoen stak hij een olijftak uit naar de onder zijn impuls eerder belaagde hervormers. Hij erkende dat er verschillende fracties waren én dat ze het recht hadden naast elkaar te bestaan. In tegenstelling met zijn eerdere verklaringen dat ze de eenheid en de stabiliteit van het regime bedreigden, meende hij nu dat ze “de twee vleugels van dezelfde vogel” waren. Maar hij waarschuwde de hervormers ook meteen dat ze hun eisen moeten matigen en afstand nemen van de secularisten die de doctrine van de velayat-a-faqih verwerpen. Met andere woorden, Khamenei werkt aan een centrumcoalitie van de gematigden uit beide kampen. Met de kans dat er een soort heruitgave komt van het Rafsanjani-tijdperk: veel beloften voor, maar uiteindelijk slechts beperkte hervormingen.



Op economisch vlak is er alvast een zekere continuïteit vast te stellen. In het spoor van Rafsanjani’s streven naar buitenlandse investeringen wist Khatami belangrijke contracten met grote olie- en gasmaatschappijen af te sluiten. Het conflict en het verzet van de bestaande structuren van het regime hebben echter verdere hervormingen onmogelijk gemaakt. Zo verwees de Raad van Hoeders, een orgaan dat ook de in het parlement goedgekeurde wetten op hun islamitisch karakter moet controleren, in maart zijn ambitieuze privatiseringsplannen, vooral voor de banken en de belangrijkste industrieën, naar de prullenmand als ongrondwettelijk. Het is zeer de vraag of het nieuwe, hervormingsgezinde parlement dat eind mei voor het eerst bijeenkwam, daar nog veel zal aan kunnen veranderen.

Er zijn immers enorme economische en financiële belangen mee gemoeid. De coalitie van conservatieve geestelijken en bazaari’s, die de economie in handen kreeg, heeft enorm veel te verliezen bij hervormingen. Zeker nu de olieprijzen weer hoge toppen scheren en er miljarden dollar meer naar Iran stromen.


Ook mag niet worden vergeten dat de conservatieven nog steeds vele machtsposities innemen. In de eerste plaats in de Raad van Hoeders, die alle wetten kan tegenhouden. Er zijn hun paramilitaire organisaties zoals de Revolutionaire Wachters, de Basidji (vrijwilligers) en de Komitehs. Ook beheersen de conservatieven de justitie en de veiligheidsorganen van de staat. President Khatami’s speelruimte is dan ook zeer beperkt. En het is nog steeds de vraag of hij echt diepgaande hervormingen wil – hij is immers zelf een geestelijke en echte hervormingen maken slechts een kans als de rol van de geestelijkheid in de staat wordt teruggedrongen.

In het buitenland koestert men niettemin hoge verwachtingen en heeft Khatami veel krediet. Hij zet de pragmatische koers verder die ayatollah Khomeini in 1988 insloeg toen hij, met enorme pijn in het hart op instigatie van premier Rafsanjani de oorlog met Irak stopzette omdat dat er geen kans op overwinning inzat. Die beslissing betekende meteen het einde van de pogingen de islamitische revolutie verder uit te dragen. Met als gevolg dat er ruimte voor toenadering tot de rest van de wereld kwam. In de eerste plaats tot de conservatieve Arabische monarchieën op het Arabische schiereiland, die grotendeels de oorlog van Saddam Hoessein tegen Iran financierden uit schrik voor de islamitische revolutie.


Onder Rafsanjani begon ook het geleidelijke herstel van de relaties met het Westen, dat door Khatami met succes werd voortgezet. Europa heeft ondanks de affaire Salman Rushdie zijn relaties met Iran vrijwel volledig genormaliseerd. Ook de Verenigde Staten hebben er veel voor over om het oude bondgenootschap met het strategisch gelegen Iran weer op te nemen. President Clinton vorig jaar en minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright dit jaar boden hun excuses aan voor de Amerikaanse politiek uit het verleden, met name voor de CIA-staatsgreep tegen het bewind van de nationalistische eerste minister Mossadegh in de jaren 1950. Iets wat in scherp contrast staat met de houding ten overstaan van Vietnam: toen defensieminister William Cohen dat land bezocht in de periode van de 25ste verjaardag van de val van Saigon, zei hij dat er geen excuses inzaten van Amerikaanse kant.


Als men weet dat drie miljoen Vietnamezen het leven verloren in de Vietnamese oorlog (onder wie er 20.000 die onder het Fenix-programma werden vermoord zonder vorm van proces op verdenking van lidmaatschap van de Vietcong), en dit zelfs geen verontschuldiging waard wordt geacht, is het duidelijk hoe graag Washington weer aanwezig zou willen zijn in Iran. Maar dit ligt nog zeer gevoelig bij de Iraniërs, ook al heeft de meerderheid van de Iraniërs door de snelle bevolkingsgroei (35 miljoen in 1979, nu 65 miljoen) zelfs de islamitische revolutie niet meegemaakt. De Amerikanen zijn immers altijd de grote beschermers geweest van de gehate sjah en hebben jaren lang het voortouw genomen in een politieke, financiële en economische campagne tegen de Islamitische Republiek. Er zijn nog steeds Amerikaanse sancties tegen Iran van kracht en het probleem van de sedert 1979 in de VS geblokkeerde Iraanse tegoeden is nog altijd niet opgelost.


De smadelijke Israëlische uittocht uit Libanon heeft de anti-Amerikaanse fractie in het Iraanse establishment zeker versterkt. De nederlaag van Israël is immers ook een nederlaag van de Verenigde Staten, de grote beschermheer van Israël. De overwinning van de sjiitische Hezbollah (Partij van God) in Zuid-Libanon is ook de overwinning van Iran. Verdere toegevingen van Khatami in het vredesproces in het Midden Oosten tussen Israël en Arabieren en Palestijnen – eerder verklaarde hij dit vredesproces niet te zullen tegenwerken en “niet Palestijnser dan de Palestijnen” te zullen zijn – zijn momenteel uitgesloten.

Visited 3 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).