Iraakse premier voor onmogelijke taak

Dat het “stil” is geworden rond Irak kan niemand beweren. Dagelijks blijven de berichten binnenstromen over doden, moorden en aanslagen. Soms putten degenen die de Amerikaanse inval van 2003 steunen hoop uit een statistische vermindering van het aantal “incidenten”, om de volgende dag dan weer te worden geconfronteerd met een “heropflakkering” van het geweld. Maar het is wel stil geworden rond de “staatsopbouw”, die een bijna onmogelijke opgave lijkt.

Bijna drie maanden na de verkiezingen van 30 januari, die moeilijk als “vrij en eerlijk” kunnen worden genoemd want gehouden onder Amerikaanse bezetting, had Irak nog steeds geen regering. Het nieuwe interim-parlement kwam wel op 16 maart – de verjaardag van de gifgasaanval door Iraakse troepen op de Koerdische stad Halabja in 1988 – voor het eerst bijeen. Voor een symbolische zitting, want de partijen waren het na anderhalve maand nog niet eens geworden over de nieuwe interim-president en over de nieuwe interim-premier.

Op 8 april werd ten slotte de leider van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), Jalal Talabani, tot interim-president gekozen. Een primeur voor Irak: voor het eerst werd iemand an de Koerdische minderheid tot het hoogste ambt gekozen. Het is grotendeels een protocollaire functie met weinig reële bevoegdheden, maar toch. De buurlanden, vooral Turkije, die misbaar hadden gemaakt over de mogelijkheid dat het presidentschap aan een Koerd zou te beurt vallen, hielden zich gedeisd. Als vice-presidenten werden de soenniet Ghazi al-Yawar en de sjiiet Abdel Abdel Mahdis aangeduid. Ten slotte benoemde Talabani de sjiiet Ibrahim al-Jafaari, de voorzitter van de islamistische Dawa-partij (Partij van de Prediking), aan tot eerste minister. Al-Dawa is één van de partijen die deel uitmaakten van de Verenigde Iraakse Alliantie, de coalitie van sjiitische partijen, die 140 van de 275 parlementszetels won, en die onder de “geestelijke” leiding staat van groot-ayatollah Ali al-Sistani.

Het lange getouwtrek over de hoogste functies en de problemen bij de regeringsvorming voorspellen niets goeds. Volgens het voorziene schema zou het parlement al eind maart zijn zegen aan een nieuwe regering hebben moeten geven. Tegen 15 augustus zou het parlement klaar moeten zijn met een ontwerp van grondwet, waarover de bevolking zich op 15 oktober in een referendum zou moeten uitspreken. Op 15 december ten slotte zouden er dan nieuwe parlementsverkiezingen moeten worden gehouden voor een “echt” parlement. Op basis van de uitslag zou dan een “soevereine” regering moeten worden gevormd.

Vrijwel niemand gelooft dat dit schema kan worden gehaald. Als het al zo moeilijk is een president, een premier en een regering te kiezen, hoe zou men het dan snel eens geraken over de fundamentele problemen. Zoals de rol van de islam in de staat, zoals de door de Koerden geëiste gebiedsuitbreiding (onder meer met Kirkoek) en federalisme. In de ogen van de Koerden moet dit federalisme neerkomen op feitelijke, volledige Koerdische autonomie, met inbegrip van een eigen leger. Dit is onaanvaardbaar voor zowel de sjiitische als de soennitische Arabieren.

Ook over de Amerikaans troepen lopen de meningen uiteen. Op 9 april, de tweede verjaardag van de val van Bagdad, betoogden tienduizenden sjiitische aanhangers van Moqtada al-Sadr, die voorstander is van een islamistisch bewind in Irak, tegen de aanwezigheid van buitenlandse troepen in Irak. Eerder had Abdel Aziz al-Hakim, de voorzitter van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak, tevens officiële leider en lijsttrekker van de Verenigde Iraakse Alliantie, gezegd dat de Amerikaanse troepen zo snel mogelijk moeten vertrekken. President Talabani daarentegen is voor de aanwezigheid van de Amerikanen voor onbepaalde duur. Totdat Irak erin slaagt een eigen veiligheidsapparaat op te bouwen. Een begrijpelijk standpunt, want de Koerden waren de bondgenoten van de Amerikanen bij hun inval in maart 2003. Bij het vertrek van de Amerikanen dreigen de Koerden nogmaals het deksel op de neus te krijgen. Vandaar ook hun eis dat de Koerdische Pesh Merga geen deel zouden uitmaken van het Iraakse leger maar een eigen statuut krijgen.

De Amerikanen zelf weten het ook niet goed meer. Bij een bezoek aan Irak in april informeerde minister van Defensie Donald Rumsfeld ook naar de mogelijkheden van een vermindering van de nog 170.000 manschappen tellende troepenmacht in Irak. Volgens de Amerikaanse pers zou het troepenaantal vanaf begin volgend jaar worden afgebouwd. Die berichten waren alvast aanleiding voor Polen om aan te kondigen dat het zijn soldaten tegen die tijd wil terughalen. Polen had zijn contingent in Irak al eerder van 2.500 tot 1.700 soldaten teruggebracht. Ook de Italiaanse premier Silvio Berlusconi kondigde na de vrijlating van een journaliste in Irak aan dat hij de Italiaanse troepen zou terughalen. Onder druk van president Bush en van de Britse premier Tony Blair haalde hij echter bakzeil. In Polen en Italië – zoals in heel Europa en vrijwel de hele wereld – is het Irak-avontuur van Bush uiterst onpopulair en Berlusconi kan best wat meer populariteit gebruiken nu zijn politieke ster tanende is. Met Polen zijn er nu al in totaal twaalf “coalitielanden” die hun troepen terugtrokken of aan het terugtrekken zijn uit het Iraakse wespennest.

Ook in de VS zelf is de oorlog weinig populair na de dood van al ongeveer 1.600 militairen. Dat blijkt uit het feit dat de ronselaars voor het leger het steeds moeilijker krijgen om nog nieuwe rekruten aan te trekken. En vele soldaten verlengen hun contract niet meer – ook omdat, als ze wel in Irak willen blijven, ze bij privé-bewakingsdiensten in Irak veel meer kunnen verdienen. Het Amerikaanse leger geraakt stilaan onderbemand, iets wat ook tot voorzichtigheid zal leiden vooraleer nieuwe militaire avonturen, bv. tegen Syrië of Iran, te beginnen. Van herinvoering van de dienstplicht is zowel om economische als politieke redenen geen sprake.

Corruptie

Rumsfeld waarschuwde bij zijn bezoek aan Irak ook voor politieke zuiveringen, corruptie en incompetentie. Zonder echter in eigen boezem te kijken. Het was de voormalige Amerikaanse administrator Paul Bremer, die eind vorig jaar juni vertrok, die bruutweg alle soldaten van het Iraakse leger evenals alle ambtenaren, professoren enz. die om den brode lid waren geweest van Saddam Hoesseins Baath-partij op straat had gezet. Waarmee hij het Iraaks verzet een stevige basis bezorgde, want ruim 60% van de Irakezen is nog steeds werkloos. En Bremer heeft nog steeds uitgelegd waar zowat 9 miljard dollar verdwenen Iraaks geld naartoe is (zie: Ludo De Brabander, Miljarden dollars van de VS-belastingsbetaler en Irakese burgers verdwenen of gestolen, Uitpers, nr. 63, april 2005). Ook zijn de Amerikanen er twee jaar na de “bevrijding” nog niet in geslaagd de Irakezen van benzine, elektriciteit en drinkbaar water te voorzien. Van incompetentie gesproken!

Volgens een recent rapport van de Verenigde Naties is de ondervoeding verdubbeld sedert de val van Bagdad. Dit ook ten gevolge van de invoering van de “vrije markt”, die ertoe geleid heeft dat de voedselprijzen verdubbeld zijn, de huishuren zijn zelfs verviervoudigd. Van veiligheid is uiteraard geen sprake, niet alleen door de acties van het verzet. Vele Irakezen proberen aan geld te geraken door ontvoeringen voor losgeld en alle mogelijke andere misdaden.

Ook dat alles legt een zware hypotheek op de interim-regering en -parlement, die in de ogen van vele Irakezen maar weinig legitimiteit hebben. En die ook niet zullen krijgen als ze, om te beginnen, er niet in slagen het dagdagelijkse leven van de Irakezen te verbeteren. Maar dat is weinig waarschijnlijk. Irak is immers wel veel geld beloofd, maar het geraakt maar mondjesmaat in Irak. Zo beloofden de VS vorig jaar hulp ter waarde van 18,4 miljard dollar, maar op 29 maart 2005 was daar nog maar 4,2 miljard van uitgekeerd. Wat wordt gedaan in Irak, wordt vooral met de opbrengst van de Iraakse olie betaald. Door de Iraakse burgers dus. Die meestal ook niet in aanmerking komen voor het uitvoeren van het werk. Washington verkiest beroep te doen op buitenlandse arbeid. Nog een reden waarom de Amerikanen zo weinig populair zijn.

(Uitpers, nr. 64, 6de jg., mei 2005)

Visited 11 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Paul Vanden Bavière

Paul Vanden Bavière (°1944) is historicus en journalist. Hij werkte een 30-tal jaar in de gedrukte pers als journalist gespecialiseerd in buitenlandse politiek. Vooral het Midden-Oosten, waarover hij ook enkele boeken publiceerde. Toen de media veel te veel “mainstream” – d.w.z. gezagsgetrouw – en commercieel werden, richtte hij met enkele mensen in 1999 Uitpers, het eerste Nederlandstalig webzine voor Internationale politiek, op met de bedoeling weerwerk te bieden aan de mainstream media (MSM).