Intifada in de Westelijke Sahara

Molotovcocktails in de Saharaanse hoofdstad El Ayoun, brandende Marokkaanse vlaggen, sit-ins, protestdemonstraties waarbij vrouwen hun plek vooraan opeisen. Jongeren die met de vlag van het Polisariofront zwaaien. Slogans als ‘Marruecos fuera’ (Marokkanen buiten) en ‘Leve Mohamed Abdelaziz (de leider van de onafhankelijkheidsbeweging Polisariofront).

Sinds 21 mei is het bijzonder onrustig in de Westelijke Sahara en aan de Marokkaanse universiteiten, waar Saharaanse studenten zich hebben aangesloten bij het protest. De Marokkaanse monarchie die sinds 1992 met een magistrale obstructiepolitiek het vredesplan van de Verenigde Naties voor de Westelijke Sahara en de organisatie van een referendum over zelfbeschikking heeft verhinderd, had het zich wellicht anders voorgesteld. De dekolonisering van de Westelijke Sahara, de voormalige Spaanse kolonie die in 1975 door de troepen van koning Hassan II onder de voet werd gelopen, staat opnieuw op de agenda. En wel als gevolg van een heuse volksopstand van de Saharanen, een minderheid in eigen land die volledig gemarginaliseerd is door de verpletterende aanwezigheid van honderdduizenden Marokkaanse militairen en kolonisten.

‘El Kinnane’ – de man die bijt – zo luidt zijn bijnaam. Haddi Hamed Mahmoud Ben Mohamed Ben Ali is 28 jaar oud en heeft een indrukwekkend strafblad bij de Marokkaanse overheid. De boomlange, uit granieten spieren opgetrokken El Kinnane is wat men noemt een moeilijke jongen. Zijn eerste veroordeling loopt hij op nadat een dispuut met een agent van de verkeerspolitie uit de hand is gelopen. Hij is net twintig jaar geworden en krijgt er een veroordeling bovenop wegens smaad aan de koning en aan een ambtenaar in dienst. In 2003 loopt hij een nieuwe veroordeling op wegens ordeverstoring. Hij krijgt vijf jaar cel. In december 2003 moet hij opnieuw voor de rechter verschijnen. Zijn verdedigers voeren aan dat Haddi op basis van een leeg dossier wordt beschuldigd van ‘drugtrafiek’. Ze kunnen niet beletten dat hun cliënt nog eens zeven jaar extra zal moeten brommen: in het totaal twaalf jaar gevangenis. Hamed Haddi staat in El Ayoun niet meteen bekend als een politiek activist of sympathisant van de onafhankelijkheidsbeweging Polisario. Hij heeft alleen de reputatie een harde en een bijzondere weerbarstige te zijn. Midden mei 2004 bekent Haddi vanuit de gevangenis openlijk kleur. Hij steunt het Polisariofront en laat dat aan iedereen weten die het wil horen. Enkele maanden later richt hij een verzoekschrift aan de procureur des konings in de hoofdstad El Ayoun. Hij eist het statuut van politieke gevangene op en vraagt dat zijn Marokkaanse nationaliteit en identiteitspapieren worden ingetrokken. Hij is Saharaan en geen Marokkaan. De gevangenisoverheid zit verveeld met deze lastige bajesklant, die het nu ook over een politieke boeg blijkt te gooien. Besloten wordt El Kinnane met bekwame spoed over te hevelen van de gevangenis van El Ayoun naar de vierhonderd kilometer noordelijk gelegen centrale van Aït Melloul, in de buurt van Agadir. Het transport van El Kinnane is gepland voor zaterdag 21 mei. En daarmee begaat de Marokkaanse overheid een fatale blunder. De dag voordien vieren de Saharanen de verjaardag van de oprichting van het Polisariofront, tweeëndertig jaar geleden. 20 mei is in de door de Marokkanen bezette Westelijke Sahara een symbooldatum, die de Saharanen nooit onopgemerkt laten voorbijgaan. Die dag laten ze duidelijk zichtbaar merken dat zij liever niet onder Marokkaans bestuur willen leven, maar een eigen onafhankelijke staat willen (ook al kunnen ze dat vanwege de bikkelharde repressie van het Marokkaanse regime niet met massale demonstraties doen). Die dag lopen de Saharanen – jong, oud, mannen en vrouwen – ostentatief in hun nationale klederdracht rond. Overal zijn er vieringen, wordt er gefeest.

Zaterdag 21 mei troepen tientallen familieleden en sympathisanten van El Kinnane samen voor de gevangenispoorten in El Ayoun. Ze organiseren een sit-in, waarmee ze de transfert van de gevangene naar Aït Melloul willen verhinderen. De Marokkaanse ordestrijdkrachten zijn verrast door de vastberadenheid van de betogers. Die slagen erin om het konvooi tegen te houden. De politie zet de harde middelen in. De betogers worden uit elkaar geranseld. Het gevangenenkonvooi kan vertrekken richting Agadir. Maar de Saharaanse ‘intifada’ is wel een feit. De volgende dagen slaat het oproer over van El Ayoun naar de andere steden in de Westelijke Sahara. In Dakhla en Smara gaan de Saharanen de straat op met leuzen voor de onafhankelijkheid en openlijke steun aan het Polisariofront. Ook in de Zuid-Marokkaanse steden Tan Tan en Assa roeren de Saharaanse inwoners zich en de Saharaanse studenten van de universiteiten van Agadir (waar ze met meer dan vierduizend zijn ingeschreven), Marrakesj en Rabat sluiten zich aan bij het protest. De Marokkaanse overheid reageert zoals steeds: met harde hand. Maâtallah, de belangrijkste Saharaanse wijk van de hoofdstad El Ayoun, wordt belegerd. Leden van de GUS – Groupes urbains de Sécurité (de anti-oproerpolitie) – krijgen bij hun zuiveringsoperatie de steun van Marokkaanse kolonisten. Ze kammen huis na huis uit. En dat doen ze allesbehalve zachthandig. Tal van families zien hoe de Marokkaanse anti-oproerpolitie en haar handlangers hun hele inboedel aan diggelen slaan: meubelen, televsie- en hifi-toestellen, keukens, badkamers. Pottenkijkers worden niet geduld. Een ploeg van de Arabische satellietzender Al Jazeera en een journalist van het Marokkaanse weekblad Assahifa (dat in het verleden al heeft moeten optornen tegen een publicatieverbod) worden op het eerste vliegtuig richting Marokko gezet. Iglid Hmoud, de voorzitter van de belangrijkste mensenrechtenorganisatie in Marokko, de Association marocaine des Droits de l’Homme (AMDH), wordt op 26 mei in El Ayoun opgepakt en uitgewezen. Tientallen inwoners van Maätallah worden gearresteerd. In de politiecommissariaten wordt er duchtig ingeslagen op de arrestanten. De onrust neemt echter niet af en ook de weken daarop blijft het overal erg onrustig in de Westelijke Sahara, maar ook in de Marokkaanse steden Tan Tan en Assa, waar een belangrijke Saharaanse minderheid woont.

Springlevende onafhankelijkheidsbeweging

Het is niet de eerste keer dat de oorspronkelijke inwoners van de Westelijke Sahara openlijk in het verzet gaan tegen de Marokkaanse bezetting. In de door Marokko bezette gebieden en op het Marokkaanse grondgebied zelf leven naar schatting 180.000 Saharanen (ook wel Sahrawi’s genoemd). Bij het begin van de Marokkaanse militaire bezetting in het najaar van 1975 ging de meerderheid van de bevolking op de vlucht. Om en bij de 200.000 Saharanen leven vandaag nog steeds in vier grote vluchtelingenkampen in de buurt van de zuidelijke Algerijnse woestijnstad Tindoef. Deze kampen worden bestuurd door de onafhankelijkheidsbeweging Polisariofront en overleven dank zij de steun van een internationaal netwerk van niet-gouvernementele organisaties (in ons land voornamelijk Oxfam-Solidariteit en Caritas), voedselleveringen van het VN-voedselprogramma (WFP – World Food Programm) en donnaties van de Europese Unie. De Saharanen in bezet gebied hebben een weinig benijdenswaardige positie. Ze zijn tweederangsburgers in eigen land en worden overspoeld door de aanwezigheid van meer dan 200.000 Marokkaanse militairen en kolonisten. In 1999 brak in El Ayoun en andere steden van de Westelijke Sahara een eerste ‘intifada’ uit. De term is geleend van de Palestijnen. Ook zij noemden hun opstanden tegen de Israëlische militaire bezetting en kolonisatie ‘intifada’, een woord dat is afgeleid van het Arabische werkwoord dat zoveel wil zeggen als opstaan, iets van zich afschudden. En de Saharanen willen, net zoals de Palestijnen, het juk van een militaire bezetting afschudden. In 1999 was de Saharaanse intifada vooral ingegeven door het grote ongenoegen van de gekoloniseerde bevolking over de barslechte economische situatie. Vele (vooral jonge) Saharanen waren werkloos, de huisvesting van de meeste oorspronkelijke inwoners van de Westelijke Sahara is ronduit belabberd, hun toekomstperspectieven nagenoeg nihil. De opstand van 1999 werd na enkele weken door het Marokkaanse repressieapparaat in de kiem gesmoord. De tijden zijn echter veranderd. De onafhankelijkheidsbeweging in de Westelijke Sahara is springlevend. Ook al haalt ze zelden of nooit de media. Sinds 1999 hebben de nieuwe media ook de Westelijke Sahara bereikt. Vroeger was het voor de Marokkaanse overheid een makkie om de radio van het Polisariofront het zwijgen op te leggen. Vandaag bestaan echter mobiele telefoons en het internet. En die nieuwe technologie speelt een uiterst belangrijke rol in de mobilisatie van de Saharanen. Het Polisariofront zond de voorbije weken rechtstreekse reportages uit over de onlusten en de betogingen, dankzij een netwerk van lokale radiocorrespondenten, die via de mobiele telefoon direct in de ether kwamen. De internetsites van de onafhankelijkheidsbeweging worden druk bezocht. Tijdens de betogingen in mei en juni had het Polisariofront een speciale internetsite geopend, die om de twintig minuten werd geactualiseerd. Dankzij de digitale fotografie kwamen honderden foto’s van de betogingen en protestacties op deze site terecht. En het Marokkaanse veiligheidsapparaat heeft geen verweer tegen de nieuwe technologieën. De Saharanen zijn niet langer geïsoleerd. Ze staan in dagelijkse verbinding met de tweehonderdduizend landgenoten en familieleden, die in de vluchtelingenkampen van Tindoef verblijven. Het regime van koning Mohammed VI heeft in Marokko de voorbije jaren schoorvoetend een aantal vrijheden moeten toestaan, die tien jaar geleden ondenkbaar waren. Eind vorig jaar kondigde de Marokkaanse monarch de oprichting aan van de ‘Instance Equité et Réconciliation’ (1). Saharaanse slachtoffers van de dictatuur van Hassan II maakten dankbaar gebruik van deze instantie om hun stem te laten horen. Meer dan een cosmetische operatie was de ‘Instance Equité et Réconciliation’ niet. Slachtoffers van de repressie mochten tijdens openbare zittingen weliswaar het verhaal vertellen over hun arrestatie, gevangenschap, folteringen. Familieleden van slachtoffers van politieke moorden en verdwijningen konden hun relaas doen. Maar ze mochten nooit de namen van de beulen en verantwoordelijken noemen. Toch hebben de Saharanen deze mogelijkheid met beide handen gegrepen. Bekende ex-politieke gevangenen, zoals Mohamed Deddach en Ali Salem Tamek, konden heuse campagnes opzetten rond het thema mensenrechten in de Westelijke Sahara. Ze werden – en dat was een absolute primeur – regelmatig door Marokkaanse journalisten geïnterviewd. Daarbij staken ze niet onder stoelen of banken dat zij ook het democratisch recht opeisten om voor de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara te pleiten (wat nog steeds een strafbaar feit is, dat onmiddellijk strafrechtelijk wordt vervolgd). Kortom de onafhankelijkheidsbeweging in de Westelijke Sahara heeft de wind in de zeilen. En het Marokkaanse militaire en koloniale bestuur is er nooit in geslaagd een wig te drijven tussen de Saharanen, die in El Ayoun, Smara, Boujdour, Aousserd of Dakhla leven en de meerderheid van de bevolking die in de vluchtelingenkampen in het zuiden van Algerije verblijft. De protestbeweging van de voorbije maanden bekent zich openlijk tot het Polisariofront en eist niets meer of niets minder dan de onafhankelijkheid.

Diplomatieke stilte verbroken?

Mohamed Abdelaziz, de voorzitter van de bevrijdingsbeweging Polisariofront en president van de in 1976 door het Polisariofront uitgeroepen Democratische Arabische Republiek van de Sahrawi’s (DARS) deed tijdens de protestacties een reeks opmerkelijke oproepen en uitspraken. Hij richtte op 2 juni een open brief aan vooraanstaande Marokkaanse intellectuelen als de gevierde schrijver Tahar Ben Jelloun, de bekende politicoloog Mohammed Tozy en de opposanten Moumen Diuori, Ali Lmrabet en anderen om eindelijk ondubbelzinnig een standpunt in te nemen over de Saharaanse kwestie en de eis van het Polisariofront en de meerderheid van de Saharaanse bevolking te steunen om eindelijk het sinds 1992 beloofde VN-referendum over zelfbeschikking te organiseren. In een toespraak op 11 juni verklaarde Mohamed Abdelaziz dat de Marokkaanse overheid zich duidelijk op de toestand in de bezette gebieden heeft verkeken. “Marokko heeft ongelijk als het gelooft dat het veilig is achter de muur, die het heeft opgericht in Westelijke Sahara”. (Marokkaanse defensiespecialisten hebben in de jaren ’80 deze bijna 3000 kilometer lange muur gebouwd dwars door het grondgebied van de Westelijke Sahara met steun van de Verenigde Staten en een financiële injectie van het Saoedische koningshuis). “De vreedzame strijd van de Saharanen is voor Marokko veel gevaarlijker, omdat vrouwen, mannen en kinderen worden gemobiliseerd in de bezette gebieden en daarbuiten. Sinds dertig jaar leven wij in een ondraaglijke situatie en wij dachten dat de hele internationale gemeenschap, de Verenigde Naties incluis, ons in de steek had gelaten. De betogingen van vandaag illustreren dat de Saharanen het niet langer nemen dat zij vergeten en misprezen worden.”

President Abdelaziz haalde ook uit naar Frankrijk en Spanje (de voormalige koloniale heerser in de Westelijke Sahara), twee Europese staten die het voorbije decennium de Marokkaanse koloniale overheid steeds hebben gesteund in haar hardnekkig verzet tegen het VN-vredesplan. “Frankrijk en Spanje hebben sinds 1975 zonder succes alles geprobeerd,” aldus Mohamed Abdelaziz. “Dat ze eindelijk eens iets anders proberen: bijvoorbeeld de onmiddellijke organisatie van een vrij en democratisch referendum over zelfbeschikking.”

En de Polisarioleider waarschuwde: “het Polisariofront is begonnen aan een etappe van vreedzame, geweldloze strijd, tenzij Marokko ons dwingt om naar andere middelen te grijpen.” Hij voegde er meteen aan toe dat het Polisariofront klaar is om desnoods de oorlog tegen Marokko te hervatten.

Op het diplomatieke front zit het dossier Westelijke Sahara echter muurvaster dan ooit. Marokko heeft steeds – ondanks zijn formeel akkoord om mee te stappen in een door de VN geleid vredesproces en ondanks het staakt-het-vuren van 1991 – alles in het werk gesteld om een referendum over het zelfbeschikkingsrecht te beletten. Daarbij kon Rabat rekenen op de stilzwijgende medewerking van de VN-secretarissen-generaal die sinds 1991 de dienst uitmaakten, Perez de Cuellar, Boutros-Ghali en Kofi Annan (2). Ook de speciale VN-gezant voor de Westelijke Sahara, James Baker, slaagde er niet in het verzande dossier weer vlot te trekken. De opvolger van Baker, de Peruviaan Alvaro de Soto, heeft er inmiddels zelfs de brui aan gegeven, zodat de VN niet eens meer een bijzondere gezant hebben in het gebied. Of de protestbeweging van de Saharanen er in zal slagen ook weer enige beweging te krijgen op het diplomatieke terrein valt nog af te wachten. Feit is echter dat het Saharadossier de betrekkingen tussen Marokko en Algerije blijft vertroebelen. Beide landen dingen naar de gunst van de Verenigde Staten. Beide landen zouden tegelijk graag zien dat de zieltogende UMA (de Unie van Maghrebijnse staten bestaande uit Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Mauritanië) weer nieuw leven wordt ingeblazen. Algerije laat daarbij duidelijk verstaan dat het zich niet in de hoek wenst te laten zetten door de Marokkaanse monarchie. De Algerijnse president Abdelzziz Bouteflika verhult niet dat zijn land in de regio een eersterangsrol wil spelen. Algerije heeft sinds de Marokkaanse militaire bezetting van de Westelijke Sahara steeds de onafhankelijkheidsbeweging Polisariofront gesteund. En dat is vandaag niet anders. Tijdens een rondreis door Latijns-Amerika in mei bracht Bouteflika in Brazilië, Chili en Peru de Saharaanse kwestie telkens ter sprake in zijn redevoeringen. Hij verklaarde onomwonden dat de Westelijke Sahara, net zoals Oost-Timor dat in 2000 onafhankelijk werd, een te dekoloniseren gebied is en dat het Polisariofront de bevrijdingsbeweging is die het Saharaanse volk vertegenwoordigt. Op 20 mei laatstleden, naar aanleiding van de tweeëndertigste verjaardag van het Polisariofront, zond Bouteflika een niet mis te verstane solidariteitsboodschap naar Polisarioleider Mohamed Abdelaziz. “Algerije is steeds zeer vastberaden geweest in zijn steun aan de gekoloniseerde volkeren en de volkeren die onder militaire bezetting leven. Algerije steunt de zaak van het Saharaanse volk, in overeenstemming met het Charter van de Verenigde Naties. Algerije steunt de strijd van het Saharaanse volk voor vrijheid en onafhankelijkheid.”

Voor Rabat was deze boodschap een stap te ver. Op 25 en 26 mei moest normaal in de Libische hoofdstad Tripoli de langverwachte top van de UMA plaatsgrijpen. Het was al elf jaar geleden dat de staats- en regeringsleiders van de Maghrebijnse Unie nog aan een zelfde tafel hadden plaatsgenomen. Mohammed VI kondigde aan dat Marokko niet zou deelnemen aan de top in Tripoli. “Algerije heeft de mogelijkheden voor een nieuwe start van de Maghrebijnse Unie gecompromitteerd, door zijn virulente aanvallen, die gericht zijn tegen de hogere belangen van het koninkrijk en tegen de diepste nationale gevoelens van het Marokkaanse volk,” zo klonk het in een communiqué van het koninklijk paleis. Een woedende Libische leider Kadhafi kon daarop niet anders dan de geplande topconferentie in Tripoli af te gelasten. Meteen werd nog eens pijnlijk duidelijk hoe het al dertig jaar aanslepende Saharaconflict elke poging tot normalisatie tussen de Maghreblanden blijft overschaduwen.

(Uitpers, nr. 66, 6de jg., juli-augustus 2005)

(1) ‘Marokko: de grote mensenrechtenshow van Mohammed VI’, Uitpers, nr.60, januari 2005.

(2) ‘Westelijke Sahara: een bekentenis van onmacht van VN-baas Kofi Annan’, Uitpers, nr. 29, april 2002.

Visited 8 Times, 1 Visit today

Tags :