In stilte naar permanente militaire VS-basissen in Irak

Werkt het Witte Huis aan een plan voor de installatie van permanente militaire basissen in Irak? Dat is de vraag die velen bezig houdt zowel in de Verenigde Staten als in Irak. De enige zekerheid is dat er heel wat geheimzinnigheid bij te pas komt.

Bijna dag op dag vijf jaar na de Amerikaanse invasie in Irak, maakte de woordvoerder van het Pentagon bekend dat er gesprekken zouden starten onder leiding van Ambassadeur Ryan Crocker. De woordvoerder van de ambassade zei dat de gesprekken zouden handelen over veiligheid en de toekomstige militaire, diplomatieke en politieke relaties tussen Washington en Bagdad (1). Een woordvoerder van de Iraakse regering ontkende evenwel dat er op dat ogenblik gesprekken zouden starten. Het is slechts een van de voorbeelden van het welles-nietes spelletje dat rond de toekomst van de bezettingstroepen wordt gevoerd.

Sinds de ondertekening van een ‘Principeverklaring voor vriendschap en samenwerking’ (26 november 2007) door Bush en de Iraakse premier Nuri Al-Maliki, regent het speculaties over plannen voor permanent militaire basissen in Irak.(2) Volgens de principeverklaring gaat het om een eerste stap in de ‘normalisering’ van de relaties tussen beide landen. De tweede stap, aldus de verklaring, bestaat er uit dat de bezettingstroepen nog tot eind 2008 kunnen opereren onder een VN-mandaat op basis van hoofdstuk VII van het VN-Handvest. Sinds 2003 heeft de VN-Veiligheidsraad elke keer zo’n mandaat verleend door middel van een resolutie. De discussie draait nu rond de derde stap, namelijk over de “onderhandelingen over een gedetailleerde regeling die onze bilaterale relaties zullen systematiseren wanneer het mandaat onder hoofdstuk VII is afgelopen”. Verderop in de principeverklaring staat opgesomd waarover de onderhandelingen moeten gaan: steun aan de Iraakse regering voor training, uitrusting en bewapening van de Iraakse troepen; steun aan de regering in de internationale strijd tegen het terrorisme en andere buitenwettige groepen; het verlenen van veiligheidsgaranties om een externe agressie af te wenden alsook de integriteit van het Iraakse territorium verzekeren.

Of er al onderhandelingen bezig zijn, hoe ver die staan en vooral wat de juiste bedoelingen zijn, dat alles is voorwerp van speculatie omdat alles zo goed als in het geheim gebeurt. De Amerikaanse onafhankelijks nieuwsorganisatie ‘Truthout’ berichtte dat 64 Congresleden onlangs een brief schreven naar de Procureur-generaal Michael Mukasey, waarin ze “precies willen weten wat er gedaan wordt om zeker te zijn dat permanente militaire basissen niet gepland noch gebouwd worden in Irak”.(3) Ook Hillary Clinton, die nog in de running is om genomineerd te worden als democratische presidentskandidaat, schreef eerder al een brief met de dezelfde bezorgdheid. Daarin herinnerde ze president Bush er aan dat het Congres een expliciete beperking stemde zodat fondsen niet konden gebruikt worden voor de bouw van permanente militaire installaties of basissen. (4)

Sinds de goedkeuring van de principeverklaring zijn er verschillende officiële debatten geweest over het grondwettelijke karakter ervan. In de subcommissie van Buitenlandse Zaken van het Huid van Afgevaardigden, waren de meeste experts het er over eens dat het akkoord in strijd is met de grondwet omdat het Congres niet geconsulteerd werd. De regering weigerde evenwel te getuigen op de eerste drie zittingen van de Commissie, wat de geruchtenmolen over permanente basissen alleen maar kon doen toenemen. Volgens de democratische oppositie heeft Bush immers een verdrag gesloten en in dat geval moet dat bekrachtigd worden door het Congres. De Bush-regering echter weigert te spreken van een verdrag en maakte al duidelijk dat het de zaak niet naar het Congres wil brengen. Volgens het Witte Huis gaat het om een ‘status of forces’- akkoord zoals dat al met veel landen bestaat.

Een andere indicatie dat Washington wel degelijk streeft naar een permanente aanwezigheid in Irak, kwam er toen president Bush begin dit jaar bij de goedkeuring van de Defensiewet voor het Fiscale Jaar 2008 een ‘signing statement’ uitvaardigde waarin hij zich het recht voorbehield de bepaling te negeren die fondsen blokkeert voor permanente basissen in Irak. Volgens Bush zou die bepaling er kunnen voor zorgen dat er ook middelen geblokkeerd worden die nodig zijn “om de controle over de petroleumrijkdommen” van Irak uit te oefenen.(6) Een gelijkaardige discussie is er ook in Irak, waar eveneens gesteld wordt dat er sprake is van een constitutionele overtreding.

Er is nog een element die doet vermoeden dat de VS langetermijnplannen in Irak koesteren. Tegen de herfst moeten in Bagdad de werken afgerond zijn aan wat de duurste en grootste VS-ambassade zal worden in de wereld. Volgens schattingen zouden er minstens 5.000 troepen nodig zijn om de veiligheid van de ambassade te verzekeren. Het duidt erop dat Irak een belangrijke functie krijgt in de geostrategische plannen van het Witte Huis. Volgens de Irak-expert van de American Friends Service Committee, Raed Jarrar kan het niet zijn dat de duizenden Amerikanen op de ambassade louter instaan voor het in goede banen leiden van de diplomatieke relaties. Volgens hem is het de bedoeling dat vandaaruit het land wordt bestuurd.(7)

Voor Washington bestaan er wellicht nog andere argumenten waarom de permanente basissen er moeten komen. Zo zouden ze het probleem in Saoedi-Arabië kunnen opvangen, waar tal van Amerikaanse troepen in basissen gelegerd zijn. En dat vormde een belangrijke motivatie voor Al Qaida om de aanslagen van 11 september te plegen. De petroleumbelangen maken dat de VS het zich alleszins niet kunnen permitteren om niet permanent aanwezig te zijn in de regio. Dat Irak een lange grens deelt met het door Washington geviseerde buurland Iran speelt ongetwijfeld ook mee.

Aan Iraakse zijde zijn de voorstanders vooral in de regering te vinden, zoals de Koerden die de Amerikaanse aanwezigheid nodig hebben om hun autonome regio te beschermen tegen binnen- en buitenlandse (Turkse) vijanden. Ook de Iraakse regering beseft dat ze zonder de bezettingstroepen het risico loopt omver geworpen te worden door het gewapend verzet. Maar binnen regeringskringen wordt er niet met een stem gesproken. Toen Irak eind vorig jaar een vernieuwing vroeg van het mandaat voor militaire aanwezigheid, stelde de Nationale Veiligheidsadviseur van Irak, Mowaffaq al-Rubaie, heel scherp dat zijn land nooit zou toestaan dat er permanente militaire basissen op zijn grondgebied komen. Hij verwoordde daarmee de patriottische geest van veel Irakezen, die vrezen dat dit de nationale soevereiniteit zou uithollen. Schrik is er ook voor de immuniteit die aan Amerikaanse soldaten zou verleend worden voor misdaden, zoals dat gebruikelijk is in Japan, Zuid-Korea en Duitsland.

(Uitpers, nr 96, 9de jg., 19 maart 2008)

Noten

  1. Salah Hemeid. Selling Its soul. In: Al Ahram, nr 888, 13 -19 maart 2008
  2. De tekst van de principeverklaring kan je raadplegen op de website van het Witte Huis: http://www.whitehouse.gov/news/releases/2007/11/20071126-1.html
  3. Maya Schenwar. Congress Ramps Up Fight Against Permanent Iraq Bases, 22 februari 2008 op te vragen via http://www.truthout.org/docs_2006/022208J.shtml
  4. Brief van Hillary Clinton aan President Bush, 27 november 2007 op te vragen via http://www.democraticunderground.com/discuss/duboard.php?az=view_all&address=102×3080375
  5. Salah Hemeid (2008). Op cit.
  6. Zie: http://www.huffingtonpost.com/moira-mack/bush-defies-ban-on-perman_b_84037.html
  7. Maya Schenwar (2008). Op.cit.

(Visited 8 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 90 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ludo De Brabander is redactielid en medeoprichter van Uitpers. Hij is tevens woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van zijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Hij is medeauteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).

zie ook