In Rwanda zijn de doden niet begraven

Op de 27ste maart komt Majoor Ntuyahaga vanuit Arusha overgevlogen naar België. Jarenlang heeft hij in Tanzania vastgezeten. Maar uiteindelijk heeft het Internationale Tribunaal voor Rwanda hem aan België uitgeleverd. Diezelfde zaterdag nog ondervraagt onderzoeksrechter Vandermeersch Ntuyahaga over zijn betrokkenheid bij de moord op tien Belgische para’s, de 7de april 1994, in de hoofdstad Kigali. Ntuyahaga had toen de leiding over het militaire kamp, waar de tien afgeslacht zijn.

Nog altijd op die 27e maart spreekt Uno-secretaris-generaal Kofi Annan zich vrijmoedig uit over de gebeurtenissen in Rwanda van tien jaar geleden. De internationale gemeenschap had de genocide kunnen voorkomen, maar het ontbrak haar aan de politieke wil daarvoor, is de teneur van zijn verklaring. Bij diezelfde gelegenheid zoekt de Canadese generaal met rust, Roméo Dallaire, naar de beweegredenen voor de laksheid, waarmee de wereld de Rwandese volkerenmoordenaars heeft laten begaan. Dallaire stond tijdens de genocide aan het hoofd van de Uno-blauwhelmenmissie in Rwanda. Wat er zich in Rwanda afspeelde, beschouwden we als stammentwisten, dat lieten we gebeuren. Wat er in diezelfde periode op de Balkan gebeurde, dat noemden we etnische zuivering, die onaanvaardbare aantasting moesten we vanzelfsprekend stoppen. Zo ziet Dallaire het dubbelhartige optreden van de internationale gemeenschap in die tijd.

Het is dezer dagen tien jaar geleden dat de aanslag op het vliegtuig van president Habyarimana het startsein is voor de extreemdenkende Hutu uit zijn omgeving en in zijn gewezen eenheidspartij, hun milities en legereenheden, om een van de afschuwelijkste hoofdstukken uit de geschiedenis van de 20e eeuw te schrijven: de afslachting van zowat een miljoen mensen op drie maanden tijd, voornamelijk Tutsi, maar ook Hutu die over de gang van zaken in Rwanda andere ideeën aankleefden dan de elite aan de macht.

Nu nog, tien jaar na de feiten, kun je in Rwanda plaatsen bezoeken waar de lijken niet opgeruimd zijn. Een waarschuwing voor de overlevenden wat de ontsporing van politieke, economische en militaire macht, gecombineerd met racistisch gedachtegoed, teweeg kan brengen. In Rwanda zijn de doden niet begraven. De aanhouding van Ntuyahaga en de uitspraken van Annan en Dallaire tonen aan dat ze ook in de rest van de wereld nog rondspoken. De discussie over de verantwoordelijkheid voor de volkerenmoord in Rwanda is niet afgesloten.

België en de volkerenmoord

Belgische bewindvoerders wekken soms de indruk dat het lot van de tien vermoorde para’s ze meer bezighoudt dan dat van de 800.000 en meer Rwandezen die tijdens de genocide het leven gelaten hebben. Dit jaar maken, de 6de en 7de april, niet minder dan vijf Belgische ministers hun opwachting in Kigali, premier Verhofstadt, Michel van Buitenlandse Zaken, Verwilghen van Ontwikkelingssamenwerking, Flahaut van Defensie en de minister-president van de Franse gemeenschap, Hasquin. In hun gevolg familieleden van de Belgische ontwikkelingswerkers die omgebracht zijn in de eerste dagen van april tien jaar terug, maar van wie de dood wat minder is blijven hangen dan die van de tien blauwhelmen. Want die laatste moordpartij is nu eenmaal de directe aanleiding geweest voor de regering om de Belgische militairen terug te trekken uit Dallaires Uno-missie. Of zonder die beslissing de blauwhelmen in staat geweest waren om de gewapende extremisten een halte toe te roepen, dat is de inzet van een debat dat tot dusver niet ten gronde gevoerd is.

Er is onlangs wel een aanzet geweest. In februari, als Dallaire in Parijs zijn boek "J’ai serré la main du diable" voorstelt. In een interview verwoordt hij het glashelder: "Je suis certain qu’on aurait pu arrêter ce qui se passait dans la capitale, par ce fait rendre la situation beaucoup plus risquée pour les milices extrémistes d’être sur les barrages que de rester chez eux". M.a.w., Dallaire maakt zich sterk dat, als de Belgische para’s gebleven waren, er versterkingen gekomen waren en de missie een ruimer mandaat gekregen had, ze – alvast in Kigali – het bloedbad op had kunnen laten houden, en dat dàt effect had kunnen sorteren op het gedrag van de moordende milities in de rest van het land. Dallaire schrijft dat, bij het begin van de moordpartijen, België, bij monde van zijn toenmalige minister van buitenlandse zaken, Willy Claes, de Uno onder druk zet om meer versterkingen te sturen. "Maar zo gauw het Claes begint te dagen dat de Verenigde Staten daarvan in geen geval willen weten, komt hij daarop terug en bepleit hij de terugtrekking van de Belgen", zo interpreteert Dallaire de gang van zaken in die dagen. Het zegt veel over het niveau van de Belgische diplomatie.

Ook bij de verschijning van "J’ai serré la main du diable" blijkt welk niveau de Belgische diplomatie (niet) haalt. "Dallaire is de pedalen kwijt", is Claes’ belangrijkste tegenargument. Waarom hij eerst wel meer troepen naar Rwanda gestuurd wil zien en daarna zijn staart intrekt. Of die ommezwaai te maken heeft met de Amerikaanse opstelling. Of m.a.w. het atlantisme, waarop Claes zijn loopbaan gebouwd heeft, sterker gespeeld heeft dan zijn bekommernis om de genocide te stoppen. Op die vragen krijgen we geen antwoord. We moesten Claes maar eens wat minder te zien krijgen in Terzake.

Maar echt verbazend is zijn reactie niet. Maanden geleden al, bij de aankondiging van Dallaires boek – het is nog niet eens in de Belgische boekhandel te verkrijgen –, veegt Claes’ opvolger, Louis Michel, de kritiek op het Belgische optreden, die erin vervat zit, van de hand. Wie er bedenkingen uit op wat België en zijn soldaten in het buitenland doen, die schilder je af als een door oorlogstrauma’s gestoord iemand. Zo eenvoudig is dat.

Op die manier ontwijk je uiteraard de discussie over de verantwoordelijkheid van België in de volkerenmoord. Maar daarbij blijft het niet. Hetzelfde procédé passen de politici toe als het gedrag van Belgische para’s tijdens buitenlandse operaties in opspraak komt. Toch loont het de moeite om, naar aanleiding van Dallaires boek, ook daarbij wat langer stil te staan. Dat Belgische soldaten in Somalië uitgeblonken hebben door hoerengeloop, slemppartijen e.a. aanstootgevend gedrag is bekend. Dat ze niet zo lang daarna in Rwanda met soortgelijke uitspattingen de Unomissie in het gedrang brengen, staat beschreven in het rapport dat toenmalig senator Verhofstadt in de tijd geschreven heeft in opdracht van de parlementaire onderzoekscommissie. Maar als Dallaire daarop terugkomt en aanvult met bijkomende informatie – de Belgische blauwhelmen gedroegen zich alsof ze in de Club Med geboekt hadden -, dan bestaat zo’n man als Claes het om zich te gedragen als de levende incarnatie van de bekende drie aapjes: nooit iets gezien of gehoord en altijd en overal over alles gezwegen.

Er moet maar eens iemand het gerucht onder de loep nemen dat de tien vermoorde para’s in de nacht, die achteraf hun laatste zou zijn, op zwier gaan, dat ze bij hun thuiskomst, tegen de voorschriften in, hun jeep niet voltanken, zodat ze ’s anderendaags hun laatste, dodelijk afgelopen opdracht pas na een omweg en met vertraging aan kunnen pakken. Misschien levert het uitzoeken van dat gerucht betere inzichten op dan het staalharde negeren van sommige passages uit "J’ai serré la main du diable".

Kagame en de volkerenmoord

Alsof de duivel ermee gemoeid is, publiceert Le Monde begin maart – aan de vooravond van president Kagames bezoek aan België en vlak voor de tiende verjaardag van de genocide – uittreksels uit het rapport dat de Franse onderzoeksrechter Bruguière aan het parket overhandigd heeft. Een lek dat Kagame in een lastig parket brengt.

Tot in de details beschrijft Le Monde hoe het de avond van de 6de april 1994 eraan toegaat. Hoe Kagame per satelliettelefoon de kolonel van het commando de opdracht geeft om het vliegtuig van president Habyarimana af te schieten. Van die groep maken er vier militairen deel uit, de raketsectie, waarvan generaal Kabarebe, die nu stafchef is van Kagames leger, de teugels in handen heeft.

Le Monde informeert je die 10de maart ook over hoe het Patriottisch Front, de rebellengroep waarvan Kagame de sterke man is, een clandestien netwerk opgericht heeft om de plannen van de hoogste leiding uit te voeren. Eén van de rebellen, die tien jaar geleden lid is van die groep, heeft uit de biecht geklapt. Hij staat met naam en toenaam in het rapport. Ook de namen van de twee rebellen, die de raketten afgevuurd hebben, – één van hen is nu kapitein in Kagames presidentiële wacht – plukt de krant uit het rapport. Zoals de nummers van de raketten, van Russische makelij en via het Oegandese leger in januari 1994 in het bezit van het Patriottisch Front gekomen. Er staat in Le Monde ook te lezen dat Kagames regime verscheidene informanten van rechter Bruguière vermoord heeft.

De Verenigde Naties krijgen ook zware kritiek. Een onderzoeker van het Internationale Tribunaal voor Rwanda, is gesommeerd om met zijn enquête op te houden, is Le Monde te weten gekomen. Op bevel van Kofi Annan. En de zwarte doos van Habyarimana’s vliegtuig is al tien jaar zoek op het Uno-hoofdkwartier. Over die beschuldiging doen ze in New York de eerste dag wat lacherig, maar ’s anderendaags vinden ze ze, gewoon in een la. Heeft er daar iemand het deksel van de doofpot gedaan?

Het rapport is een kruitvat. Als het Franse gerecht het vrijgeeft en de informatie die Le Monde eruit geciteerd heeft, bevestigt, dan kan het evenveel schade berokkenen als de raketten die tien jaar terug de volkerenmoord op gang getrokken. In dat geval is het zonneklaar dat Kagame zich schuldig gemaakt heeft aan een vorm van moorddadig machiavellisme. Dan kan Kagame niet langer ontkennen dat zijn aandeel in het bloedvergieten tijdens het voorjaar van 1994 niet gering is, ook al zijn natuurlijk de breinen die aan de touwtjes getrokken hebben, en de uitvoerders van hun perfide plannen, de Hutumilities en hun bondgenoten, de hoofdverantwoordelijken voor de grootschalige moordpartijen.

Voor de Belgische regering is er die dagen van Kagames bezoek geen vuiltje aan de lucht. "Er staat niets nieuws in het rapport", zegt Verhofstadt. Van Michel hebben we al eerder gemerkt hoe hij het op zijn heupen krijgt wanneer er kritische opmerkingen komen over de verkiezingen die in het najaar in Rwanda gehouden zijn, verwijzingen naar de fraude waarvan de Europese waarnemers gewag maken b.v. We zijn benieuwd of het hem ook zo de keel uithangt, wanneer er vragen komen over Kagames betrokkenheid bij de moord op Habyarimana, als eenmaal het gerecht op basis van het uitgelekte rapport vervolging instelt. Misschien volgt dan op de heupoperatie, die Michel onlangs ondergaan heeft, ook een chirurgische ingreep aan zijn keel.

Hoe dan ook komt, tien jaar na de genocide in Rwanda, het niveau van onze diplomatie alweer in het gedrang.

(Uitpers, nr. 52, 5de jg., april 2004)

(Visited 6 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 104 Times, 2 Visits today

Tags :
Over Guy Poppe

Guy Poppe (74) is journalist. 31 jaar heeft hij op het radionieuws gewerkt, tot in 2007. Afrika heeft altijd zijn bijzondere aandacht gekregen.

zie ook