In Memoriam Mahmud Darwish

Het is onrechtvaardig een dichter te beoordelen op zijn politieke voorkeuren, maar Mahmud Darwish (gestorven in Houston, 9 augustus 2008) maakt hierop een uitzondering. Zowel zijn leven als zijn oeuvre zijn sterk verweven met de recente geschiedenis van het Palestijnse volk.

Het begint al bij zijn geboortedorp. Darwish werd 67 jaar geleden geboren in Al Birwa, een dorp zeven kilometer ten oosten van Akka (St. Jean d’Acre), in wat nu Noord-Israël is, maar volgens het verdeelplan moest toebehoren aan de Arabische staat.

Op 11 juni 1948, de dag dat de UNO een staakt-het-vuren afkondigde in Palestina en één maand nadat de staat Israël was uitgeroepen, trekt het Israëlische leger het dorp binnen. Al Birwa is niet in staat tot enig gewapende weerstand: 40 mannen bezaten een geweer, en er was nog een machinegeweer in het dorp. De meeste inwoners sloegen op de vlucht. Darwish zelf vertelt het zo: “Ik was zes en ik herinner mij vooral het lopen, eerst naar beschutting onder de olijfbomen, dan verder naar de bergen. Mijn voeten lagen open. Na een nacht van bloeden, zweten en dorst, gedreven door terreur arriveerde ons gezin in een land dat Libanon heette.”

De meeste dorpelingen zullen later terecht komen in Shatilla-kamp, bij Beiroet, nu berucht om de moordpartij die er onder verantwoordelijkheid van Ariël Sharon werd aangericht.

De staat Israël verklaarde al Birwa een gesloten militaire zone, daarna werd het gebulldozerd en werd op zijn grond kibboets Ahihud gesticht.

De familie Darwish keerde zo snel ze kon clandestien terug en vestigde zich in het buurdorp Judaida, waar de moeder van Darwish nog altijd woont. Zij werden ‘afwezige aanwezigen’. De facto in Israël, maar afwezig als het erom ging hun grond terug te claimen, interne vluchtelingen zonder rechten.

Mahmud Darwish liep school in buurdorp Kafr Yasif, en werd lid van de Israëlische communistische partij. Zijn eerste dichtbundels verschenen dan ook in het Arabisch in Galilea. Hij werd hoofdredacteur van het weekblad van de KP, Al Jadid (Het Nieuwe) en militeert met de eerste nationalistische groep in Israël, al Ard.

Hij leert de Israëlische gevangenissen van binnen uit kennen, in 1961, 1965, 1967 en daarna krijgt hij een verplichte residentie toegewezen in Haifa. De pesterijen beu verlaat hij het land en gaat werken voor de PLO (Palestijnse Bevrijdingsorganisatie), waar hij een soort informele minister van Cultuur wordt.

De beroemde Libanese zanger Marcel Khalifa zette gedichten van hem, vooral die uit de jaren 1960 op muziek. Sommigen groeiden uit tot klassiekers: ‘De Vogels van Galilea’, ‘Rita’, ‘Mijn Moeder’. Hier het begin van het laatste gedicht, Ila Oemi:

“Ik verlang terug naar het brood van mijn moeder,

De koffie van mijn moeder,

De streling van mijn moeder,

Nu het kind in mij

Iedere dag ouder wordt.

Ik hou van het leven,

Want zou ik sterven,

Dan zou ik mij schamen voor de tranen van mijn moeder.

Als ik op een dag terugkom,

Neem mij dan als een sluier voor je wimpers

En bedek mijn beenderen met gras…”

In 1995 gebruikte Marcel Khalifa in zijn album Arab Coffeepot een gedicht van Darwish dat hem veel last bezorgde.: ‘Vader, Ik ben Yusuf’. Darwish vergelijkt hierbij de Jozef uit de koran (en de bijbel) die verkocht wordt door zijn broers met het Palestijnse volk. In de tekst komt een kort korancitaat uit Sura Yusuf. Het hoogste soennitische rechtscollege in Libanon, het Dar al Fatwa betitelde het lied blasfemisch en een belediging voor de islam en spande een proces in tegen de zanger, dat gelukkig op een sisser afliep.

In 1988 werd Mahmud Darwish benoemd tot Cultuurminister van de PLO, in die hoedanigheid schreef hij een Onafhankelijkheidsverklaring (in dat jaar werd voor het eerst een Palestijnse staat uitgeroepen, die dode letter bleef). In datzelfde jaar schreef hij ook een gedicht, Passanten tussen woorden die voorbijgaan. Dat was in juni, vier maand na het begin van de eerste intifada. Het gedicht haalde zelfs de Knesset. De toenmalige premier, Itzhak Shamir peroreerde in het parlement dat “het gedicht exact weergeeft wat de Palestijnen willen, die bende moordenaars georganiseerd in de PLO. Ik zou dit stupide gedicht hier kunnen voorlezen, maar ik doe het niet, anders komt het in de annalen van onze Knesset terecht en die eer gun ik het niet…”

Darwish schrijft in dit gedicht ondermeer:

“Jullie, passanten tussen woorden die voorbijgaan,

Jullie leveren het zwaard, wij leveren het bloed.

Jullie leveren het staal en het vuur, wij het kanonnenvlees

Jullie leveren de tanks, wij de stenen.

Jullie leveren het traangas, wij zorgen voor regen.

Maar de hemel en de lucht

Zijn voor jullie en voor ons hetzelfde.

Daarom neem zoveel van ons bloed als jullie willen, en vertrek.

Ga dineren, slampampen en dansen, en vertrek dan,

Maar laat ons de rozen van de martelaars

En laat ons leven zoals wij dat willen…

Jullie, passanten tussen woorden die voorbijgaan,

Het is tijd dat jullie vertrekken

En vestig jullie, waar jullie maar willen,

Maar niet tussen ons.

Het is tijd dat jullie vertrekken

En sterf waar het jullie uitkomt,

Maar niet tussen ons…”

Na de akkoorden van Oslo geeft Darwish ontslag als minister en breekt hij met de PLO. Hij vertrekt ook uit Parijs, waar hij in ballingschap leefde en vestigt zich in Ramallah.

In het jaar 2000 stelde minister Yossi Sarid (een vredesduif) voor om enkele gedichten van Darwish op te nemen in het officieel literatuur curriculum van Israël, maar de toenmalige premier Ehud Barak ketste het initiatief af.

Vorig jaar schreef Mahmud Darwish nog een gedicht over de broedertwist tussen Fatah en Hamas, die hij “een publieke zelfmoordpoging in de straten” noemde.

(Uitpers, nr 101, 10de jg., september 2008)

Deel dit artikel

Visited 169 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook