In Duitsland doet uiterst-rechts aan ‘stuivertje wisselen’

De herverkiezing van Frank-Walter Steinmeier als Duits bondspresident voor een tweede ambtstermijn van vijf jaar was geen groot nieuws, al zorgde ze wel voor enkele verrassingen. Voor spektakel zorgden sinds kort echter vooral de verschuivingen aan de uiterste rechterflank van het politieke toneel.

Dat de Duitse president niet – zoals bijvoorbeeld in Frankrijk of in de VSA – door de bevolking als geheel wordt verkozen maar door een (weliswaar behoorlijk omvangrijk) kiescollege, heeft veel te maken met onzalige herinneringen aan de ‘Weimar-republiek’ (1918-1933). Anderzijds wensten de grondleggers van de Bondsrepubliek van de verkiezing van het staatshoofd ook geen louter verlengstuk te maken van de partijpolitieke krachtverhoudingen in het federale parlement. Dus bestaat het kiescollege (de ‘Bundesversammlung’) uit alle leden van de federale Kamer (de ‘Bundestag’, momenteel 736 zetels) én evenzoveel vertegenwoordigers uit de deelstaten. Die laatsten worden wel aangeduid door de deelstaatparlementen maar hoeven niet noodzakelijk verkozen politici te zijn; kunstenaars, academici, sporthelden of symboolfiguren kunnen ook opdagen.

Theoretisch kan de verkiezing van een bondspresident dus een waagstuk worden indien de regerende coalitie slechts over een kleine meerderheid beschikt; in feite ging het haast altijd om een formaliteit omdat men een echte tweestrijd wil vermijden en ook afgevaardigden uit de oppositie zich achter de regeringskandidaat kunnen scharen of zich onthouden. Toch worden haast altijd ook vanuit de oppositie een paar kandidaten naar voren geschoven, bijvoorbeeld om de eendracht binnen het regeringskamp te testen. Of om – zonder enig gevaar voor de zittende regering – de potentiële sterkte van een of andere oppositiepartij te demonstreren.

De verkiezing van Steinmeier illustreerde dat op haast vermakelijke manier. Onder meer omdat de CDU-CSU als grootste oppositiekracht (en in het kiescollege zelfs sterker vertegenwoordigd dan de SPD van Steinmeier) niet eens probeerde een eigen kandidaat voor te stellen. Allicht omdat die toch geen kans zou maken, maar vooral om na twee jaren van bittere interne conflicten geen nieuwe ego-kwetsuren te veroorzaken. Zodat werd besloten om samen met de regeringspartijen (SPD, liberalen en groenen) de kandidatuur van de zetelende president te ondersteunen.

Erasmus

Edoch … dat was buiten de uiterste rechtervleugel van de CDU gerekend, én buiten de extreem-rechtse electorale concurrent bij uitstek, de AfD (Alternative für Deutschland). Die partij, die haar electorale successen voor een goed deel te danken heeft aan reeds eerder overgelopen rechtse CDU-ers, kent blijkbaar geen groter plezier – zeg maar leedvermaak – dan die CDU-CSU te jennen. En stuurde nu als hààr kandidaat Max Otte het veld in, die zichzelf een ‘overtuigde burgerlijk-conservatief’ noemt, lid is van de CDU en dat blijven wil, maar na de bekendmaking van zijn presidentskandidatuur natuurlijk prompt werd uitgestoten.

De man stond jarenlang aan het hoofd van de ‘Werte-Union’, een kleine maar invloedrijke vereniging die officieel los staat van de CDU-CSU, maar duidelijk de zeer rechtse rand van die partijen groepeert. De naam laat dan ook aan duidelijkheid niets te wensen over. ‘Union’ verwijst naar het permanente bondgenootschap van CDU (Christlich Demokratische Union Deutschlands) en CSU (Christlich-Soziale Union) en daarmee naar het eerste doelwit; en als een drukkeringsgroepering steevast uitpakt met haar kruistocht voor het behoud van ‘onze waarden’ dan weet je doorgaans al wel wat voor vlees je in de kuip hebt. Om die ‘burgerlijke waarden’ te beschermen stak Otte bij de bondsdagverkiezingen vorig jaar trouwens een gulle twintigduizend Euro toe aan de Oostduitse AfD kandidaat (en co-voorzitter) Tino Chrupalla.

Otte was ook – als CDU-lid, nota bene – voorzitter van de Desiderius Erasmus Stiftung, die zowat de ‘salonfähige’ arm van de AfD wil zijn. Pardon?? AfD en Erasmus? Jawel. De grote humanist draait zich ongetwijfeld om in zijn graf maar kan er verder ook niets aan doen. In Duitsland is met elk van de partijen (min of meer formeel) een stichting verbonden, die niet alleen als denktank en studiecentrum functioneert maar ook voor een bredere dan louter partijgebonden publiekswerking moet zorgen. En daarvoor zeer gul wordt gesubsidieerd, als onrechtstreekse partijfinanciering. Geen wonder dus dat ook een zogenaamd ‘systeemkritische’ partij als de AfD (of, lang geleden, de Groenen) die geldstroom niet aan zich voorbij wil laten gaan.

Alvast in de ‘Werte-Union’ rommelt het nu meer dan ooit, wat de verhouding tot de CDU-CSU aangaat. Nadat hij in de voorbije jaren tweemaal nipt werd verslagen, is recent immers – en nù met overdonderende meerderheid – Friedrich Merz CDU-voorzitter geworden, die van zijn rechtse standpunten nooit een geheim heeft gemaakt. Merz en zijn aanhangers koesteren de hoop om ‘naar extreem rechts afgedreven’ kiezers terug naar de CDU te halen. Kan de ‘Werte-Union’ daarvoor een nuttig kanaal vormen? Wil ze daartoe de zeer rechtse luis in de rechtse pels van de CDU blijven? Of wordt ze veeleer een soort niemandsland dat nog méér overlopers de weg naar de AfD wil vergemakkelijken ? Helemaal duidelijk is dat nog niet. Wat wél duidelijk is: er wordt dezer dagen druk over en weer gelopen naar of vanuit het niemandsland.

Vluchtelingen

Nààr het niemandsland vertrok reeds in 2017 vanuit de CDU het strijdlustige parlementslid Erika Steinbach. Buiten Duitsland weinig bekend, maar in de Bondsrepubliek jarenlang een niet te verwaarlozen rechtse stem als voorzitter (van 1988 tot 2014) van de ‘Bund der Heimatvertriebenen’, de efficiënte lobby van (inmiddels de kinderen van) de Duitsers die na 1945 hun ‘Heimat’ moesten verlaten uit wat later de staten van het Warschaupakt zouden worden. Dat de ‘Ostpolitik’ van SPD-bondskanselier Willy Brandt (o.m. het erkennen van de nieuwe oostgrenzen van Duitsland) voor die mensen des duivels was, ligt voor de hand. De ‘Vertriebenen’ vormden trouwens in de eerste jaren van de Bondsrepubliek een eigen partij, die Konrad Adenauers CDU steunden en er vervolgens werden door opgeslorpt. Dat zij binnen de CDU-CSU tot de rechtse – en in dit geval zelfs letterlijk reactionaire – vleugel behoorden moge duidelijk zijn. Het is hooguit cynisch dat juist de kinderen van hen die in 1945 ‘vluchtelingen in eigen land’ werden, zich in de vluchtelingencrisis 2016-’17 zo rabiaat tegen het onthaalbeleid van kanselier Merkel keerden. Voor Steinbach was ‘wir schaffen das’ het signaal om uit de CDU op te stappen. Dat zij nadien ook enige tijd voorzitter werd van de reeds genoemde Erasmus-stichting verbaast niet echt; dat ze nu ook officieel lid van de AfD wil worden evenmin.

Terwijl Steinbach nu nog openlijker dan Otte voor de AfD opteert en dus het niemandsland verlaat, belanden daar quasi tegelijkertijd ‘vluchtelingen’ uit de AfD die juist vinden dat die partij zo extreem-rechts is geworden dat ze geen ‘burgerlijk-conservatieven’ meer kan aanspreken die zichzelf nog democraat noemen.

Uwe Witt, een ‘Wessi’ die in 2017 als AfD-lijsttrekker in de deelstaat Sleeswijk-Holstein in de Bondsdag kwam, werd de voortdurende en meedogenloze interne machts- en ego-conflicten beu en verliet de partij. Naar eigen zeggen vooral omdat hij er zich mateloos aan ergert dat “partijen zich meer om zichzelf bekommeren dan om de belangen van hun kiezers”. Met die logica kon hij moeilijk onderdak zoeken bij een andere partij. Dus vond hij een originele oplossing, die door historici wellicht op een milde grijns wordt onthaald, maar door de CDU-CSU eerder op tandengeknars.

1871

Witt verklaarde zich namelijk tot éénmansfractie van een partij die al anderhalve eeuw geleden werd opgericht: het katholieke ‘Zentrum’. Die partij speelde onder het keizerrijk en tijdens de Weimar-republiek een belangrijke rol. Na wereldoorlog II slaagde voormalig Zentrum-politicus Konrad Adenauer erin de meeste katholieken en vele protestanten te verenigen in de CDU-CSU. Het oude ‘Zentrum’ bleef formeel wel voortbestaan – los van de CDU en aanvankelijk nog als potentiële concurrent – maar verdween na twee legislaturen uit de bondsdag en kromp vrij snel tot een marginaal verschijnsel dat nog hooguit enkele duizenden kiezers (van de zestig miljoen) kan bekoren. Witt – die zich uitdrukkelijk beroept op de ‘vader’ van het Wirtschaftswunder, Ludwig Erhardt – bezorgt de oude partij nu onverwacht één zetel in het parlement. Voorlopig wordt hij echter niet gevolgd door andere ‘vluchtelingen’ uit de AfD.

Dat geldt met name voor niemand minder dan Jörg Meuthen, die eind januari ontslag nam als voorzitter én als lid. In tegenstelling tot de relatief onbekende Witt was Meuthen jarenlang één van de ‘gezichten’ van de AfD, en gold daar als voorvechter van een (relatief!) gematigde koers, die aldus steeds meer CDU-kiezers moest aantrekken. Die opstelling bracht hem in conflict met de meest extreme rechtsen in de AfD en leidde tot een openlijke machtsstrijd, die brutaal duidelijk werd na de jongste bondsdagverkiezingen en het jongste partijcongres. Die machtsstrijd heeft Meuthen onmiskenbaar verloren. Hij wil wel lid blijven van het Europees Parlement, maar daar werd onlangs zijn parlementaire onschendbaarheid opgeheven omdat hij verwikkeld is in een onduidelijke affaire qua partijfinanciering.

Meuthens lot is overigens wel erg symbolisch: voor de derde keer in de korte geschiedenis van de partij wordt een voorzitter ‘gelikwideerd’ door een monsterverbond van individuele ambities met de zogenaamde ‘nationale vleugel’, die in feite nauwelijks van neo-nazis te onderscheiden is.

Verrassingen

Bij al dat heen-en-weer lopen zou een mens haast vergeten dat zondag jl. 1472 afgevaardigden waren opgeroepen om – onder strenge covid-veiligheidsmaatregelen – een bondspresident te kiezen. Dat de oude president ook de nieuwe zou worden, werd door niemand betwijfeld. Toch zorgde de uitslag ook voor enkele best aardige verrassingen, met name dan bij de ‘kansloze’ kandidaten.

Meest opvallend was wellicht dat AfD-kandidaat Otte (140 stemmen) niet eens alle stemmen kreeg waarop de AfD kon rekenen. En dat daarentegen de jonge Stefanie Gebauer (aangetreden voor de Freie Wähler, in feite vergelijkbaar met grote concurrent CSU) beduidend méér stemmen kreeg (58) dan de nauwelijks 18 afgevaardigden die de FW had in de ‘Bundesversammlung’. Gerhard Traber tenslotte, een sociaal zeer actieve arts die door Die Linke werd naar voren geschoven, behaalde een succès d’estime en overtuigde ongeveer 25 niet-Linken.

In de partijhoofdkwartieren kan men nu beginnen narekenen wat uit die cijfers te leren valt over trouw en ontrouw in de eigen rangen. De 86 onthoudingen zullen wel voornamelijk aan de CDU-CSU zijn toe te schrijven. Bij de AfD was Otte blijkbaar nog te ‘braaf’ voor de extremen. Omgekeerd kan men zich voorstellen dat wel wat Groenen liever hun stem gaven aan een jonge vrouw dan aan (de sowieso zeker verkozen) Steinmeier, die overduidelijk tot de rechtervleugel van de SPD behoort. Die bedenking hebben wellicht ook enkele linkse SPD-ers gemaakt, wat het bescheiden stemmen-extraatje voor Traber zou verklaren.

Al is ook daar enige ironie niet weg: Traber hamerde in al zijn optredens vooral op de noodzaak om de strijd tegen armoede krachtiger aan te pakken. En laat nu president Steinmeier in ver vervlogen dagen zijn proefschrift juist hebben gewijd aan (zo’n typisch Duitse lange titel is te mooi om hem niet voluit te citeren) ‘Tradition und Perspektiven staatlicher Intervention zur Verhinderung und Beseitigung der Obdachlosigkeit’. Aan de slag, Genosse Präsident!

Edi Clijsters

 

Visited 285 Times, 1 Visit today

Tags :