Imperial Presidency. Strategies to control the "great beast" Deel I

Noot van de vertaler: Dit artikel is een weergave van de toespraak die Chomsky gaf in Toronto, Canada, op 21 november 2004 voor het maandblad Canadian Dimension. Deze tekst is een zeer goede samenvatting van wat er vandaag gebeurt in het machtigste land van de wereld.

Chomsky gaat met grote feitenkennis in op de thema’s. Hij is reeds jaren een categorie op zichzelf in de wereld van kritische analyse van de buitenlandse politiek van zijn land. Zijn boodschap is ondanks alles er een van hoop. Volgens hem is de ‘tweede supermacht’ (“the great beast” in de ondertitel), namelijk de publieke opinie over de hele wereld, een veel sterkere én consistentere macht dan de massamedia en de politieke ‘leiders’ als Bush of Blair ons willen doen geloven.

Ik heb een aantal termen (zoals de titel van dit artikel) niet naar het Nederlands vertaald en hier en daar een toelichting gegeven bij zaken die een voorkennis over de VS vereisen (voor het duidelijk onderscheid steeds tussen haakjes en cursief). Volgens mij in ieder geval onmisbare literatuur voor wie het buitenlands (en binnenlands) beleid van de VS beter wil begrijpen. Citaten in de tekst ‘tussen enkelvoudige aanhalingstekens’ zijn afkomstig van kranten en regeringsmededelingen.

Het hoeft geen betoog dat wat in de VS gebeurt een enorme impact heeft op de rest van de wereld – en vice-versa: wat in de rest van de wereld gebeurt kan niet anders dan een impact hebben op de VS op verschillende manieren. Ten eerste legt de rest van de wereld grenzen op aan wat zelfs de machtigste staat ter wereld kan gedaan krijgen. Ten tweede heeft het invloed op de VS-component van ‘de tweede supermacht’ zoals de New York Times misprijzend de publieke opinie van de wereld omschreef na de massale protesten voorafgaand aan de invasie van Irak. Deze protesten waren een bijzonder belangrijke historische gebeurtenis, niet alleen omwille van de nooit voorheen geziene omvang, maar vooral omdat het de eerste keer is in honderden jaren Europese geschiedenis (en die van zijn Noord-Amerikaanse nakomelingen) dat een oorlog zo massaal werd gecontesteerd nog voor hij officieel was begonnen.

We kunnen die protesten goed vergelijken met de oorlog tegen Zuid-Viëtnam die door Kennedy werd gelanceerd in 1962, brutaal en barbaars vanaf het begin: tapijtbombardementen, chemische wapens om voedselgewassen te vernietigen met als doel de uithongering van de autochtone bevolking, militaire operaties om miljoenen in virtuele concentratiekampen of stadsgetto’s bijeen te drijven om de basis van het verzet te elimineren. Tegen de tijd dat de protesten een betekenisvolle omvang kregen, maakte de (in traditionele middens) zeer gerespecteerde en keiharde verdediger van de oorlog Bernard Fall, Viëtnam-specialist en militair historicus, zich zorgen dat Viëtnam als culturele en historische entiteit dreigde uit te sterven : ” Het platteland is letterlijk aan het sterven onder de slagen van de grootste militaire machine ooit ontketend over een gebied van die grootte.” Het ging dan vooral over het zuidelijke deel van Viëtnam , altijd al het voornaamste doelwit van de VS inval. Wanneer er eindelijk protest ontstond, vele jaren te laat, was het enkel gericht tegen de bijkomende misdaden: de uitbreiding van de oorlog tegen het Zuiden naar de rest van Indochina – zonder twijfel ook gruwelijke misdrijven maar minder erg (dan de invasie van Zuid-Viëtnam).

Het is zeer belangrijk te beseffen hoezeer de wereld sindsdien veranderd is. Zoals steeds is dat niet gebeurd ten gevolge van cadeaus van goedwillige leiders maar van zeer toegewijde strijd van gewone mensen, meestal zeer laat maar uiteindelijk wel effectief. Een gevolg (van dat protest) was dat de VS geen nationale noodtoestand kon afkondigen die zoals tijdens ’40-’45 zeer goed zou geweest zijn voor de (Amerikaanse) economie en bovendien in ‘41 zeer hoge bijval genoot bij de bevolking. President Johnson moest het met een “guns-and-butter” oorlog doen om een onwillige bevolking af te kopen, wat zeer schadelijk was voor de economie en er uiteindelijk toe leidde dat de zakenwereld zich tegen de oorlog keerde omdat hij teveel kostte, vooral nadat het Tet-offensief van januari ’68 had bewezen dat de oorlog nog zeer lang zou doorgaan. De sociale elite van de VS was ook zeer ongerust over de toenemende sociale en politieke bewustwording die het politiek activisme van de jaren ’60 teweegbracht. Een groot deel van dat activisme was trouwens een reactie op de gruwelijke misdaden in Indochina die uiteindelijk massale verontwaardiging veroorzaakten. Uit de laatste paragrafen van de Pentagon Papers leren we dat het militaire opperbevel na het Tet-offensief onwillig reageerde op de oproep van de president voor verdere troepenontplooiing, omdat hij er tegelijk zeker van wou zijn dat ‘voldoende troepen beschikbaar zouden blijven voor de controle van protest door de bevolking’ in de VS zelf en omdat hij vreesde dat de escalatie (van de oorlog in Viëtnam) ‘een binnenlandse crisis van nooit voorheen geziene afmetingen zou uitlokken’.

De regering van Reagan ging er van uit dat dit probleem van een onafhankelijk denkende bevolking voorbij was en plande blijkbaar om in Centraal-Amerika terug over te gaan tot de orde van de dag ten tijde van Kennedy in de vroege jaren ’60. Ze moest daar echter op terugkomen omwille van het onverwachte protest en ging over tot het systeem van de ‘clandestiene oorlog’ door middel van Centraal-Amerikaanse moorddadige veiligheidstroepen en een uitgebreid internationaal terreurnetwerk. De gevolgen waren verschrikkelijk, maar niet zo erg als de B’52 bommenwerpers en de massamoorden die hun piek bereikten op het ogenblik dat John Kerry in de toen reeds grotendeels vernietigde Zuid-Viëtnamese Mekong-delta zat. Dat populair protest, zelfs tegen een ‘clandestiene oorlog’ was volledig nieuw. De solidariteitsbeweging voor Centraal-Amerika, zoals die nu in grote delen van de wereld bestaat, is eveneens een uniek verschijnsel in de Westerse geschiedenis.

Staatsleiders kunnen zich niet permitteren om met dat soort zaken geen rekening te houden. Voor elke nieuw verkozen president is het routine om een globale veiligheidsanalyse van de wereld te vragen. In 1989 lekte een deel van het rapport voor president Bush senior uit. Er werd in gewaarschuwd dat de enige waardevolle doelwitten voor een aanval ‘veel zwakkere vijanden’ moesten zijn die ‘snel en beslissend konden worden overwonnen’. Vertraging van de operaties zou ‘de politieke ondersteuning kunnen ondermijnen’ die sowieso zeer miniem zou zijn. Dat is een enorme verandering sinds het Kennedy-Johnson-tijdperk toen de invasie van Indochina weliswaar nooit populair was maar jarenlang nauwelijks reactie uitlokte.

De wereld ziet er vandaag nog altijd lamentabel uit, maar is toch veel beter dan ooit tevoren, niet alleen wat betreft de onwil om agressie te tolereren, maar ook op andere vlakken, die vandaag de dag voor normaal worden aanzien. We moeten daar belangrijke lessen uit trekken die we steeds in ons achterhoofd moeten hebben – voor dezelfde redenen als waarom deze evolutie in de massamedia wordt doodgezwegen.

Zonder die belangrijke vooruitgang naar een meer geciviliseerde maatschappij van de laatste jaren te vergeten, en de oorzaken ervan, moeten we toch aandacht besteden aan de notie van imperiale soevereiniteit zoals die nu tot stand komt. Het hoeft niet te verbazen dat naarmate de bevolking beschaafder wordt de machtssystemen extremer worden in hun inspanningen om dat ‘great beast’ onder controle te houden. (De term ‘great beast’ werd oorspronkelijk gebruikt door de Founding Fathers om het gewone volk te omschrijven). En dat grote beest is inderdaad schrikwekkend.

Het concept van presidentiële soevereiniteit zoals dat werd ontworpen door de reactionaire krachten achter de regering van Bush is zo extreem dat er zelfs vanuit de meest nuchtere en gerespecteerde sectoren van de elite nooit voorheen geziene kritiek komt. De ideeën over dit concept werden overgemaakt aan de president door zijn net benoemde Attorney-general (=Minister van Justitie) Alberto Gonzales – die in de pers trouwens als een ‘gematigde’ wordt voorgesteld. Er werd zelfs serieus over gediscussieerd door de bekende grondwetsspecialist Sanford Levinson in Daedalus, tijdschrift van de American Academy of Arts and Sciences, in het nummer van zomer 2004. Levinson schrijft daarin dat dit concept gebaseerd is op ‘het principe dat er geen norm toepasbaar is op chaos’. Dit citaat is zoals Levinson uitlegt afkomstig van Carl Schmitt, de leidinggevende wetsfilosoof tijdens het Nazisme, die door Levinson wordt omschreven als ‘de echte éminence grise van de regering Bush’. Op advies van Gonzales heeft de regering een standpunt ontwikkeld ‘over presidentiële autoriteit dat nauw aansluit met de macht die Schmitt bereid was te geven aan zijn eigen Führer’, aldus Levinson. Je gaat zelden zulke omschrijving horen vanuit ‘the heart of the establishment’.

In dezelfde uitgave van Daedalus staat ook een artikel van twee prominente strategische analisten over de ‘transformatie van het leger’, een centraal onderdeel van de nieuwe doctrine van ‘imperial sovereignty’: de snelle aangroei van offensief wapentuig, met inbegrip van de militarisering van de ruimte en andere maatregelen ontworpen om de hele wereld op de rand van de totale vernietiging te brengen.Deze doctrine heeft reeds de verwachte reacties uitgelokt van Rusland en China. Deze analisten besluiten dat deze doctrine van de VS kan leiden tot ‘ultimate doom’. Zij drukken de hoop uit dat een coalitie van meer vredelievende landen onder leiding van China de handen zullen in elkaar slaan om het militarisme en de agressie van de VS te counteren. We zijn ver gekomen als dit soort gevoelens wordt uitgedrukt in respectabele middens.

Om terug te komen op Gonzales, hij maakte de president de besluiten over van het Justice Department dat de president de autoriteit heeft om de Conventies van Genève naast zich neer te leggen – (volgens de Amerikaanse grondwet) de opperste wet van het land, de basis van moderne internationale humanitaire wetgeving. Gonzales was toen de juridische raadgever van Bush. Hij adviseerde hem dat dit een goed idee was omdat het afwijzen van de Conventies ‘op substantiële wijze de dreiging wegnam van openbare vervolging van vertegenwoordigers van de overheid op basis van de War Crimes Act van 1996’, die de doodstraf oplegt voor ernstige inbreuken op de Conventies van Genève.

We kunnen vandaag op de frontpagina’s lezen waarom het Justice Department er bezorgd over was dat de president en zijn adviseurs zouden kunnen onderworpen worden aan de doodstraf zoals die wordt voorgeschreven in de wetten die het Republikeinse Congres in 1996 heeft goedgekeurd – en volgens de principes van het Neurenberg Tribunaal.

Begin November (2004) schreef de New York Times een hoofdartikel op de frontpagina over de verovering van het voornaamste hospitaal van Fallujah: “Patiënten en personeel werden door gewapende soldaten uit hun kamers verdreven en moesten op de vloer gaan zitten terwijl de troepen hun handen op hun rug bonden.” Een begeleidende foto beschreef de situatie. Dit werd gepresenteerd als een enorme verwezenlijking.”Het offensief bracht ook een einde aan wat volgens officieren een propagandawapen was van de opstandelingen: Fallujah General Hospital, met de niet aflatende stroom van berichten over burgerlijke slachtoffers.” De (volgens de NYT) opgeblazen cijfers (over die slachtoffers) – opgeblazen omdat onze Leider dat zo heeft afgekondigd – ‘stookten de publieke opinie op’ in heel Irak en in de regio, waardoor de ‘politieke kosten van het conflict’ werden opgedreven. Het woord ‘conflict’ is hier een algemeen eufemisme voor VS-agressie, zoals we kunnen lezen op dezelfde pagina’s omdat de VS nu moeten wederopbouwen ‘wat het conflict net heeft vernield’: alleen maar ‘het conflict’, geen dader, alsof het een orkaan was.

Laat ons even teruggaan naar dit artikel in de NYT en de bijhorende foto over het vernietigen van dat ‘propagandawapen’. Er zijn enkele relevante documenten, zoals de Conventies van Genève, die stellen: ‘Vaste installaties en mobile medische eenheden van de Medische Diensten mogen in geen omstandigheid worden aangevallen, maar zullen ten allen tijde gerespecteerd en beschermd worden door de Partijen in een conflict.’ Met andere woorden, de leidende krant van de wereld juicht oorlogsmisdrijven toe voor dewelke de leiding van de VS ter dood kan veroordeeld worden volgens de wetten van de VS.

De grootste krant van de wereld vertelt ons ook dat het Amerikaanse leger ‘alle objectieven met voorsprong op het tijdsschema haalde’ en ‘ het grootste deel van de stad in smeulende ruïnes achterliet’. Maar toch was het geen compleet succes. Er is weinig bewijs gevonden van gedode ‘ratten’ (de gebruikte omschrijving van de opstandelingen) die zich in hun ‘holen’ hadden verborgen, wat ‘een blijvend mysterie’ is. De ingebedde journalisten vonden wel het dode lichaam van een vrouw, maar het ‘was niet bekend of het een Irakese was of een buitenlandse’, blijkbaar de enige vraag die daarbij moet gesteld worden.

Het verhaal op de frontpagina citeert een Marinier die zegt ‘Dit hoort in de geschiedenisboeken thuis’ Misschien is dat wel zo. We weten dan ook op welke pagina van de geschiedenis, wie daar bij zullen vermeld staan, samen met zij die er de lof van zwaaiden of tolereerden. Dat weten we, tenminste als we in staat zijn tot eerlijkheid.

Men zou de vergelijking kunnen maken met gelijkaardige feiten, zoals de Russische verwoesting van Grozny (hoofdstad van Tsjetsjenië), tien jaar geleden, een stad van ongeveer dezelfde grootte (als Fallujah); of van Srebrenica (in Bosnië-Herzegovina), beide voorvallen in het Westen unaniem veroordeeld als genocide. In het laatste geval kennen we details van een Nederlands overheidsrapport en van andere bronnen, dat deze slecht beschermde Moslim enclave in Servisch gebied een uitvalsbasis was voor aanvallen op nabije Servische dorpen en dat, wanneer er een te verwachten tegenreactie kwam, deze verschrikkelijk was. De Serviërs verdreven de volledige bevolking op alle mannen op militaire leeftijd na en moordden die laatsten daarna uit. Er zijn echter verschillen met Fallujah. Vrouwen en kinderen werden in Srebrenica niet gebombardeerd maar op vrachtwagens gezet en in Fallujah zullen er géén uitgebreide inspanningen komen om elk lijk terug boven te halen. Er zijn nog verschillen, sommige zelfs ten nadele van de Serviërs.

Men zou kunnen argumenteren dat dit irrelevant is. Het Tribunaal van Neurenberg, voorganger van het VN Charter, verklaarde dat ‘oorlogsagressie de opperste internationale misdaad is die alleen van alle oorlogsmisdaden verschilt doordat ze in zich de geaccumuleerde slechtheid van het geheel draagt.’ Vandaar de oorlogsmisdaden in Fallujah en Abu Graib, het verdubbelen van de acute ondervoeding van kinderen sinds de invasie (nu op het niveau van Burundi, hoger dan Haïti en Oeganda) en alle andere wreedheden. Zij die geoordeeld werden een rol te hebben gespeeld in deze opperste misdaad –bijvoorbeeld de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken – werden tot de dood door ophanging veroordeeld. Het Tokio Tribunaal was zelfs nog strenger.

Michael Mandel, een Canadees internationaal jurist, schreef een zeer belangrijk boek over dit onderwerp. Hij beschouwt met overtuigende details hoe de machtigen der aarde ‘self-immunized’ zijn van internationale wetten.

Dit principe (van zelf-immunisatie) werd reeds vastgelegd in het Tribunaal van Neurenberg. Om de Nazi’s voor het gerecht te kunnen dagen moesten definities worden opgesteld van oorlogsmisdrijven en van misdrijven tegen de mensheid. Hoe dat gebeurde wordt uitgelegd door gerenommeerd internationaal jurist en historicus Telford Taylor, die de hoofdadviseur was voor de vervolging: ‘Gezien beide zijden (in WO II) het verschrikkelijke spel van stadsvernieling hadden gespeeld – de Geallieerden zelfs iets succesvoller – was er geen basis voor criminele vervolgingen tegen Duitsers en Japanners, en inderdaad, zulke beschuldigingen werden nooit geuit … Luchtbombardementen waren uitgebreid en meedogenloos gebruikt door zowel de Geallieerden als de Asmogendheden zodat Neurenberg noch Tokio deze feiten een deel van de processen maakten.’

De feitelijk gebruikte definitie van ‘misdrijf’ is dus: ‘Misdrijf dat jij hebt gepleegd maar ik niet’. Om dat nog te benadrukken, dit nog: Nazi-oorlogsmisdadigers werden vrijgesproken als de verdediging kon aantonen dat hun VS-tegenstander dezelfde misdrijven had gepleegd. Taylor besluit dat ‘het straffen van de boeman – vooral van de verslagen boeman – voor feiten die ook door de veroverende natie waren gepleegd zo grotesk onevenwichtig zou zijn dat zij deze wetten zou discrediteren.’ Dat is correct, maar deze feitelijke definitie discrediteert zelf deze wetten, samen met alle er uit voorkomende tribunalen. Taylor gaf deze achtergrondinformatie als deel van zijn uitleg waarom de bombardementen op Viëtnam door de VS geen oorlogsmisdaden waren. Zijn argument is plausibel, en brengt deze wetten nog verder in diskrediet.

Sommige gerechtelijke onderzoeken die er op volgden werden zelfs nog meer gediscrediteerd zoals in de zaak die Joegoslavië (=Servië-Montenegro) tegen de NATO aanhangig maakte bij het Internationaal Gerechtshof. De VS werd toen correct uitgesloten van vervolging op basis van het argument dat het niet onderworpen is aan de rechtspraak van het Hof in dit geval. De reden is dat de VS de Conventies van Genève pas veertig jaar na datum ondertekenden met de reservering dat ze niet van toepassing zijn op de VS.

In een woedende commentaar op de inspanningen van de juristen van het Justice Department om te bewijzen dat de president het recht heeft om folteringen te bevelen, zei Harold Koh, decaan van de Yale Law School: ‘De notie dat de president de grondwettelijke macht heeft om foltering toe te laten staat gelijk met zeggen dat hij een genocide mag uitvoeren.’ De juridische adviseurs van de president en de nieuwe Attorney-general (Gonzales) hebben er weinig moeite mee om te argumenteren dat de president inderdaad dat recht heeft – als de tweede supermacht (=de publieke opinie van de wereldbevolking) hem toelaat dat recht uit te voeren.

De heilige doctrine van de zelf-immunisatie zal zeker stand houden tijdens het proces tegen Saddam Hoessein, als het ooit doorgaat. We zien dat telkens als Bush, Blair en andere regeringsleiders klagen over de verschrikkelijke misdaden van Saddam Hoessein, altijd zeer moedig de volgende woorden weglaten: ‘met onze hulp, omdat het ons toen niet kon schelen.’ Geen tribunaal zal ooit toelating krijgen het feit aan te halen dat alle presidenten van de VS van Kennedy tot vandaag, samen met Franse presidenten, Britse Eerste-ministers en de Westerse zakenwereld medeplichtig waren aan Saddam ’s misdaden, soms op gruwelijke manier. Bij het oprichten van Saddam ’s tribunaal vroeg het State Department (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) om raad aan juridisch expert en hoogleraar Charif Bassiouni. Die zei recent: ‘Men spant zich in om dit tribunaal geen onafhankelijke maar een gecontroleerde rechtsorde op te leggen, en daarmee bedoel ik dat de politieke manipulatoren er moeten voor zorgen dat de VS en andere Westerse machten niet in de rechtszaak betrokken worden. Dit lijkt op de wraak van de overwinnaar: zo gaat het tribunaal er doelgericht, selectief en unfair uitzien. Het is een uitgemaakt spel.’ Aan ons hoeven ze dat niet meer uit te leggen.

Het voorwendsel voor de agressie van de VS en GB tegen Irak is het zogenaamde recht op ‘anticiperende zelfverdediging’, wat nu ook ‘preemptive war’ wordt genoemd in een perversie van dat begrip. Dit recht op anticiperende zelfverdediging werd bevestigd in de National Security Strategy (NSS) nota van September 2002, waarin Washington verklaart het recht te hebben geweld te gebruiken om elke potentiële uitdaging van zijn globale heerschappij uit te roeien. Deze strategie werd zwaar bekritiseerd door traditionele experten van de buitenlandse politiek, te beginnen met een artikel in het deftige tijdschrift Foreign Affairs, waarin er voor werd gewaarschuwd dat deze nieuwe imperiale doctrine zeer gevaarlijk zou kunnen zijn. De kritiek nam nog toe, maar vanuit een zeer beperkt standpunt – niet dat de strategie verkeerd zou zijn, maar eerder de stijl en de manier van presenteren. Madeleine Albright, de voormalige Secretary of State van Clinton, vatte die kritiek goed samen, eveneens in Foreign Affairs. Ze wees er op dat elke president zo’n doctrine in zijn achterzak zitten had, maar dat het idioot is die in de mensen hun gezicht te smijten en ze uit te voeren op een manier die bondgenoten boos maakt. Dat is bedreigend voor de VS en dus verkeerd.

Albright wist natuurlijk dat Clinton een gelijkaardige doctrine had. Die bepleitte ‘unilateraal gebruik van militaire macht’ om vitale belangen te verdedigen, zoals ‘ongehinderde toegang tot markten, energievoorraden en strategische hulpbronnen’ en dat zonder de voorwendsels die Bush en Blair uitwerkten. Letterlijk genomen, is de Clinton-doctrine expansiever dan die van Bush. Maar over die doctrine werd nauwelijks iets naar buiten gebracht. Ze werd immers toegepast in de juiste stijl en minder brutaal uitgevoerd.

Henry Kissinger beschreef de doctrine van Bush als ‘revolutionair’ door er op te wijzen dat ze het 17de eeuwse Westfaalse systeem van internationale orde ondermijnde evenals het VN-Charter en de internationale wetten. Hij keurde die doctrine goed, maar had reserves over de stijl en de tactiek en voegde er nog een cruciale beperking aan toe: ‘(deze doctrine) kan geen universeel principe zijn waarover elke natie kan beschikken’. Dit recht op agressie moet beperkt blijven tot de VS en soms gedelegeerd naar uitgekozen vazallen. Wij moeten krachtig het principe van universaliteit verwerpen – het idee dat we op onszelf dezelfde principes zouden toepassen als op anderen. Kissinger moet geloofd worden voor zijn eerlijkheid in het omschrijven van de heersende doctrine. Hij begrijpt zijn degelijk opgevoed publiek. Zoals hij ongetwijfeld verwachtte kwam op zijn artikel geen enkele reactie.

Zijn goede kennis van zijn toehoorders, werd nog geïllustreerd in mei 2004, toen de Kissinger-Nixon bandopnames openbaar werden, tegen het protest van Kissinger in. Er stond een bericht over in de leidende krant van de wereld. En passant vermeldde het artikel dat het bevel van Nixon om Cambodja te bombarderen door Kissinger aan de militaire bevelhebbers werd overgemaakt. In de woorden van Kissinger was dat: ‘Een massieve bomencampagne. Alles wat vliegt op alles wat beweegt.’ Het gebeurt zelden dat een oproep voor gruwelijke oorlogsmisdaden zo bruut en expliciet wordt geuit – iets wat we zonder twijfel ‘genocide’ zouden noemen als anderen er voor verantwoordelijk waren. Het zou interessant zijn om te zien of er in de archieven iets gelijkaardig te vinden valt. De publicatie van de bandopnames lokte geen enkele reactie uit. Blijkbaar is het in de elitecultuur evident dat de president en zijn nationale veiligheidsadviseur het recht hebben genocide te bevelen.

Beeld je de reactie in als de vervolgers op het Milosevic tribunaal iets gelijkaardig zouden vinden. Ze zouden overlopen van vreugde, het proces zou beslist zijn. Milosevic zou meerdere levenslange straffen krijgen, of de doodstraf als het Tribunaal volgens de VS wetgeving zou werken. Maar dat zijn de anderen, niet wij.

Vertaling door Lode Vanoost

(Uitpers, nr. 62, 6de jg., maart 2005)

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :