Humanitair imperialisme

In zijn nieuw boek, Impéralisme humanitaire, reageert Jean Bricmont tegen het gebruik van het voorwendsel van mensenrechten om aanvallen tegen landen in het Zuiden te rechtvaardigen. Bricmont is een pacifist en een geëngageerd intellectueel.


Hoe komt het dat een professor in theoretische fysica een boek komt te schrijven over imperialisme?

J.B. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in politiek, zij het enkel passief. Ik werd er echt in betrokken in 1999 tijdens de oorlog tegen Joegoslavië. De humanitaire redenen die werden ingeroepen door de Verenigde Staten leken mij onbegrijpelijk. Ik was ook geschokt door het gebrek aan verzet van links, zelfs soms van extreem-links, tegen deze agressie.

Ik werd gevraagd om conferenties in alle soorten kringen toe te spreken: protestantse kerken, moslim-bewegingen, studentengroepen, Attac enz. Mijn boek over humanitair imperialisme is, onder andere, een reactie op de bezorgdheid en op voorstellen van individuen en groepen, die ik ontmoette op deze conferenties. Het boek is ook een reactie op de houding van bepaalde politieke militanten die beweren links te zijn. In de naam van de mensenrechten legitimeren zij agressie tegen soevereine landen. Of zij matigen hun verzet zo zeer, dat het slechts symbolisch wordt.

Moeten de mensenrechten dan maar naar de vuilbak?

J.B. Ik verdedig de doelstellingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948. Ze bevat een hele reeks economische, sociale, politieke en individuele rechten. Het probleem ontstaat wanneer een echt of vermeend gebrek aan respect ervoor, dient om oorlog, embargo’s en andere sancties tegen een land te legitimeren en wanneer mensenrechten een voorwendsel worden voor een gewelddadige aanval tegen dat land. Bovendien gebeurt het dikwijls dat enkel een deel van de Verklaring wordt geciteerd. Als mensen spreken over mensenrechten, worden economische en sociale rechten dikwijls als relatief onbelangrijk beschouwd in vergelijking met de individuele en politieke rechten. Neem, bij voorbeeld, de kwaliteit van de gezondheidszorg in Cuba. Dit is een merkwaardige ontwikkeling van een socio-economisch recht. Maar dat wordt totaal genegeerd.

Het is wel waar dat Cuba volledig overeenkomt met de zeer kritische beschrijving die Reporters zonder Grenzen ervan geeft, maar dat doet niets af van het belang van de kwaliteit van zijn gezondheidszorg. Als je over Cuba spreekt en je reserves uit over het gebrek aan respect voor de politieke en individuele rechten, dan moet je ten minste het belang vermelden van de economische en sociale rechten, waarvan de Cubanen genieten. Wat is er belangrijker, de rechten van het individu of gezondheidszorg? Maar niemand redeneert op deze wijze. Het recht op huisvesting, op voeding, bestaan en gezondheid: die rechten worden gewoonlijk genegeerd door de verdedigers van de mensenrechten.

Uw boek toont aan dat deze rechten worden genegeerd in de mediacampagnes tegen socialistische landen zoals Cuba of China. U schrijft dat vier miljoen levens hadden kunnen worden gered als India de Chinese weg had gevolgd.

J.B. De economisten Jean Drèze en Amartya Sen zeggen dat China en India, die van dezelfde basis vertrokken, verschillende ontwikkelingspaden hebben gevolgd, en dat het verschil tussen de sociale systemen van deze twee landen resulteert in ongeveer 3,9 miljoen extra doden elk jaar in India. In Latijns-Amerika zouden elk jaar 285.000 levens kunnen worden gered als de Cubaanse gezondheids- en voedselpolitiek zou worden toegepast.

Ik zeg niet dat sociale en economische prestaties tekortkomingen in andere gebieden van de mensenrechten kunnen rechtvaardigen. Maar niemand kan volhouden dat het tegenovergestelde waar is: respect voor individuele en politieke rechten rechtvaardigt niet dat er een loopje wordt genomen met sociale en economische rechten. Waarom zeggen de verdedigers van de mensenrechten dat nooit? Om terug te komen op Cuba. Kan het gebrek aan individuele vrijheden gerechtvaardigd worden door een efficiënte gezondheidszorg? Daar kan over worden gediscussieerd. Als er in Cuba een pro-westers regime was, dan is het zeker dat de gezondheidszorg niet zo efficiënt zou zijn. Dat kan worden afgeleid van de gezondheidstoestand van de mensen in de “pro-westerse” landen van Latijns-Amerika. Vandaar, in praktische termen is er een keuze tussen de verschillende types van mensenrechten: welke zijn de meest belangrijke, de sociale en economische of de politieke en individuele?

Het zou natuurlijk het beste zijn beide samen te hebben. De Venezolaanse president Chávez tracht ze te verzoenen. Maar de interventiepolitiek van de Verenigde Staten maakt die verzoening moeilijk in de Derde Wereld. Wat ik wil onderstrepen is dat het niet aan ons is, in het Westen, die van beide soorten rechten genieten, om vast te leggen welke keuze er moet worden gemaakt. We zouden beter onze energie steken in pogingen van de Derde Wereldlanden om zichzelf onafhankelijk te ontwikkelen, in de hoop dat dit eventueel naar die rechten zal leiden.

Is er geen groot verschil tussen hoe de mensenrechten en de plicht tot interventie worden gezien, naar gelang men van het Noorden of het Zuiden van de planeet komt?

J.B. In 2002, niet lang voor de oorlog tegen Irak, ging ik naar Damascus in Syrië en Beiroet in Libanon. Ik ontmoette er nogal wat mensen. Zeggen dat ze tegen de oorlog tegen Irak waren, is te mild gezegd. En dat was zelfs het geval aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet. Er was enorm veel anti-Amerikanisme en fel verzet tegen Israël.

Toen ik terugkeerde naar België zag ik daar geen teken van. Neem nu de kwestie van de ontwapening van Irak. Bepaalde leden van de CNAPD (een coördinerend orgaan van de Belgische anti-oorlogsbeweging) zegden mij dat de ontwapening moest worden opgelegd, natuurlijk niet met militaire, maar wel met vreedzame middelen. Als deze voorstellen zouden worden bepleit in het Midden Oosten, dan zouden de mensen onmiddellijk antwoorden: “En Israël, waarom zou dat niet moeten worden ontwapend?”

In Latijns-Amerika, en in de Arabisch-islamitische wereld in het bijzonder, is er een totaal verschillende visie op het internationaal recht dan bij ons hier, zelfs bij links en extreem-links. Deze laatsten lijken geen interesse te hebben om te weten wat de direct betrokken mensen denken over onze interventies.

Waarom? Is dat een kwestie van navelstaarderij? Of van ethnocentrisme?

J.B. Tijdens de dekolonisatie en de Vietnamese oorlog, ontwikkelde links een nieuwe houding. Het verdedigde een anti-imperialistische politiek in economische, militaire en sociale zaken. Sedertdien is die houding ondermijnd door interventie in de naam van de mensenrechten. Het verzet tegen het neokolonialisme is vervangen door het verlangen de mensen in het Zuiden te helpen in hun strijd tegen hun dictatoriale, inefficiënte en corrupte regeringen. Degenen die dit standpunt steunen zijn zich niet bewust van de kloof die hen scheidt van de volkeren van de Derde Wereld, die in het algemeen de interventie van westerse regeringen in hun interne aangelegenheden niet aanvaarden.

Natuurlijk willen velen van hen democratischer en eerlijker regeringen. Maar waarom? Omdat zulke heersers hun natuurlijke hulpbronnen rationeler zouden beheren, betere prijzen zouden verkrijgen voor hun grondstoffen, hen beter zouden beschermen tegen de controle van de multinationals en zelfs machtige legers zouden uitbouwen.

Als sommige mensen hier spreken over meer democratische regeringen, dan menen ze daar niets van. Echt democratische regeringen in het Zuiden zouden meer op die van Chávez lijken dan op de huidige Iraakse regering.

Is er geen achtergrond van koloniale ideologie in dit alles?

J.B. Misschien, maar die wordt verpakt in een postkoloniale taal. Iedereen veroordeelt het kolonialisme. Degenen die de huidige oorlogen verdedigen, onderstrepen dat humanitaire interventie “totaal verschillend” is van kolonialisme. We kunnen echter alleen maar de continuïteit in die verandering zien. Interventie werd eerst gelegitimeerd door het christendom, dan door een beschavingsmissie – ook door anticommunisme. Onze aanspraak op superioriteit heeft ons altijd toegestaan een reeks monsterlijke daden te plegen.

Wat is de rol van de media in het propageren van dit “humanitair imperialisme”?

J.B. Dit is fundamenteel. In het geval van de Joegoslavische oorlog, werden de media gebruikt om de publieke opinie op zulke aanvallen voor te bereiden. Wat Irak betreft, blijven de journalisten voortdurend herhalen dat “het niettemin een goede zaak is dat Saddam Hoessein is omvergeworpen.” Maar in welke mate is het legitiem voor de VS om Saddam Hoessein omver te werpen? Die vraag wordt nooit gesteld in de kranten. Denken de Irakezen dat die interventie hen ten goede komt? Als dat het geval is, waarom verlangt meer dan 80% van hen dat de VS zouden vertrekken? De pers bekritiseert de VS, maar de kritiek gaat vooral over de tijdens de oorlog en de bezetting gebruikte methoden, niet over het principe van interventie.

Zouden de VS minder geneigd zijn oorlog te voeren onder een Democratische president?

J.B. Dat hangt grotendeels af van de manier waarop de bezetting van Irak zal eindigen. Er zijn vele stemmen in de VS die oproepen tot de terugtrekking van de troepen en er is een klimaat van paniek in vele sectoren van de maatschappij. Als, zoals in Vietnam, de oorlog in Irak stopt met een catastrofe, dan zou er lange pauze kunnen zijn in de oorlogspolitiek. Als de terugtrekking gesmeerd verloopt en er niet teveel schade is, dan kunnen ze snel weer ten oorlog trekken. Maar het is een wijdverbreide illusie dat de Democraten minder agressief zijn en dat ze geen steun geven aan militaire interventies.

Waarom is de reactie op de oorlog bij progressieve Europeanen zo zwak?

J.B. De ecologisten, socialistisch links, de traditionele communistische partijen, de trotskisten en de meeste ngo’s hebben zich zeer zwak verzet tegen de oorlog. Hun positie is ondermijnd geworden door de ideologie van de humanitaire interventie en alle ernstige referenties naar het socialisme in hun programma’s zijn opgegeven. Een deel van links heeft zijn aanvankelijke doelstellingen van sociale verbetering en revolutie vervangen door de strijd voor de mensenrechten.

Daar het voor die bewegingen moeilijk ligt de oorlogen van de VS tegen Joegoslavië en Irak te verdedigen, hebben zij de eerder gemakkelijke “noch noch”-positie ingenomen. “Noch Bush noch Saddam”: dit maakt het hen mogelijk kritiek te vermijden. Ik kan natuurlijk best begrijpen waarom Saddam Hoessein niet geliefd is. Maar de implicaties van “noch noch” gaan toch veel verder dan dat.

In de eerste plaats erkent die positie de legitimiteit van het internationaal recht niet. Ze maakt geen onderscheid tussen aanvallers en aangevallenen. Om een vergelijking te maken, het zou tijdens de Tweede Wereldoorlog moeilijk geweest zijn te zeggen “Noch Hitler, noch Stalin” zonder als een collaborateur te worden beschouwd.

Ten tweede onderschat die benadering de omvang van de door de Verenigde Staten sedert 1945 aangerichte schade. Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog, zijn ze overal in de wereld tussengekomen om conservatieve en reactionaire krachten te steunen of aan het bewind te brengen, van Guatemala tot Congo, van Indonesië tot Chili. Zij zijn druk in de weer geweest om overal de hoop van de armen voor sociale verandering te doden. Het zijn zij, en niet Saddam Hoessein, die Hugo Chávez willen omverwerpen. De Vietnamese oorlog had niets te maken met Saddam Hoessein. Het is totaal onrechtvaardig en vals Milosevic en Saddam Hoessein, hoezeer ze ook gedemoniseerd zijn, op hetzelfde wereldniveau als de VS te plaatsen.

Ten slotte, wat mij meest verontrust in deze “noch noch”-houding is het standpunt dat we innemen over onze verantwoordelijkheid door deze slogan.

Als we in de Derde Wereld een politiek zien die ons niet aanstaat, dan moeten we beginnen met die te bespreken met de mensen die er leven, met organisaties die brede sectoren van de bevolking vertegenwoordigen, niet met kleine groepjes of geïsoleerde individuen. We moeten proberen zien of hun prioriteiten dezelfde als de onze zijn. Ik hoop dat de alternatieve wereldbeweging communicatiekanalen zal creëren, die een beter begrip van de standpunten van het Zuiden bevorderen. Momenteel blijf westers links in zijn hoek zitten. Het heeft zeer weinig invloed in de eigen thuisbasis en speelt indirect in de kaart van het imperialisme door de Arabieren, de Russen en de Chinezen te demoniseren in de naam van de democratie en de mensenrechten.

Waar we vooral verantwoordelijk voor zijn, is voor het imperialisme van onze eigen landen. Laat ons beginnen met dat aan te pakken – en op een efficiënte wijze.

(Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006)


Jean Bricmont. Impéralisme humanitaire. Droits de l’Homme, droit d’ingérence, droit du plus fort?, Ed. Aden, 2005, 253 pages, 18 euros.
Dit boek kan worden besteld bij de éditions Aden :
http://www.rezolibre.com/librairie/detail.php?article=98

Zie ook (in het Frans): Biografie van Jean Bricmont
http://www.michelcollon.info/bio_invites.php?invite=Jean%20Bricmont

Jean Bricmont – Quelques remarques sur la violence, la démocratie et l’espoir:
http://www.michelcollon.info/articles.php?dateaccess=2005-03-16%2017:32:42&log=invites

Jean Bricmont – Européens, encore un effort si vous voulez vous joindre au genre humain!
http://www.michelcollon.info/articles.php?dateaccess=2003-02-16%2018:24:22&log=invites

Jean Bricmont and Diana Johnstone – Les deux faces de la politique américaine
http://www.michelcollon.info/articles.php?dateaccess=2001-11-07%2018:35:48&log=invites

Over de oorlog tegen Irak en zijn oorzaken, zie ook het nieuwe boek:
“Bush, le cyclone” : http://www.michelcollon.info/bush_le_cyclone.php

Visited 10 Times, 1 Visit today

Tags :