Hongarije 1956: enkele details

De Hongaarse opstand van 1956 krijgt bij de vijftigste verjaardag wel heel wat aandacht. Maar in die aandacht zijn enkele belangrijke details soms verloren gegaan.

De herdenkingen in Hongarije zelf werden geboycot door de rechtse nationalistische oppositiepartij Fidesz van ex-premier Viktor Orban.

Ik was in 1989 in Boedapest bij de herdenking van de opstand. Toen werden de lijken van enkele leiders van de opstand plechtig herbegraven – het waren de laatste maanden van het communistisch regime dat er uit zichzelf de brui aan gaf. Op die herdenking zorgde diezelfde Orban, toen een studentenleider, voor hét incident door afstand te nemen van die leiders van 1956, “want het waren communisten”.

Het is inderdaad geen detail dat toenmalig premier Imre Nagy, militair leider Peter Maleter en andere terechtgestelde kopstukken inderdaad communisten waren. Zij hadden de leiding van de opstand genomen. Natuurlijk niet uit anticommunisme, wel uit antistalinisme. Dit was in de eerste plaats een opstand tegen het stalinisme. Het was een opstand van raden, grotendeels arbeidersraden. Waarmee de opstandelingen aansloten bij de (mislukte) Hongaarse revolutie van 1920 onder leiding van Bela Kun. Het was trouwens mee omwille van die opstand dat Hongarije in het Verdrag van Trianon extra werd gestraft en zoveel grondgebied moest afstaan.

Dat aspect: de rol van de communisten in de opstand en de rol van de arbeidersraden, komt bij de herdenking bijzonder weinig naar voor. Nochtans was dit cruciaal, het was mogelijks het hoofdmotief voor de beslissing in Moskou om de opstand met alle mogelijke middelen neer te slaan.

Aanloop

De Hongaarse opstand kwam na drie jaar grote spanningen in Centraal-Europa. Die spanningen volgden op de dood van Stalin in 1953. Ze hadden ook te maken met de gevolgen van een economisch beleid dat volledig op de zware industrie was ingesteld. De arbeiders plukten daar weinig vruchten van en dat leidde in de herfst van 1953 tot een arbeidersopstand in de DDR (Oost-Duitsland).

In juni 1956 kwamen arbeiders in het Poolse Poznan op straat tegen prijsstijgingen en tegen de repressie die volgde op een korte periode van intellectuele liberalisering. Het leidde tot de aanstelling van Gomulka, met een reputatie van open hervormer, wat overkwam als een nederlaag voor Moskou.

Dat had een weerslag in de rest van Centraal-Europa. In dat jaar was het rapport uitgelekt dat Sovjetleider Chroesjtsjov voor het 20ste congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie had gehouden. Daarin had hij de misdaden van Stalin aan de kaak gesteld, zonder evenwel het stalinistisch systeem zelf in vraag te stellen.

Na de dood van Stalin had Moskou wel begrepen dat in enkele landen de teugels moesten gevierd worden om te beletten dat de spanningen tot explosies zouden leiden die de regimes zelf zouden aantasten. In Hongarije waren er in 1953 stakingen geweest tegen het dalend levensniveau. De stalinistische premier Rakosi werd naar Moskou geroepen en werd opgevolgd door Imre Nagy – maar hij bleef wel partijleider. Nagy gaf meer ruimte aan de industrietakken gericht op consumptie en gaf meer ruimte voor intellectuele en artistieke vrijheid. Maar in 1955 sloegen de stalinisten rond Rakosi terug, Nagy werd afgezet en zelfs uit de partij gestoten.

Het rapport Chroesjtsjov deed Rakosi en compagnie wankelen. Groepen van jonge intellectuelen en de officiële auteursbond brachten openlijk kritiek op Rakosi. Moskou zond hem de laan uit en probeerde het met een andere stalinist, Gerö, maar tevergeefs. De herbegrafenis van Laslo Rajk, een communistische leider die onder de stalinistische zuiveringen was terechtgesteld, draaide uit op een betoging tegen de regering.

De Hongaren keken tegelijk scherp naar de gebeurtenissen in Polen. Daar had een delegatie uit Moskou getracht Gomulka van de macht te houden, maar ze moest inbinden. Gomulka won en dat was een aanmoediging voor de Hongaarse actievoerders.

Intellectuelen en arbeiders

De gebeurtenissen in Polen leidden tot talrijke massabijeenkomsten in Boedapest en elders in het land. Op 22 oktober beslisten deelnemers aan een meeting in de polytechnische school en aan een andere bij de auteursbond om de dag daarop een grote betoging te houden. Tegelijk stelden studentengroepen een eisenprogramma op voor een “onafhankelijk socialistisch Hongarije”’ en voor de terugkeer van Nagy, nu bijgenaamd “de Hongaarse Gomulka”, als premier.

Op 23 oktober namen tienduizenden mensen, onder wie grote delegaties van de communistische jeugd, deel aan de betoging in Boedapest. Peter Veres, voorzitter van de auteursbond, pleitte er voor een “onafhankelijke nationale politiek gebaseerd op de socialistische beginselen” en op het betrekken van de arbeiders bij het beheer van de bedrijven. In het stadspark werd het beeld van de gehate Stalin neergehaald.

Een toespraak van Gerö die de betogers provoceerde, leidde tot een betoging aan het radiostation waar het regime betogers op kogels onthaalde. In Boedapest braken daarop alom gevechten uit. In de industriële wijk Csepel deelden de arbeiders van een wapenfabriek wapens aan de menigte uit. Binnen de kortste keren waren er honderdduizenden mensen op straat. Gerö vroeg het Sovjetleger om op te treden, maar tegelijk droeg hij de post van premier over aan Nagy in de hoop dat de betogers naar huis zouden trekken.

Maar de betogers bleven en vielen de Russische tanks aan. De strijdlust was het grootst in de arbeidersbuurten en steden,. In Miskolc werden fabriekscomités opgericht die de leiding van de strijd namen. De actievoerders eisten overal het einde van het politiek monopolie van de CP en vrije verkiezingen. Natuurlijk doken ook restanten van de oude burgerlijke partijen, zoals de Partij van de Kleine Eigenaars, op. Zowel Moskou, de communistische bewegingen en het Westen vergrootten dat uit, de enen om te bewijzen dat het een contrarevolutionaire beweging was, het Westen om aan te tonen dat het een anticommunistische opstand was.

Ook de Hongaarse militairen schaarden zich achter de opstandelingen, met voorop de communistische veteraan Pal Maleter die naar voor kwam als de leider van het militair verzet. Moskou schoof snel Gerö opzij en verving hem door Janos Kadar die vroeger ook slachtoffer was geweest van de stalinistische zuiveringen – hij had ze wel overleefd.

De Sovjettanks trokken zich terug, Nagy was – eerder ongewild – de voorman van de voorlopig geslaagde opstand. Hij benoemde Maleter tot minister van Defensie en kondigde eind oktober het einde van het éénpartijstelsel aan, op 2 november gevolgd door de aankondiging dat Hongarije een neutraal land werd en zich terugtrok uit het Pakt van Warschau (de tegenhanger van de Navo).

Kadar en de raden

Maar het succes was zeer voorlopig. Kadar “verdween” en daarop trokken Sovjettroepen massaal het land binnen, met Kadar als premier van een regering “van revolutionaire arbeiders en boeren”. Het verzet was vooral groot en goed georganiseerd in de arbeiderscentra, zoals Csepel en de staalstad Dunapentele. Dat verzet was in de eerste plaats georganiseerd door de arbeidersraden die vanaf de inval van 4 november her en der waren opgericht. In één week tijd waren er arbeidersraden in de diverse wijken van Boedapest en in de meeste arbeiderscentra. Op 14 november kwam in Boedapest een centrale raad samen om het verzet te coördineren en een eisenprogramma uit te werken.

Op dat ogenblik, midden november, waren die arbeidersraden kern van de opstand. Het waren hun vertegenwoordigers die rechtstreeks met de Sovjetlegerleiding en Kadar onderhandelden. Maar Moskou en Kadar waren helemaal niet van plan de rol van arbeidersraden te aanvaarden. Die raden planden een nationale bijeenkomst op 21 november, maar Sovjettanks verhinderden dat die plaats vond. De daaropvolgende repressie was genadeloos, Moskou maakte zeer duidelijk dat het nooit een ander soort socialisme dan het “reële socialisme” (stalinisme) zou dulden.

Nagy

Nagy en enkele anderen hadden intussen een onderkomen op de Joegoslavische ambassade gevonden. Ze kregen de belofte dat ze naar Roemenië mochten, maar zodra ze buitenkwamen werden ze door Sovjetmilitairen ontvoerd en naar de Sovjet-Unie gebracht. De nationale arbeidersraad riep onmiddellijk een staking uit die algemeen was. Maar op 9 december werd dit arbeidersparlement buiten de wet gesteld en werden alle leiders ervan opgepakt.

Nagy en zijn medestanders kwamen in 1958 voor hun rechters. Nagy: “Twee maal heb ik geprobeerd de eer van het woord socialisme in de Donauvallei te redden: in 1953 en 1956. De eerste keer werd ik tegengewerkt door Rakosi, de tweede keer door de strijdmacht van de Sovjet-Unie. In dit proces, doortrokken van hartstochten en haatgevoelens, moet ik mijn leven geven voor mijn ideeën. Dat doe ik graag. Na wat u ermee gedaan hebt, is het niets meer waard. Ik ben ervan overtuigd dat de geschiedenis mijn moordenaars zal veroordelen. Er is maar één ding dat me zou tegenstaan: dat ik gerehabiliteerd zou worden door degenen die me gedood hebben”.

Kadar kreeg nadien wel veel armslag van Moskou; hij bouwde het zogenaamde “goelasj-socialisme” uit waarin wat meer kritiek werd geduld en de consumptie een betere plaats kreeg. Maar in 1989 kwamen zijn opvolgers tot de conclusie dat ze al die jaren niet goed waren bezig geweest en ze begroeven hun vorm van “socialisme” dan maar zelf.

Weerslag

De weerslag op de communistische beweging was wereldwijd, maar vooral in Europa, zeer groot. Zeer veel militanten hielden het voor bekeken en stapten uit de partij. In 1968 zou Moskou in Praag nogmaals duidelijk maken (met het onderdrukken van de “Praagse lente”) dat het geen ander “model” dan het zijnde duldde. De schade die dit wereldwijd aan links heeft toegebracht, is gewoon onmetelijk. Het stalinisme (en zijn neo-versies) hebben het socialisme ontzettend veel kwaad gedaan, we dragen daar vandaag de verpletterende consequenties van.

(Uitpers, nr. 80, 8ste jg., november 2006)

Visited 7 Times, 2 Visits today

Tags :