Honderd uren met Fidel en één maand onder Cubanen

Op 2 december 1956 landde de Granma op de Cubaanse kust en begonnen Castro, Che Guevara en hun compañeros aan een zegevierende strijd tegen Batista. Vijftig jaar later waren de ogen van heel de wereld weer op Cuba en de kwakkelende gezondheid van Fidel gericht. Walter Lotens keek mee vanuit Havana. Hoe gaat het met de man en het land?

Cien horas con Fidel

“Waarin ben je geïnteresseerd?” Een zware snor verschijnt van achter een boekenstalletje en kijkt mij onderzoekend aan. De Plaza de Armas in het hartje van Havana Vieja wordt dagelijks overrompeld door handelaars in overwegend tweedehandsboeken.

Op mijn “Fidel” tovert de man een gloednieuw exemplaar van de dikke kanjer “Cien horas con Fidel” te voorschijn. “twintig pesos convertible,” voegt hij er het hoge prijskaartje aan toe. Dat is twintig dollar en vrijwel het volledige maandloon van vele Cubanen.

Niet te verbazen dat dit monumentale interviewboek van Le Monde Diplomatique hoofdredacteur Ignacio Ramonet bijna nergens te vinden is. Alleen buitenlanders kunnen het kopen. Voor de Cubaan is er de goedkope versie die dagelijks in Juventud Rebelde verschijnt. Een hoofdstuk voor enkele centavos. Dat kan wél. Op die manier worden er dagelijks 300.000 exemplaren gretig gelezen. Commentaar wordt er ook geleverd maar dan meestal binnenskamers.

Cien horas con Fidel” is intussen al aan een derde Spaanstalige druk toe. Na een eerste druk met als titel Fidel Castro, Biografía a dos voces” die in mei 2006 verscheen (zie Uitpers nr. 80, november 2006), heeft een zieke Castro met het perfectionisme dat hem eigen is correcties en aanvullingen aangebracht, wat in september tot een tweede Spaanstalige uitgave onder de nieuwe titel “Cien horas con Fidel” heeft geleid. Begin december, naar aanleiding van de viering van zijn tachtigste verjaardag, verscheen dan een derde met negentien nieuwe bladzijden vermeerderde druk. Wat daarin het aandeel van de historicus Pedro Alvarez Tabío is geweest, wordt discreet niet vermeld. Fidel laat zich nergens zien, maar de sporen van zijn werk zijn overal aanwezig.

Castro’s gezondheidstoestand is vooralsnog een goed verborgen staatsgeheim. Via een dokter uit Baracoa vernam ik dat Fidel Castro op 27 juli 2006 aan de rand van het graf heeft gestaan. Hij leed aan divertikels (uitstulpingen) in de ingewanden en moest toen dringend geopereerd worden. Blijkbaar is hij daar twintig jaar geleden al eerder voor geopereerd en stak dit probleem bij zijn terugkeer uit Holguín weer de kop op. Officiële kringen ontkennen niet dat er risico bestaat voor het leven van Fidel Castro. Wat men wel ontkent, is dat hij, zoals zijn vijanden beweren, stervende zou zijn. Het herstel van Fidel is traag en zal, gezien zijn hoge leeftijd, van lange duur zijn.

De Cubaanse leider Fidel Castro heeft geen kanker, is niet stervende en keert terug in het openbare leven. Dat hebben ook leden van het Amerikaanse Congres gezegd, die half december 2006 op bezoek waren in Cuba. De leider van de Amerikaanse delegatie, de Republikein Jeff Flake, zei dat Cubaanse regeringsfunctionarissen hen over de toestand van Castro hadden ingelicht.

Op de Plaza de la Revolución

Het was dus te verwachten. Op 2 december 2006 was Fidel Castro niet aanwezig op de Plaza de la Revolución waar het gestileerde Korda-portret van Che Guevara lijkt te luisteren naar de echo van Fidels historische marathonredevoeringen. Samen met talloze Cubanen loop ik heel vroeg in de ochtend door een autovrij Vedado. Hoe dichter bij de Plaza, hoe dichter de menigte wordt. Het blijken er uiteindelijk 300.000 te zijn.

“Dát is weinig,” zei doña Clara achteraf toen we samen naar het televisienieuws keken. Zij is de charmante gastvrouw van een zeer smaakvolle casa particular in Vedado. “In 2000, tijdens de zaak rond het jongetje Elián González, hebben we meer dan één miljoen Cubanen over de malecón zien stappen. Dat is pas een mensenzee. Nu waren er maar drie stadwijken betrokken bij de acto.

Vrijwel iedereen draagt zelfgemaakte bordjes met zich mee. Fidel 80 y más komt zeer vaak voor. De opeengepakte menigte wordt weggedrongen in één van de zijstraten. Iedereen heeft een Cubaans vlaggetje in de hand. Het is opvallend hoe beheerst al die mensen blijven. Geen duwen en trekken. Cubanen zijn het gewoon om lang in de rij te staan.

Voor ons staan tanks opgesteld, die zich klaar houden om aan de militaire parade deel te nemen. Door de micro galmt de stem van een Castro. Inderdaad, het is de stem van Raúl, niet van Fidel. Zijn toespraak is kort, zeer kort met Cubaanse normen. Raúl is geen begenadigd spreker zoals zijn oudere broer. “Gelukkig maar,” zegt iemand naast mij al lachend. “Met Fidel in zijn betere dagen stonden we hier vier uur later nog.”

Toch is Raúls toespraak niet onbelangrijk. Op het einde ervan benadrukt hij nogmaals dat zijn land bereid is om de meningsverschillen tussen de VS en Cuba aan de onderhandelingstafel te bespreken.

Enkele dagen later al zal de Republikein Jeff Flake deze uitgestoken hand aannemen. “Op een ogenblik van veranderingen in Cuba menen wij dat de Verenigde Staten op een positieve manier moeten ingaan op het voorstel van Raúl Castro tijdens zijn rede van 2 december,” luidt de tekst van een communiqué waarmee de leden van het Congres op 19 december 2006 een driedaags bezoek aan Cuba afsloten. De missie was bedoeld om de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Cuba te verbeteren.

De militaire parade opent met een kopie van de Granma die door honderden scholieren voorbij de erehaag van binnen- en buitenlandse gasten wordt begeleid. Aan de linkerkant onder het waakzame oog van Che Guevara, maar ook van Marx, Engels, Lenin, Céspedes, Maceo, zitten de overlevenden van Castro’s generatie. Het zijn nu oud-strijders, tachtigers zoals hij. Aan de overzijde, onder het beeld van José Martí, kijken de buitenlandse gasten naar de optocht. De Boliviaanse president Evo Morales, de pas verkozen Nicaraguaanse president Daniel Ortega en de Haïtiaanse president René Preval groeten de menigte. Hugo Chávez, wegens herverkiezingsstrijd, ontbrak. Ook linkse intellectuelen van over heel de wereld zijn aanwezig: Gábriel Márquez, Tomás Borge, Gerard Depardieu, James Cockroft, Gloria La Riva, Jorge Enrique Adoum, Salim Lamrani en zovele anderen.

Enkele dagen nadien blokletterde het weekblad Trabajadores “Fidel sí estuvo” (Fidel was er wél) met daaronder een luchtfoto van die mensenzee. Althans in de gedachten van al die Cubanen.

Na de acto loop ik terug over La Rampa, een van die brede, kaarsrechte boulevards in de residentiële Vedado-wijk. Ik rust even uit op een parkbankje, even voorbij het legendarische ijssalon Coppelia, met zicht op een prachtig Don Quichote-standbeeld. Dit kan geen toeval zijn. Niet alleen in “Cien horas con Fidel” wordt zeer uitdrukkelijk naar de man van La Mancha verwezen, maar ook in al die vlaggenzwaaiende Cubanen zijn kleine Quichotes aanwezig. “You may say I am a dreamer, but I am not the only one,” staat er in een ander parkje als tekst bij het standbeeld van John Lennon.

’s Avonds kijk ik nog eens met de familie van doña Clara naar de televisiebeelden. “Ik ben benieuwd hoe de westerse pers deze gebeurtenis zal coveren,” vraagt haar zoon Esteban zich af. Zijn wantrouwen was niet ongegrond. Achteraf verneem ik dat in westerse huismakers alleen beelden van de toespraak van Raúl Castro getoond werden, dadelijk gevolgd door de militaire parade met accent op dreigende kanonslopen van tanks. Dat is zeker niet de sfeer die ik geproefd heb op de Plaza de la Revolución.

Waar de revolutie ontstond

Ik sta op de hoek van Calle O en Calle 25 in Vedado voor een versleten appartementsgebouw uit de jaren vijftig. We zijn dichtbij het beroemde Hotel Nacional waar eens de Amerikaanse maffia baas was, maar ook dichtbij de Universiteit van Havana waar het verzet tegen Batista smeulde. Op een verweerde gedenkplaat ontcijfer ik: Museo Abel Santamaría. Geen bel en een potdichte voordeur. De buurman, een vriendelijke boekhandelaar, komt ter hulp. Even later staat een kleine dame voor me. Miriam Fernández, con mucho gusto. Zij is historica en directrice van het museumpje waar de plannen voor de Cubaanse revolutie gesmeed werden. In 1952 huren Abel Santamaría en zijn zus Haydee een klein appartementje op de zesde verdieping van het toen nieuwe flatgebouw. Dat vertelt Miriam Fernández me als inleiding in de lift. Broer en zus zijn idealistische jongeren, die de jonge rebelse advocaat Fidel Castro onderdak verschaffen. Eens in het appartementje stap je de jaren vijftig binnen. Alles is intact gebleven: de tafel, de zitbank, de boeken, de originele muurverf, het bureau waaraan Castro werkte, de keuken.

“In 1953 ontstond hier het plan om de Moncada-kazerne in Santiago de Cuba te overvallen,” vertelt Fernández. “Het is van hieruit dat even voor die memorabele 26ste juli 1953 een aantal overvallers naar Santiago vertrokken. De aanval mislukte en onder andere Abel Santamaría werd door de troepen van Batista gefolterd en vermoord.”

Ik kijk rond in die eenvoudige woonkamer. Het is haast onvoorstelbaar dat dit de thuisbasis is geweest van waaruit enkele Cubaanse jongeren op een amateuristische manier, zonder middelen en zonder enige financiële steun het militaristische Batista-bolwerk met zijn 50.000 beroepsmilitairen en voluit gesteund door de VS, aanvielen. Heel dit sjofele verblijf is één grote ode aan Don Quichote. Dit museum-appartementje maakt op mij véél meer indruk dan de ronkende titels en heldhaftige beschrijvingen waarvan alle museos de la revolución van heel het land doordrenkt zijn. De angst, de twijfel, de onzekerheid van mensen die later tot helden werden gebombardeerd huizen in deze muren. Dit is een voorbeeld van anti-pathetiek, een terugvoeren van de geschiedenis op mensenmaat. Ik voel mij ten zeerste aangesproken.

Ook het werkelijke verhaal van de Granma is uiteindelijk niet zo fraai. Samen met Miriam Fernández kijk ik ook naar een Cubaanse documentaire waarin de Mexicaanse periode van Fidel en zijn compañeros uit de doeken wordt gedaan. Antonio del Condé, een oude Mexicaan, vertelt hoe hij in opdracht van Fidel Castro voor 20.000 dollar een yacht kocht waarop 82 zeezieke Cubaanse revolutionairen zeven dagen ronddobberden – slechts één man kon het schip bedienen – dat ten slotte zonder benzine en uit koers aanspoelde bij Alegría de Pío, waar zij al dadelijk in een hinderlaag van Batista’s leger liepen. De landing leek meer op een schipbreuk zoals ook El Che het uitvoerig beschrijft in zijn Pasajes de la guerra revolucionaria. In zijn lijvige dagboeken werpt Ernesto Guevara zich op als de kroniekschrijver van een ongelijke en in vele momenten verloren gewaande strijd. Toen waren Fidel en zijn compañeros nog geen helden, alleen maar hardnekkige kuitenbijters op zoek naar de Achillespees van Batista.

Los Cinco

Miriam Fernández vertelt me dat ik niet de enige Belg ben die in het museumpje over de vloer komt. Zij toont me een foto waarop Katrien De Muynck van het Comité Free the Five op bezoek is bij Gerardo Hernández in de beruchte Lompoc-gevangenis, tussen San Francisco en Los Angeles. Deze vijf Cubanen zijn de nieuwe helden van het vaderland. Tot in alle uithoeken van het eiland, van Baracoa tot Viñales, tref je hun namen aan – Gerardo Hernández, Antonio Guerrero, Ramon Labañino, Fernando Gonzalez en René González – gevolgd door het strijdbare volverán (ze zullen terugkomen).

Waarover gaat het? In de zomer van 1998 nodigde de Cubaanse regering FBI-afgevaardigden uit naar Cuba, waar men hen een memorandum overhandigde met informatie over terreurdaden die waren gepleegd door een aantal organisaties uit Miami. Aan de FBI werd gevraagd stappen te ondernemen tegen deze schendingen van de Amerikaanse wetgeving. Wat gebeurde er echter op 12 september 1998? De vijf geïnfiltreerde Cubanen in het anti-Castro milieu in de VS die de terreurdaden hebben blootgelegd, worden met veel heisa aangehouden. De mannen bieden niet de minste weerstand. De beschuldiging? Samenzwering tot spionage en samenzwering tot moord. Ze worden van elkaar afgezonderd en in speciale cellen gestopt bestemd voor zeer zware gevallen. Daar worden ze zeventien maanden vastgehouden. Pas in 2001 begint hun proces. Het zal zeven maanden duren. Meer dan zeventig getuigen, waaronder twee generaals, een gepensioneerde admiraal en een adviseur van de president, komen op vraag van de verdediging aan het woord. De twaalf juryleden onder wie hun voorzitter die openlijk zijn afkeer van Fidel Castro te kennen gaf, oordeelden dat de vijf schuldig zijn aan 26 van de te lasten gelegde feiten zonder daarover ook maar een enkele vraag te stellen. Gerardo Hernández krijgt twee keer levenslang. Antonio Guerrero en Ramon Labañino één keer. Fernando González krijgt 19 jaar en René González 15 jaar gevangenisstraf.

De vijf hebben nooit ontkend dat zij in opdracht van Havana handelden. “Mijn cliënten hadden niet als opdracht om militaire geheimen te ontfutselen aan de Amerikanen, maar om agressieplannen van anti-castristische groeperingen in Florida op het spoor te komen,” zei hun Amerikaanse advocaat Weinglass nadrukkelijk. Hij herinnerde aan de bomaanslagen die in de loop van de jaren negentig het toerisme op Cuba probeerde te ontwrichten.

Kregen de Cuban Five een eerlijk proces? Alvast niet volgens drie rechters van het Amerikaans hof van Beroep in Atlanta. In de zomer van 2005 verklaarde deze hoge instantie het proces tegen de vijf ongeldig. Volgens het Hof was een eerlijk proces in Miami onmogelijk in een zaak waar Cuba bij betrokken is. Daarvoor staat de anti-Cubaanse lobby in Florida te sterk. Even zag het er dus goed uit voor de vijf, maar in augustus 2006 verwierp het volledige Eleventh Courth de beslissing van de drie rechters om de vonnissen te vernietigen. Het weigerde een nieuw proces en verwees de zaak terug naar de jury.

“Acht jaar zitten ze intussen vast,” zegt Miriam Fernández, die me bij het verlaten van het museum de kopie van een tekening van Antonio Guerrero meegeeft, die hij maakte voor het collectief van het museum Abel Santamaría. Che en Fidel staan erop en daaronder: Hasta la victoria siempre!

Stemmen uit de casas particulares

Op het einde van 2006 blokletterde de Granma triomfantelijk dat er dat jaar twee miljoen toeristen Cuba bezochten. Dat is alweer een nieuw record voor deze belangrijke deviezentrekker. Na de val van de Muur schakelde Cuba noodgedwongen over van o.a. suikerriet op (een overwegend Europees) toerisme. Rechtstreeks en onrechtstreeks leven al 300.000 Cubanen van het toerisme, dat meer dan 60 procent van de nationale consumptie vertegenwoordigt.

De econoom Carlos Lage Dávila, vice-president van de staatsraad, is het brein en de architect van de “speciale periode in vredestijd” (sinds 1990) die Cuba gered heeft van de ondergang. Hij heeft met het toerisme, de legalisering van de dollar en de buitenlandse investeringen in joint ventures met de staat – en dit tegen de zin van Fidel Castro – Cuba weer wat economische ademruimte bezorgt.

Intussen ging de Cubaanse staat volgens een 51 procent aandelen formule al meer dan 300 joint ventures aan met voornamelijk Spaans en Canadees kapitaal. Alle grote westerse hotelketens zijn aanwezig, de Amerikaanse uitgezonderd. Cubanacán met 15 compagnieën, 23 gemengde ondernemingen en negen vertegenwoordigers in het buitenland, heeft een jaarlijks zakencijfer van meer dan 800 miljoen dollar. Deze staatshotelketen verwerft 40 procent van alle opbrengsten uit de toeristische sector.

Dit is mooi meegenomen. Althans zolang deze succes story duurt, want in deze sector doet zich voortdurend een opschuifgedrag voor naar andere en goedkopere paradijselijke oorden. Om de val van de muur te overleven heeft Cuba noodgedwongen het toerisme binnengehaald, maar het dreigt daardoor, zoals de meeste Caribische eilanden, afhankelijk te worden van de grillen van de grootste economische sector ter wereld.

Het is opvallend dat Castro in zijn “Cien horas con Fidel” bijna geen uitspraken doet over het toerisme. Zeer waarschijnlijk omdat er ook nog een ander prijskaartje aan vast hangt. Door de opmars van het toerisme ontwikkelde er zich een dubbel circuit. De dualiteit is overal merkbaar: aparte busverbindingen, aparte ziekenhuizen voor toeristen, aparte bars, aparte taxi’s en ga zo maar door waar de convertible (gelijk aan de dollar) de waardeloze Cubaanse peso verdringt. Officieel luidt het dat vier Cubanen op tien gemakkelijk aan convertibles geraken. Wie in het toerisme werkt zit aan de bron, maar ook de taxichauffeur, de kelner, de buschauffeur, de krantenverkoper en de toiletschoonmaaksters pikken, doorgaans illegaal, hun buitenlandse graantje mee.

Vanuit het standpunt van de toerist is reizen in Cuba, in vergelijking met andere landen van Latijns-Amerika, een makkie. Door de zeer zware straffen voor delicten op toeristen is het er veilig. Vanaf 1994 mogen Cubanen onder zeer strikte voorwaarden op kleinschalige manier enige vorm van privé-initiatief ontwikkelen. Dat zijn de zogenaamde casas particulares (gastenkamers) en de paladares (huisrestaurantjes) waarvan wij tijdens ons verblijf van één maand gretig hebben gebruik gemaakt.

Daar hoor je de niet-gefilterde, niet-ideologische stem van de gewone Cubaan die resolver als een overlevingscredo moet hanteren. Resolver is het geritsel, de kleine vergrijpen en de zwarte handel die nodig zijn om te overleven. Volgens een onderzoek van de econoom Angela Ferriol (Mimeo, La Havana, 2002) zou in de grote steden 20 procent van de bevolking in armoede leven. Vooral La Havana blijft een aantrekkingspool voor Cubanen uit het armere Oosten van het eiland. Sinds ‘de speciale periode in vredestijd’, al zestien jaar dus, moeten de Cubanen zwaar de broekriem aanhalen. De levensstandaard ligt in 2006 niet hoger dan in 1989. Met de inhoud van het maandelijks rantsoen waarop elke Cubaan recht heeft, basisvoedsel, loopt ie niet ver.

De basisvoorwaarden om behoorlijk te kunnen leven worden weliswaar vervuld (onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid) – alleen onderwijs gaat met meer dan negen procent van het nationaal budget lopen en dat vindt iedereen goed – maar dat tikkeltje luxe om een stuk zeep, een pen, een boek of een T-shirt te kopen, ontbreekt. De kleine man, zeer vaak met een universitair diploma, die met een equivalent van 25 dollar per maand moet toekomen, ontwikkelt dan ook een grote vindingrijkheid om zijn auto uit de jaren vijftig op de weg te houden en ook nog clandestien als taxi te gebruiken. De underdog ontworstelt zich met grote creativiteit uit de greep van een al te streng vadertje staat. Kreeft en garnalen zijn exportproducten en dus verboden in casas particulares. Geen nood. Op ons bord kregen we dan maar ‘kip van de zee’. Zijn dit anti-Cubaanse handelingen? In de ogen van de strenge Comites de Defensa Revolucionaria (CDR) allicht wel, maar voor de meeste Cubanen is het, zeker sinds de doorbraak van het toerisme, niet meer dan een manoeuvre in een permanente overlevingsstrategie.

Gaat het dan na 47 jaar de slechte kant op met de Cubaanse revolutie? Ik vroeg het me af toen ik op 30 november op de Plaza Anti-Imperialista naar al die jonge Cubanen keek. Ze waren in grote getale opgedoken om de tachtig jaar van Fidel te vieren. Tot zes uur ’s morgens deden hun Caribische heupen zelfs de plompe muren van de malecón swingen. Hoe reageren zij op de ethische boodschap die Fidel in zijn “Cien horas” verkondigt? Komt, zoals Bertolt Brecht zegt, niet Erst das Fressen en dan pas de moraal? Ik kijk naar een grote afbeelding van Bush met Hitleriaanse trekken. Zal Cuba die permanente dreiging kunnen afhouden? “Het grootste gevaar voor ons socialistisch systeem zijn niet de VSA maar de Cubanen zelf. Onze revolutie kan alleen zichzelf vernietigen,” drukte Fidel Castro himself uit. Dat lijkt me zeer juist, maar die politieke ondersteuning zal ook in grote mate bepaald worden door de sociaal-economische situatie.

Esteban, de zoon van doña Clara, ziet het allemaal niet zo somber in. “Er is een grote contradictie aanwezig in de houding van de vele jonge ritselaars die je op de malecón ontmoet. Op het eerste gezicht zijn ze helemaal niet bezig met de grondwaarden van de revolutie – alleen met het eigen overleven – maar als puntje bij paaltje komt, staan zij toch pal achter Fidel tégen de VS. Dat was zo met de Varkensbaai in 1961, met Elián in 2000 en dat zal ook vandaag zo zijn.”

Om zes uur ’s morgens werden wij in Calle L wakker van de loeiharde muziek. Op de hoek van deze straat in Vedado en de malecón huist het US special interests office, zeg maar de officieuze ambassade van de Verenigde Staten. Op de Plaza Anti-Imperialista zette de songo Band Los Van Van al zijn registers open. “Dat was om de Amerikanen wakker te maken,” verklaarde doña Clara laconiek bij het ontbijt.

(Uitpers, nr. 82, 8ste jg., januari 2007)

(Visited 7 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 69 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

zie ook