Wat een luxe! Twee Vlaamse boeken, bijna tegelijk over ‘geschiedenis en toekomst’ van de welvaartsstaat! En twee totaal verschillende visies en aanpak, wel twee keer zonder statistieken en grafieken over procentpuntjes hier en zoveel-na-de-komma daar. Een boek geschreven door een historicus en een ander door een socioloog.
Het boek van historicus van der Ven werd al besproken in Uitpers. De auteur is adviseur van premier Bart De Wever en Antwerps burgemeester Els Van Doesburg.
Het sociologisch werk van Bart Van De putte is van een geheel ander soort.
Van De Putte wil twee vragen beantwoorden: Hoe is het ontstaan van onze verzorgingsstaat mogelijk geweest en hoe kunnen we hem behouden?
De auteur gaat zeer systematisch te werk. Hij begint met een aantal principes die zijn aanpak moeten verantwoorden, gaat verder met een aantal definities en overloopt dan de verschillende maatschappelijke mechanismen die al dan niet een antwoord kunnen geven op zijn vragen.
Dat lijkt saai en droog, maar is het geenszins. De auteur geeft telkens praktische voorbeelden en weet die te peperen met behoorlijk wat humor. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie in duidelijk afgegrensde punten. Ik vermoed dat het boek ook als cursus wordt gebruikt. Voor wie een beetje structureel kan denken is zoiets een zegen.
De waaier van de wielerkoers
Het uitgangspunt van de auteur is wat hij ziet gebeuren in een wielerkoers. Iemand moet de wind opvangen, anderen blijven dan uit de wind of net niet. Wielers moeten elkaar in die oefening aflossen. Op die manier wordt een waaier gecreëerd waarin, tussen de 70 en 80 of 85 % wordt beschermd. Zo gaat het ook met de sociale bescherming. In België wordt 80 tot 85 % van de bevolking beschermd door ons sociaal systeem, vraag is of we dit kunnen behouden dan wel of we zullen terugvallen op 70 % of minder.
Sociale zekerheid is ontstaan, aldus Van De Putte, door samenwerking door en voor de kleine mens. De ideeën die eraan ten grondslag liggen zijn helemaal niet nieuw, de vraag is waarom ze in de tweede helft van de negentiende eeuw én na de Tweede Wereldoorlog plots wel een kans maakten.
Sociale zekerheid is een collectief goed dat slechts kan ontstaan door samenwerking en organisatie, wat mogelijk werd met de industrialisering in de 19de eeuw. De kleine mens moest echter ook macht veroveren, wat kon na de invoering van het meervoudig mannelijk stemrecht in 1893. Hij had de Staat nodig om de bescherming te institutionaliseren. Macht en sociale strijd speelden daarom een doorslaggevende rol. Vaak is er ook een ‘dramatic event’ nodig om een en ander echt uit te voeren.
Dit is, kort samengevat, wat van der Ven, nóg korter, de ‘complexe mechanismen’ noemt.
Van De Putte geeft ook duidelijk aan dat het nooit de bedoeling is van de overheid om ‘problemen op te lossen’, wel om politieke macht op te bouwen en te behouden. De verzorgingsstaat is geen kwestie van moraliteit maar van politieke macht. De welvaartsstaat is géén automatisch gevolg van het kapitalisme, maar van de machtsopbouw van de kleine man. De uitkomst van dit emancipatieproces is het ontstaan van de twee-eenheid democratie-welvaartsstaat (p.80).
Na de Tweede Wereldoorlog staat de welvaartsstaat in bloei. De machthebbers steunen op 70 % van de kiezers, er zijn voldoende materiële middelen en er blijft zelfs een marge over om ook wat aan het globale Zuiden te geven of aan professionele paddenoversteekbegeleiders.
De omslag komt in de jaren ’80. De ongelijkheid begint te groeien en de inkomlens uit vermogen en de vermogens zelf gaan stijgen. De politieke arm van de kleine mens verzwakt, linkse partijen worden centrum-links en de syndicalisatiegraad gaat achteruit. Het overlegmodel staat onder druk.
Mochten mensen met de laagste inkomens echt macht hebben, de welvaartsstaat zou niet bedreigd zijn.
De auteur bespreekt vervolgens, alweer na een overzicht van de definities, de ‘social closure’, hoe mensen worden uitgesloten van het systeem, hoe er nieuwe voorwaarden worden gecreëerd, hoe migratie een ‘probleem‘ wordt en hoe extreem-rechts het denken over de welvaartsstaat beïnvloedt. ‘De pijlen staan niet goed voor de lagere middenklasse’ (p.270).
Een voorrang van rechts
De democratie werkt als een waaier, aldus de auteur in zijn conclusie. Minstens 70 % van de kiezers zit daar mooi in, de democratie reduceert de armoede maar lost die niet op. De democratie produceert een brede middenklasse, maar er blijft een onderkant bestaan.
Kan de welvaartsstaat heruitgevonden worden? Is een nieuw sociaal contract mogelijk? Het zijn beslist niet de middelen die vandaag ontbreken.
We hebben echter gezien dat het in de negentiende eeuw de verovering van de Staat was door de kleine mens die een doorbraak forceerde naar een beter sociaal beleid. Vandaag staat het democratisch systeem echter zelf onder druk en wordt het kiessysteem zelfs aangevallen. De macht is meer en meer in handen van de elites.
Mathematisch gezien kan het nog steeds de goede kant opgaan, aldus de auteur, maar theorie is niet genoeg (p.225).
Stel dat lagerestratapartijen 40 % van de stemmen halen, dan kan er gestreefd worden naar een nieuw compromis tussen democratie en kapitalisme, maar dan nog is er voldoende economische groei nodig.
Het kán dus. Alleen, het zou ook kunnen verergeren…
Methodologie
Het leuke aan dit boek is de methodologische aanpak. Het boek gaat inderdaad over geschiedenis en toekomst van de welvaartsstaat, c.q. verzorgingsstaat, zonder dat de evolutie van de verschillende onderdelen worden behandeld. Wel wordt zeer klaar en duidelijk aangegeven dat we niet moeten kijken naar persoonlijke kenmerken van de protagonisten, maar wel naar de maatschappelijke mechanismen die telkens in het spel zijn. Koppel dit aan een vlotte schrijfstijl en de humor bij de praktische voorbeelden, en je komt tot een bijzonder goed leesbaar en interessant boek, wars van naïeve moraliteit en psychologiserend gesus. Wie iets wil doen voor de ‘onderkant’ moet denken aan macht, democratie en materiële middelen.
