Hoe lang wachten we nog op die armoedevermindering?

Op 11 september organiseert de Noord-Zuid koepel een ‘WachtMee’ activiteit in Gent. Het is de bedoeling om onze regering aan te zetten ‘krachtdadige’ maatregelen te nemen op de VN-top die van 22 tot 24 september wordt gehouden in New York. ‘MDG+10’ is een top die moet nagaan hoe ver het staat met de uitvoering van de millenniumdoelstellingen en wat er moet en kan verwezenlijkt worden vóór de einddatum van 2015.

Ter herinnering: de millenniumdoelstellingen (MDG’s) zijn 8 doelen, met 16 ‘targets’ en 60 indicatoren voor ontwikkelingssamenwerking. Ze zijn gericht op het halveren van de extreme armoede tussen 1990 en 2015, het zorgen voor basisonderwijs voor alle kinderen, voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen, voor het verminderen van de kinder- en moedersterfte, het bestrijden van HIV/aids en malaria en het zorgen voor een schoon leefmilieu. Als achtste en niet becijferde doelstelling komen daar de verplichtingen van de rijke landen bij: meer ontwikkelingssteun, kwijtschelding van de schuldenlast, toegang verlenen tot hun markten, beschikbaar stellen van geneesmiddelen en van nieuwe technologie.

Deze doelstellingen zijn goedgekeurd op de ‘millenniumtop’ van 2000 en waren van meet af aan controversieel.

Ten eerste omdat ze slechts een zwak afkooksel zijn van wat in de Millenniumverklaring zelf stond. Daarin gaat het over alle grote principes die de VN altijd verdedigd hebben, zoals soevereiniteit, zelfbeschikking, vrede, solidariteit, en zo meer. De tekst bevat ook doelstellingen in verband met mensenrechten, waarvan bij de MDG’s geen sprake is.

Ten tweede zijn de MDG’s ook een bijzonder smalle vertaling van de vele actieprogramma’s die op de VN-conferenties in de jaren ’90 werden aangenomen, van milieu tot bevolking, van vrouwen tot voedsel. Zeker in vergelijking met de sociale top van 1995 was de ontgoocheling groot. Want toen werd nog gesproken over werkgelegenheid, sociale integratie en sociale bescherming. Niets daarvan in de MDG’s.

Ten derde dient gesteld dat de MDG’s dus verre van ambitieus zijn. Ze zijn duidelijk een stap terug in vergelijking met eerder gemaakte afspraken en houden een beperkter engagement in van de rijke landen dan wat voordien was beloofd. Extreme armoede, aldus de secretaris-generaal van de VN in 2000, Kofi Annan, is armoede die doodt. Die armoede met de helft verminderen betekent dus dat de andere helft mag creperen. En wie durft beweren dat we in een rechtvaardiger wereld zullen leven als niet anderhalf miljard maar slechts zevenhonderdvijftig miljoen mensen met moeite kunnen overleven?

Tenslotte werd met deze MDG’s bevestigd wat al duidelijk was geworden met de armoedeprogramma’s van de Wereldbank en het IMF. Aan het neoliberale beleid dat beide instellingen opleggen aan arme landen, verandert er niets. Meer nog, hun armoedebestrijding is perfect compatibel met die programma’s en kunnen zelfs gezien worden als een poging om de bestaande sociale zekerheid te vervangen door armoedevermindering. Geen herverdeling dus van rijk naar arm, maar van niet-arm naar arm. Geen bestrijding van de ongelijkheid.

De kritiek werd weggewuifd. De millenniumdoelstellingen werden met groot enthousiasme door de regeringen van de rijke landen en door de ontwikkelingsngo’s ontvangen. Er werden grootse campagnes opgezet. De armoede zou de wereld uitgaan! In 2005, op de vergadering van de G8 in Gleneagles was de slogan ‘Make Poverty History’, en Bono stond er hand in hand met de Wereldbank en met de ngo’s.

Niet op het goede spoor.

Vandaag, tien jaar na de goedkeuring van de MDG’s en de invoering van de WB/IMF strategieën, en vijf jaar vóór de einddatum is het resultaat precies wat toen kon worden voorspeld: de meeste landen zijn ‘off track’ en de MDG’s zullen niet gehaald worden in 2015. Of misschien toch wel: wereldwijd kan de extreme armoede inderdaad met de helft dalen tegen 2015, maar dan enkel dank zij de inspanningen van China en Indië. Tussen haakjes: doordat het referentiejaar 1990 werd aangenomen, had China die MDG’s al gehaald toen ze werden aangenomen …

In Latijns Amerika is de extreme armoede in vergelijking met 1990 en 1981 licht gedaald (tot 8,2 % in 2005), maar in aantal mensen zo goed als ongewijzigd gebleven. In Zuid Azië is de extreme armoede gedaald van 51,1 % in 1990 tot 40,3 % in 2005, maar in aantal mensen is ze gestegen van 435 miljoen tot 455 miljoen. Voor zwart Afrika zijn de cijfers het slechtst: een procentuele daling van 54,8 naar 50,4 %, maar een stijging van 283,7 tot 384,2 miljoen mensen. Volledigheidshalve wil ik ook de cijfers voor China nog geven: 60,2 % extreme armoede in 1990, 15,9 % in 2005, hoewel die laatste cijfers zeer controversieel zijn.(1)

De enige landen die ernstige vooruitgang hebben geboekt, zijn niet toevallig precies die landen die niet aan de ‘Washington Consensus’ onderworpen waren, zoals China, Indië en Vietnam.

Bovendien heeft ook de Wereldbank moeten inzien dat een aantal van haar recepten door de realiteit werden tegengesproken. Ook in Brazilië is de armoede sterk en zelfs de ongelijkheid lichtjes gedaald, dank zij de basispensioenen en de kleine uitkeringen die arme gezinnen er krijgen. Dat is inkomen voor de gezinnen en net zoals de transfers die migranten naar huis sturen, is dit een directe bron voor meer consumptieve uitgaven en voor armoedevermindering. Van het oude ‘wondermiddel’ waarvoor micro-kredieten werden gezien, wordt vandaag meer en meer afgestapt. Ze hebben de belofte van de armoedevermindering niet kunnen waarmaken.

Armoedebestrijding is geen ontwikkeling

Het is dus begrijpelijk dat er vandaag wél kritiek op de MDG’s mag gegeven worden. Trouwens, het zijn de Verenigde Naties zelf die vanaf 2005 op een aantal grote tekortkomingen wezen. In het verslag dat voor de top van 2005 werd gemaakt schrijft de VN-secretaris-generaal dat de MDG’s geenszins een volledig ontwikkelingsprogramma vormen. ‘Ze gaan niet over de algemene punten die op de conferenties van de jaren ’90 werden besproken, de behoeften van landen met een middelgroot inkomen, de toenemende ongelijkheid, de menselijke ontwikkeling, goed bestuur …’.(2)

Terwijl de Wereldbank tot vandaag enkel pleit voor groei en nog meer groei, met daarnaast meer ontwikkelingshulp, zijn de Verenigde Naties sindsdien voortdurend blijven hameren op een nieuw ontwikkelingsmodel.

Het moet immers duidelijk zijn dat armoede geen probleem is van alleen maar arme mensen. Armoede is het gevolg van een ontwikkelingsmodel dat leidt tot een scheefgroei van de inkomensverdeling. En dus kan armoedevermindering, zoals dat ook is gebeurd in West-Europa, slechts het gevolg zijn van een succesvol proces van economische en sociale ontwikkeling.

Vandaag pleit de VN, net zoals UNCTAD (VN-conferentie voor Handel en Ontwikjkeling) en CEPAL (de VN-Economische Commissie voor Latijns Amerika) voor een contracyclisch, nationaal beleid, voor een macro-economische stabiliteit die gepaard gaat met groei en stabiliteit van de werkgelegenheid, voor handel die de armen echt ten goede kan komen, voor een bestrijding van de kapitaalvlucht en de volatiliteit van kapitaalstromen, voor een vermindering van de schuldenlast, voor een andere regulering van de intellectuele eigendomsrechten, enz.

Op sociaal gebied is de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) er reeds in geslaagd haar programma voor ‘decent werk’ te laten opnemen bij de MDG’s. Belangrijk is vooral dat de VN meer en meer pleit voor een universele sociale bescherming, weg van het doelgerichte beleid voor enkel de armen. Een universeel systeem, met toegang tot onderwijs en gezondheidszorg en met een basispensioen, kan de sociale cohesie bevorderen en belet dat de niet-armen zich afkeren van elke bijdrage. Er wordt nu gesproken van een ‘transformatief sociaal beleid’ dat ook de werkgelegenheid kan bevorderen.

Op die manier wordt volledig afgestapt van het neoliberale beleid van de afgelopen decennia. Want hoe vaak men ook zegt en herhaalt dat het neoliberalisme is afgelopen, Wereldbank en IMF houden daar weinig rekening mee en bijna overal wordt sociaal beleid gezien als een residueel beleid dat er slechts kan komen als de economie voldoende groeit. Economisch en sociaal beleid gaan echter hand en hand en kunnen elkaar versterken. Pas als dat besef weer doordingt, zal men echt van het einde van het neoliberalisme kunnen spreken.

Grote uitdagingen, kleine oplossingen

De VN pleiten vandaag opnieuw voor een ‘ontwikkelingsstaat’ die de economie kan aanporren en zorg draagt voor de bevolking. Niet de armoede moet in eerste instantie bestreden worden, maar de ongelijkheid moet worden tegengegaan om armoede te voorkomen. Daarnaast gaan ook meer en meer stemmen op om de fiscaliteit te hervormen, zowel nationaal als internationaal. De Financiële Transactie Taks – die alle financiële transacties en dus niet enkel wisselverrichtingen belast – staat in de Europese Unie op de agenda en wordt door de sociaal-democratie gesteund. Internationaal zal het wellicht nog even duren voor de VS en Canada over de streep getrokken worden.

Er is dus heel wat in beweging. En dat moet ook gelet op de enorme uitdagingen waar de wereld vandaag voorstaat. De klimaatverandering, de dreigende conflicten, de politieke machtsverhoudingen die niet langer overeenstemmen met de economische macht, de toenemende ongelijkheid in de wereld, de gevolgen van de financieel-economische crisis, de voedselcrisis … Het zijn grote uitdagingen die vergaande ingrepen en veranderingen vereisen. Wie dat beseft, ziet ook meteen dat armoedebestrijding en zeker de millenniumdoelstellingen geen prioriteit kunnen zijn, omdat ze daar hoegenaamd niet aan beantwoorden. Armoedebestrijding heeft ook weinig zin als permanent armoede wordt gecreëerd. Zolang de machtsverhoudingen in de wereld niet veranderen, kan er nog lang worden gewacht op armoedevermindering. Er kan trouwens gevreesd worden dat men in Afrika én in Washington of Brussel het geduld verliest.

P.S. Er zijn vandaag anderhalf miljard mensen die in extreme armoede leven, één miljard mensen die honger lijden en tien miljoen mensen met een gezamenlijk financieel belegbaar vermogen van 39.000 miljard Dollar.

 

(Uitpers nr. 123, 12de jg., september 2010)

Van Francine Mestrum verscheen deze maand ‘Ontwikkeling en Solidariteit’, Berchem, EPO, 2010.

Voetnoten:

(1) Al deze cijfers: Chen, S. and Ravallion, M., The Developing World is Poorer Than We Thought, But No Less Succesful in the Fight against Poverty, Policy Research Working paper 4703, The World Bank, August 2008.

(2) Kofi Annan, In larger freedom, United Nations, New York, 2005.

Visited 127 Times, 1 Visit today

Tags :
Francine Mestrum

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ voor een transformatieve en universele sociale bescherming. Francine schrijft geregeld voor Wall Street International Magazine, Other News, Alainet, Social Europe en Uitpers

zie ook