Hoe democratieën sterven

Het is enigszins voorbarig om te stellen dat militaire staatsgrepen niet meer van deze tijd zijn. Zeker niet in Z-O-Azie waar we op 1 februari de eenjarige verjaardag van de coup tegen Ang San Suu Kyi gedenken in Myanmar, Enkele jaren geleden, in 2014, werd de democratisch verkozen Thaise regering afgezet door generaal Prayuth Chan-ocha die, na het herschrijven van de grondwet en manipulatie van de kieswetgeving, nu nog steeds het mooie weer maakt. Maar, in het algemeen kan men stellen dat sinds het einde van de Koude Oorlog de meeste democratieën door eigen toedoen zijn afgegleden naar een autoritair of autocratisch regime.

 

Tijdens de Koude Oorlog waren staatsgrepen verantwoordelijk voor bijna drie op de vier democratische instortingen. Democratieën in Argentinië, Brazilië, Chili, de Dominicaanse Republiek, Ghana, Griekenland, Guatemala, Nigeria, Pakistan, Peru, Thailand, Turkije en Uruguay stierven allemaal op deze wijze. Net als Hugo Chávez in Venezuela hebben gekozen leiders democratische instellingen ondermijnd in o.a. Cambodja, Georgië, Hongarije, Nicaragua, Peru, de Filipijnen, Polen, Rusland, Sri Lanka, Turkije en Oekraïne.

 

Verkozen autocraten behouden een laagje democratie terwijl ze de inhoud ervan uithollen.

 

Veel overheidspogingen om de democratie te ondermijnen zijn “legaal”, in de zin dat ze worden goedgekeurd door de wetgevende macht of aanvaard door de rechtbanken. Ze kunnen zelfs worden afgeschilderd als pogingen om de democratie te verbeteren – de rechterlijke macht efficiënter te maken, corruptie te bestrijden of het verkiezingsproces op te schonen.

 

Kranten publiceren nog steeds, maar worden afgekocht of gepest tot zelfcensuur. Burgers blijven de overheid bekritiseren, maar worden vaak geconfronteerd met fiscale of andere juridische problemen. Dit zaait publieke verwarring. Mensen beseffen niet meteen wat er aan de hand is. Velen blijven geloven dat ze onder een democratie leven.

 

Democratische terugval begint vandaag bij de stembus. De electorale weg naar een instorting is gevaarlijk bedrieglijk. Maar op basis van een gedetailleerde en historisch goed onderbouwde analyse laten Harvard politicologen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt  zien hoe gekozen autocraten in verschillende delen van de wereld opmerkelijk vergelijkbare strategieën gebruiken om democratische instellingen te ondermijnen. Naarmate deze patronen zichtbaar worden, worden de stappen naar afbraak minder dubbelzinnig. Weten hoe burgers in andere democratieën zich met succes hebben verzet tegen gekozen autocraten, of waarom ze dit tragisch niet hebben gedaan, is essentieel voor degenen die de democratie vandaag de dag willen verdedigen, argumenteren ze.

 

Een essentiële test voor democratieën is of politieke leiders, en vooral politieke partijen, erin slagen om  populaire extremisten (ook in de eigen rangen) te isoleren. Want, zo stellen Levitsky en Ziblatt,  wanneer angst, opportunisme of misrekening gevestigde partijen ertoe brengt populisten in de mainstream te brengen, komt de democratie in gevaar.

 

Zodra een autoritair persoon die de macht ambieert, ook effectief aan de macht komt, worden democratieën geconfronteerd met een tweede kritische test: zal de autocratische leider democratische instellingen ondermijnen of erdoor worden beperkt? Instellingen alleen zijn niet voldoende om gekozen autocraten in toom te houden. Grondwetten moeten worden verdedigd – door politieke partijen en georganiseerde burgers, maar ook door democratische normen. Zonder robuuste normen dienen constitutionele ‘checks and balances’ niet als de bolwerken van de democratie zoals we ze ons voorstellen. Instituties worden politieke wapens, die krachtig worden gehanteerd door degenen die ze controleren, tegen degenen die dat niet doen. Dit is hoe gekozen autocraten de democratie ondermijnen – de rechtbanken en andere neutrale instanties inpakken en ‘bewapenen’, de media en de particuliere sector afkopen (of ze tot zwijgen brengen), en de regels van de politiek herschrijven om het speelveld tegen tegenstanders te kantelen. “De tragische paradox van de electorale weg naar autoritarisme is dat de moordenaars van de democratie de democratische instellingen gebruiken – geleidelijk, subtiel en zelfs legaal – om haar te doden” (p. 8).

Indicatoren van autoritair gedrag

Het huidige politieke klimaat in westerse democratieën, met name de Verenigde Staten, wordt gekenmerkt door toenemende ideologische polarisatie.  Wat veroorzaakt of initieert deze erosie van democratische instellingen? De vier belangrijkste indicatoren, of gedragswaarschuwingen, van autoritair gedrag, die Levitsky en Ziblatt schetsen, zijn (1) de verwerping, in woord of daad, van de democratische spelregels, (2) de ontkenning van de legitimiteit van politieke tegenstanders, (3) het tolereren of aanmoedigen van geweld, en (4) de bereidheid om de burgerlijke vrijheden van tegenstanders, inclusief de media, in te perken.

 

Deze vier belangrijkste indicatoren van autoritair gedrag worden kunnen als volgt samengevat (op pp 23-24)

 

1. Afwijzing van (of zwakke inzet voor) democratische spelregels

– Verwerpen ze de Grondwet of drukken ze een bereidheid uit om het te schenden?

– Suggereren ze de noodzaak van antidemocratische maatregelen, zoals het annuleren van verkiezingen, het schenden of schorsen van de Grondwet, het verbieden van bepaalde organisaties, of het beperken van fundamentele burgerrechten of politieke rechten?

– Proberen ze het gebruik van (of onderschrijven ze het gebruik van) buitenconstitutionele middelen tegen de regering, zoals militaire staatsgrepen, gewelddadige opstanden of massale protesten om een regeringswisseling af te dwingen?

– Proberen ze de legitimiteit van verkiezingen te ondermijnen, bijvoorbeeld door te weigeren om geloofwaardige verkiezingsresultaten te accepteren?

– Beschrijven ze hun rivalen als subversief, of tegen de bestaande constitutionele orde?

– Beweren ze dat hun rivalen een existentiële bedreiging zijn, hetzij voor de nationale veiligheid

of voor de heersende levenswijze?

 

2. Ontkenning van de legitimiteit van politieke tegenstanders

– Beschrijven ze hun rivalen als criminelen, wiens vermeende schending van de wet (of potentieel om dit te doen) hen diskwalificeert van volledige deelname aan het politieke proces?

– Suggereren ze dat hun rivalen buitenlandse agenten zijn, in die zin dat ze in het geheim samenwerken met (of in dienst zijn van) een buitenlandse mogendheid?

 

3. Tolereren of aanmoedigen van geweld

– Hebben ze banden met gewapende bendes, paramilitaire milities, guerrilla’s of andere organisaties die zich bezighouden met illegaal geweld?

– Hebben zij of hun partijdige bondgenoten aanvallen op tegenstanders aangemoedigd of gesponsord?

– Hebben zij geweld stilzwijgend goedgekeurd of geweigerd om het agressief gedrag van hun supporters te veroordelen of te  bestraffen?

– Hebben ze andere belangrijke daden van politiek geweld, in het verleden of elders in de wereld, geprezen (of geweigerd te veroordelen)

 

4. Bereidheid om de burgerlijke vrijheden van tegenstanders, inclusief de media, in te perken

– Hebben ze wetten of beleid ondersteund dat de burgerlijke vrijheden beperkt, zoals uitgebreide smaad- of lasterwetten, of wetten die protest en  kritiek op de overheid, of bepaalde maatschappelijke of politieke organisaties beperken?

– Hebben ze gedreigd met juridische of andere strafmaatregelen tegen critici in rivaliserende partijen, het maatschappelijk middenveld of de media?

– Hebben ze de genomen repressieve maatregelen door andere regeringen, in het verleden of elders in de wereld, geprezen?

 

De verkiezing van Donald Trump heeft tot veel discussie geleid over het lot van de Amerikaanse democratie. Suggereert de verkiezing van een figuur als Donald Trump – een onervaren buitenstaander met duidelijk autoritaire instincten – dat de democratie in de VS achteruitgaat? Inderdaad, volgens Levitsky en Ziblatt  moeten we op onze hoede zijn omdat Trump een voorbeeld is van elk van hogergenoemde  kenmerken (pp. 65-67).

Was 2016 een kantelmoment?

Tot 2016 was het Amerikaanse democratische systeem in staat om dergelijke autoritaire tendensen te weerstaan en openlijke demagogie op twee manieren uit te sluiten, zowel formeel als informeel. Tot de opkomst van Trump hebben de “poortwachters van de democratie” (p. 37), zoals de leiders en bazen van politieke partijen, extremisten van hun partijen effectief gemarginaliseerd, zowel aan de linker- als aan de rechterkant van het politieke spectrum. Maar Levitsky en Ziblatt betogen dat de  democratie niet alleen kan overleven via formele politieke kanalen. “Democraten hebben wel geschreven regels (grondwetten) en scheidsrechters (de rechtbanken). Maar deze werken het beste, en overleven het langst, in landen waar geschreven grondwetten hun eigen ongeschreven spelregels volgen”, m.a.w. “de zachte vangrails van de democratie ” zijn (p. 101).

 

Twee cruciale informele normen die de auteurs benadrukken en de robuustheid van de Amerikaanse democratie verklaren, zijn (1) wederzijdse tolerantie en (2) institutionele verdraagzaamheid.

 

De eerste norm verwijst naar de erkenning van de legitimiteit van iemands politieke tegenstanders om via het democratische proces om de macht te strijden, zolang ze maar binnen constitutionele regels spelen (p. 102). Wederzijdse tolerantie sluit het gebruik, of zelfs aanmoediging, van bedreigingen en geweld uit om politieke tegenstanders te beletten te strijden om het ambt.

 

De tweede norm hangt nauw samen met de rechtsstaat; institutionele verdraagzaamheid betekent dat gekozen functionarissen geen juridische stappen kunnen ondernemen die opzettelijk een groep individuen bevoorrechten ten koste van een andere. Bijvoorbeeld, het invoeren van poll-of alfabetiseringstests, zoals die in het hele Zuiden van de VS na de wederopbouw na de Burgeroorlog plaatsvonden, werd over het algemeen toegepast op de hele bevolking, zonder verwijzing naar ras. Zuidelijke staten hebben deze wetten echter aangenomen, wetende dat het beoogde effect zou zijn om Afro-Amerikanen, die overweldigend Democratisch stemden, het stemrecht te ontnemen, en zo de dominantie van de Republikeinen in het Zuiden te herstellen. Dit voorbeeld was een schending van institutionele verdraagzaamheid: hoewel het regel was door de wet, was het geen rechtstaat waardig.

 

De omkering van deze antidemocratische maatregelen via de Civil Rights Act van 1964 en de Voting Rights Act van 1965, had volgens Levitsky en Ziblatt een polariserend bijproduct, en veroorzaakte een partijdige herschikking tussen Republikeinen en Democraten langs ideologische lijnen. “Met het verdwijnen van conservatieve democraten en liberale republikeinen” na deze herschikking, “verdwenen de raakvlakken tussen de partijen geleidelijk” (p. 169). Wat deze politieke polarisatie verder heeft aangewakkerd, waardoor de democratische normen werden uitgehold, was de opkomst van een systeem van presidentiële voorverkiezingen. “Vanaf 1972 zou de overgrote meerderheid van de afgevaardigden van zowel de Democratische als de Republikeinse conventies worden gekozen in voorverkiezingen en caucussen op staatsniveau” (p. 50). Deze verschuiving in het politieke selectieproces betekende dat de “weg naar nominatie niet langer langs het partij-establishment hoefde te gaan. Voor de eerste keer konden de poortwachters van de partij worden omzeild” (p. 51). Door presidentiële nominaties steeds meer in handen van kiezers te plaatsen, werd het reeds bestaande peer-reviewproces van kandidaten uitgehold en werd de deur geopend voor politieke buitenstaanders. Deze formele veranderingen, in combinatie met de opkomst van sociale media (p. 56), zouden volgens Levitsky en Ziblatt een politieke dynamiek ontketenen, waarbij elke partij zich in toenemende mate zou richten op haar ideologische basis, van waaruit een populistische kandidaat als Donald Trump kon opduiken, niet afhankelijk van het politieke establishment en met volledige minachting voor democratische normen. Zelfs als het presidentschap van Trump de ‘harde vangrails’ of de formele instellingen van onze constitutionele republiek niet doorbreekt, door de informele democratische normen van wederzijdse tolerantie en institutionele verdraagzaamheid uit te hollen, “heeft hij de kans vergroot dat een toekomstige president dat zal doen” (p. 203). Rosolino Candela van Brown universiteit komt tot gelijkluidende conclusies.

Politieke lessen?

Welke politieke lessen kunnen we trekken uit How Democracies Die, gezien de institutionele erosie van democratische normen? Hoe kunnen we, gezien onze gepolariseerde politieke omgeving, de democratie van zichzelf redden? “Waar institutionele kanalen bestaan”, stellen Levitsky en Ziblatt, “moeten oppositiegroepen ze gebruiken” (p. 217). Het gebruik van buitenwettelijke middelen en andere politieke maatregelen om zich tegen een potentiële demagoog te verzetten, zal namelijk alleen maar een reeks gevolgen hebben die onwenselijk zijn voor voorstanders van de democratie, namelijk het vergroten van de politieke polarisatie en het legitimeren van de uitholling van de rechtsstaat door de democratie verder te ontmantelen van de resterende beschermende vangrails. Daarom zou verzet tegen autoritaire tendensen in de democratie “moeten proberen de democratische regels en normen te behouden, in plaats van te schenden” (p. 217).

 

Dit alles impliceert dat de vermindering van politieke polarisatie vereist dat politieke partijen ontsnappen aan de klauwen van belangengroepen, zoals de auteurs betogen (p. 223). De eliminatie van politieke polarisatie vereist echter fundamenteel de eliminatie van politieke discretie, de basis waarop belangengroepen niet alleen lobbyen voor speciale privileges, maar ook de basis waarop autoritarisme is gebouwd. Zoals Levitsky en Ziblatt betogen, beginnen de meeste “gekozen autocraten met het aanbieden van vooraanstaande politieke, zaken- of mediafiguren in openbare posities, gunsten, extraatjes of regelrechte steekpenningen in ruil voor hun steun of, op zijn minst, hun stille neutraliteit” (pp. 81– 82). Daarom kan de weg naar autoritarisme alleen worden voorkomen als politieke partijen worden belet wetten te schrijven en privileges te bieden die bedoeld zijn om de ene belangengroep ten koste van de andere te bevoordelen.

Hoe  democratie herstellen?

De Republikeinse Partij heeft zich ondertussen steeds meer op Trump afgestemd en lijkt zich te verenigen rond een strategie van actieve samenwerking met hem in zijn pogingen om de vangrails van de Amerikaanse democratie te verwijderen. Hoe kan, gezien deze stand van zaken, de Amerikaanse democratie worden hersteld?

 

Volgens Levitsky en Ziblatt kan de democratie alleen worden gered door het smeden van brede, prodemocratische coalities die raciale, gender-, etnische, religieuze en sociaaleconomische grenzen overschrijden. Door hun aard en samenstelling kunnen ze een breder deel van het land aanspreken en de partijdige kloof overstijgen die de huidige politiek verteert. Deze gedeeltelijke opheffing van partijdige spanningen kan leiden tot depolarisatie, wat op zijn beurt de democratische normen van wederzijdse tolerantie en institutionele verdraagzaamheid versterkt.

 

Het ontbreken van een diverse coalitie die haar handhaaft, kan in grote mate verklaren waarom de Republikeinse Partij in zo’n disfunctionele staat verkeert. Het is overwegend een partij van blanke christenen, in een samenleving die naar verhouding steeds minder leden van deze demografie telt. Zolang zij deze basissamenstelling handhaaft, zal de Republikeinse Partij simpelweg niet in staat zijn om als prodemocratische kracht op te treden in een steeds diverser wordende samenleving.

 

Dienovereenkomstig zou de GOP haar aantrekkingskracht moeten uitbreiden naar een meer diverse dwarsdoorsnede van het electoraat. Alleen wanneer het een ‘grote tent’-partij wordt die zich uitstrekt over religieuze en etnische lijnen, kan de Republikeinse Partij haar functie als centrumrechts en conservatief ijkpunt van de Amerikaanse democratie hervatten.

 

De sleutel is om de Amerikaanse politiek te verplaatsen naar een plaats waar het zowel sterke democratische normen belichaamt als een effectieve politieke vertegenwoordiging garandeert voor alle leden van een diverse samenleving. Alleen dan staat de democratie echt op vaste grond.

 

Het boek How Democracies Die biedt belangrijke inzichten over hoe autoritairen opkomen en geeft zowel waarschuwingssignalen voor de VS als een mogelijks hoopvolle weg voorwaarts.  Het boek staat vol met indrukwekkend historisch onderzoek en analyse. “Het is diepgaand in zijn inzichten en zijn conclusies zijn schokkend. Iedereen die niet onder de indruk en onaangetast blijft, verdient wat hij of zij krijgt”, concludeert Roger Abrams in The New York Journal of Books.

How democracies die Boek omslag How democracies die
Steven Levitsky & Daniel Ziblatt
B/D/W/Y Broadway Books, New York
2018
308
ISBN 978-1-5247-6294-0
Deel dit artikel
Jan Servaes

Jan Servaes (PhD) was UNESCO-leerstoelhouder voor 'Communicatie voor duurzame sociale verandering' aan de Universiteit van Massachusetts, VSA. Hij heeft internationale communicatie en communicatie voor sociale verandering gedoceerd in Australië, België, China, Hong Kong, de Verenigde Staten, Nederland en Thailand, naast verschillende opdrachten aan ongeveer 120 universiteiten in 55 landen. Hij staat bekend om zijn ‘multipliciteitsparadigma’ in ‘Communication for Development. One World, Multiple Cultures ” (1999).
Servaes was hoofdredacteur van het Elsevier-tijdschrift "Telematics and Informatics: An Interdisciplinary Journal on the Social Impacts of New Technologies." Hij is de hoofdredacteur van het 'Handbook of Communication for Development and Social Change' (2020) en co-editor van de Palgrave Handbook of Sustainable Development and International Communication (2021)

Andere boeken