Het VS-imperium lacht met de rest van de wereld

In de beginperiode na het einde van de Koude Oorlog kon de Amerikaanse buitenlandse politiek omschreven worden als een voorzichtige balans tussen ‘multilateralisme’ en ‘unilateralisme’. Aan de ene kant was er de wil om de Amerikaanse macht ‘ten dienste’ te stellen van de ‘internationale gemeenschap’. Aan de andere kant zorgden de Amerikaanse politieke leiders er voor dat er niet geraakt werd aan de Amerikaanse militaire superioriteit. Maar de laatste jaren lappen de VS duidelijk die ‘internationale gemeenschap’ aan hun laars.


Het multilaterlisme van de VS moet natuurlijk met een korrel zout worden genomen. Als er ergens in de wereld een ernstige crisis uitbrak en er volgens de Amerikaanse leiders moest opgetreden worden, deed Washington weliswaar nog een beroep op de Verenigde Naties, zoals het VN-Handvest dat bepaalt, maar dan niet zonder gebruik van (subtiele) drukkingsmiddelen om eventuele onwillige partners in de Veiligheidsraad op andere gedachten te brengen (cfr. Golfoorlog en Somalië).


WTO


Naarmate duidelijk werd dat de VS zowel economisch als militair de enige superieure macht waren, begon de Amerikaanse buitenlandse politiek meer en meer over te hellen in de richting van een louter unilaterale aanpak. Dat werd al vlug duidelijke tijdens de opeenvolgende onderhandelingsrondes over de vrijhandel en de Amerikaanse klachtenreeks voor de geschillencommissie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De discussie binnen de WTO was van meetaf aan een onderonsje tussen de grote economische blokken met een handelspolitiek, die zeer nauw aansluit bij het Amerikaanse neoliberalisme. Zo zijn de opeenvolgende akkoorden volledig op het lijf geschreven van Westerse, en niet in het minst, Amerikaanse multinationals. Nochtans was er reeds in de jaren zestig een orgaan actief op vlak van handel: de UNCTAD (UN Conference on Trade and Development). Alleen, binnen de UNCTAD was het veel moeilijker om de Amerikaanse politiek door te drukken. UNCTAD is lid van de VN-familie, waar ontwikkelingslanden, het iets gemakkelijker hebben om hun stem te laten horen, of zelfs de Amerikaanse politiek enigszins kunnen dwarsbomen. Bovendien is het centrale thema van UNCTAD, handel én ontwikkeling. De UNCTAD is inmiddels aan de kant geschoven terwijl de WTO in mum van tijd de machtigste economische organisatie in de wereld is geworden. De WTO werd buiten de VN-familie gehouden, met als gevolg dat derdewereldlanden niet aan de bak komen. Het is trouwens opvallend dat instellingen met de grootste reële macht, stuk voor stuk weinig of niets met de VN te maken hebben. Zo zijn de Bretton Woods-instellingen, IMF en Wereldbank – destijds nog in het VN-organigram terug te vinden – nagenoeg volledig uit de VN-familie weggeweekt. Inmiddels eist de G-8, ooit opgericht als een informeel onderonsje van de rijkste landen, bij elke bijeenkomst alle aandacht op. Tijdens de laatste Balkanoorlog was het trouwens de G-8 en niet de VN, die naast de NAVO, de touwtjes in handen nam.


 


Solo-slim


De liefde van de VS voor de VN is nooit groot geweest. Al jaren is Washington miljarden dollar verschuldigd aan de VN, maar keer op keer verbindt het voorwaarden aan de uitbetaling van de uitstaande schuld. De invloedrijke Republikein, Jesse Helms liet onlangs zelfs verstaan dat de VS wel eens het lidmaatschap van de VN zouden kunnen opzeggen. Minister van Buitenlandse Zaken, Albright, mag dan wel prompt afstand genomen hebben van Helms dreigement, de facto staat Washington al met een been buiten. Dat proces versnelde in de zomer van 1998, toen president Clinton kruisraketten liet afvuren op ‘terroristische’ doelwitten in Afghanistan en Soedan, zonder toestemming van de VN-veiligheidsraad. Enkele maanden later aarzelt Clinton niet om te starten met een aanhoudende bommencampagne tegen Irak, die tot vandaag voortduurt. De Amerikaanse president werd alsmaar explicieter: voortaan zouden de VS telkens militair optreden als de omstandigheden dat vereisten. In zijn ‘State of the Union’ van 19 januari 1999, nam president Clinton alle twijfels over de nieuwe koers van de VS weg: “Terwijl we zullen werken aan de vrede, moeten wij eveneens rekening houden met de uitdagingen voor de veiligheid van de natie, namelijk de stijgende dreiging die uitgaat van terroristische groepen en de naties buiten de wet. We zullen onze veiligheid verdedigen, elke keer ze bedreigd is, zoals we de terreurnetwerken van Oussama ben Laden hebben geraakt.”

Het zijn vooral ‘nieuwe’ denkrichtingen – zoals de ‘Clash of civilisations’-theorie van Samuel Huntington – die wijzen op de noodzaak van een sterke en vastberaden staat in een geglobaliseerde wereld. De gezaghebbende Amerikaanse senator Lugar wond er tijdens de oorlog tegen Joegoslavië geen doekjes om. Toen de verslechterende relaties met China en Rusland ter sprake kwamen, zei hij: “We doen ons best om daar verandering in te brengen. Maar niet in die mate dat we daarbij onze eigen belangen uit het oog zullen verliezen. En die slaan op de uitbreiding van de wereldhandel, van de vrije markt, democratie en mensenrechten. We zullen die niet opzij zetten omdat de Russen of de Chinezen daar om een of andere reden niet gelukkig om zijn.”


 


Power politics


De VS lijken voortaan op geen enkele manier nog rekening te willen houden met het internationaal recht. Ook lijkt Washington helemaal niet van plan om ???goed nabuurschap??? met de andere landen in de wereld na te streven. De buitenland-politiek van de VS draait om louter power politics. De politieke vertegenwoordigers van dit nieuwe credo verhelen zelfs niet dat de voornaamste drijfveer de belangen van de VS in de wereld zijn.

Toen de Amerikaanse senaat, door het verzet van de republikeinen, midden oktober 1999 weigerde het CTBT-verdrag (Comprehensive Test Ban Treaty, het verdrag voor een verbod op kernproeven) te ratificeren, sprak de pers van een nieuw ???isolationisme???. Niets is minder waar. De Republikeinse meerderheid is in principe niet gekant tegen Amerikaanse bemoeinissen elders in de wereld. Het Amerikaanse leger is immers terug te vinden in de vier uithoeken van de wereld en als er stratfexpedities tegen ???schurkenstaten??? moeten worden uitgevoerd, dan staan de republikeinen in de voorste linies. Het stemgedrag van de Amerikaanse senaat bevestigt eerder de wil om volgens eigen goeddunken te handelen en de botte weigering om met de rest van de wereld rekening te houden. De VN zijn daarbij schietschijf nummer één. De VS voeren net een zeer actieve buitenlandpolitiek, maar dan wel binnen die organen (WTO, Wereldbank, IMF, OESO, NAVO,???) die Washington (en bij uitbreiding het Westen) het best controleert.

Tijdens de oorlog tegen Joegoslavië bleek overduidelijk de minachting van de VS tegenover de VN. Het Handvest van de VN bepaalt dat een staat enkel geweld mag gebruiken uit zelfverdediging “totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen” (art. 51). Bovendien “worden er geen dwangsancties ingevolge regionale akkoorden of door internationale instellingen ondernomen zonder machtiging van de Veiligheidsraad (???)” (art. 53). Desalniettemin nam de NAVO, onder leiding van de VS het heft in eigen handen. De VN kregen slechts een figurantenrol toebedeeld, het protest van verschillende leden van de Veiligheidsraad ten spijt. Nadien kregen de VN ironisch genoeg te horen dat het niet in staat was om op te treden in crisissen en een ramp te voorkomen.


Tijdens de bombardementen legde de NAVO trouwens het inteventieprincipe vast in een Nieuw Strategisch Concept. De Europese landen gedroegen zich als makke lammetjes en aanvaardden dat de NAVO voortaan kon optreden "volgens de principes en doelen van de VN" en niet zoals Frankrijk dat wilde "onder het gezag van de VN".

Ook op andere manieren worden de VN gedwarsboomd. Zo vroeg het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) na de oorlog 400 miljoen dollar, nodig voor de reconstructie van woningen in Kosovo. Maar onder meer door de onwil van de VS en de andere rijke geallieerden moest de UNHCR het stellen met 140 miljoen dollar. Tijdens de bombardementen kregen we hetzelfde scenario te zien. Toen vroeg de vluchtelingenorganisatie 140 miljoen dollar, nodig voor een degelijke opvang van de vluchtelingen uit Kosovo. Al gauw moest een noodoproep worden gelanceerd omdat nog maar 70 miljoen dollar was doorgestort.

Op 21 juli 1999 rapporteert de New York Times dat er nog maar 150 politie-agenten van de voorziene internationale politiemacht van 3.110 leden operationeel waren in Kosovo. Het probleem is dat voor zo???n macht moet gerecruteerd worden bij een hele reeks regeringen over heel de wereld. Een telkens weerkerende moeilijke opdracht, juist omdat de VS zich totnogtoe verzetten tegen de oprichting van een permanente VN-politiemacht. Ondertussen kan de VN verweten worden log en inefficiënt op te treden.

 


Enkel nog de wetten van het imperium


De huidige Amerikaanse politiek is te vergelijken met het gedrag van de opeenvolgende imperiale staten in de loop van de geschiedenis. Eén van de constanten was het proberen opleggen van imperialistische wetten als globale regels. Dat was zo onder de Grieken en de Romeinen, evenals in de 18e eeuw toen in Groot-Brittannië de ???zon nooit onder ging???. Sinds de koude oorlog zijn de VS op politiek, economisch en militair vlak zo almachtig geworden dat ze nu eveneens in staat zijn om hun normen aan de internationale gemeenschap te dicteren. De VS legitimeren dit imperialistisch gedrag vanuit hun zogezegde ???morele superioriteit??? en het concept van de ???voortdurende dreiging???, waarvoor zelfs de internationale wetgeving opzij gezet wordt.

Dat verklaart waarom de VS weigeren in te stemmen met de oprichting van een Internationale strafrechtbank. Nochtans liet de VS-ambassadeur verantwoordelijk voor oorlogsmisdaden, David Scheffer, begin 1998 nog verstaan dat de VS de creatie van een dergelijke instelling officieel steunen. Maar toen in Rome 102 landen zich vervolgens achter de oprichting van het nieuwe Hof schaarden, stemden de VS samen met een bont gezelschap van zes andere staten (Israël, Irak, Libië, China, Qatar en Soedan) tegen. Op 31 augustus liet Scheffer verstaan dat het "tribinaal een risico betekende voor zij die de verantwoordelijkheid op de schouders hebben genomen voor het behoud van de vrede en de internationale veiligheid". Anders gezegd, als er een tribunaal moet komen, mag de VS niet onder de jurisdictie ervan vallen. Daarmee was Washington niet aan zijn proefstuk toe. De VS hadden immers een gelijkaardige houding laten blijken nadat ze een veroordeling hadden opgelopen voor een andere rechtbank, het Internationaal gerechtshof in Den Haag, wegens de militaire blokkade van Nicaragua. Meteen na de veroordeling lieten de VS weten de jurisdictie van dit hof i.z. Centraal-Amerika niet langer meer te erkennen.

De jongste jaren heeft Washington verschillende keren laten blijken niet langer meer met het internationaal recht rekening te willen houden. Kort na de weigering in Rome lagen de VS opnieuw dwars toen er een voorstel kwam ter verbetering van de rechten van het kind in oorlogstijd. Het struikelblok was een protocol met een verbod op recrutering van jongeren onder achtien jaar, dat nagenoeg door alle landen werd gesteund. Het Pentagon wil evenwel verder zeventienjarigen blijven aanwerven voor het Amerikaanse leger en weigerde te ondertekenen. Trouwens, de VS (samen met Somalië) hebben totnogtoe het Verdrag voor de Rechten van het Kind (1989) zelf nog niet geratificeerd.

En zo zijn er nogal wat verdragen of internationale teksten die de VS weigeren te ondertekenen of te ratificeren: het Internationaal Verdrag voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (VN, 1966), het Verdrag i.z. de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (VN, 1979), het Verdrag voor de Mensenrechten (OAS, 1969), de aanvullenden protocollen van de Verdragen van Génève van 1949 (1979) die voorzien in een betere bescherming van de burgerbevolking in oorlogstijd. Ook het Verdrag dat het Zeerecht regelt (1982) weigeren de VS nog altijd te ondertekenen, hoewel ze heel wat uit de brand hebben gesleept voor hun militaire vloot.

De vermeende ‘morele superioriteit’ is tegelijk niet vrij van morele selectiviteit. In het dossier van de landmijnen weigeren de VS vooralsnog het Verdrag van Ottawa te ondertekenen, dat uiteindelijk moet leiden tot een definitief verbod op het gebruik van dit moordend tuig. De VS hadden hun publieke argumenten klaar (de ‘noodzaak’ van landmijnen tussen Noord- en Zuid-Korea), maar in werkelijkheid waren het de Amerikaanse landmijnenproducenten die aan de basis van de weigering van ondertekening lagen.

De moraliteit van de VS is vooral door eigen belang ingegeven. Op tien jaar tijd is de ontwikkelingshulp vanuit de VS met de helft verminderd. Vandaag bedraagt die nog een schamele 0,08 procent van het BNP. Het geld dat van ontwikkelingssamenwerking werd weggedraineerd was nodig om de nieuwe militaire opbouw te financieren, om de economische en geostrategische belangen van de VS in de wereld te verdedigen.


 


MIC


In een toespraak tot het Noord-Amerikaanse volk in 1961, sprak president Eisenhower voor het eerst van een Militair-Industrieel Complex (MIC). Dikwijls wordt het MIC gezien als een soort lobby die de staat tracht te beïnvloeden ten voordele van de wapenindustrie. Hoewel dat een belangrijk aspect is, vooral in de Verenigde Staten, is dat slechts een deel van het verhaal. Punt is dat in het MIC de staat zelf de kern vormt en er de centrale rol in speelt, naast wapenindustrie en leger. In praktijk is er een grote interferentie tussen de drie componenten. In de VS lopen de belangen van de militaire politiek samen met de belangen van de defensie-industrie. Bovendien is het hier dat de eerste zware gevolgen van het unilaterlisme duidelijk worden.

Sinds 1999 is voorzien dat het Amerikaanse defensiebudget met 112 miljard dollar zou stijgen de komende vijf jaar, om in het jaar 2005 uiteindelijk 331 miljard dollar te bedragen (tegenover 274 miljard dollar in 2000). Een deel van de budgetverhoging is nodig om te investeren in de uitrusting van het leger met interventiemateriaal. Zo wil het Pentagon 47 nieuwe oorlogsschepen aankopen en tientallen C-17-vrachtvliegtuigen. Er is dus een grote vraag vanwege de politiek aan de militaire industrie. Die zat in de problemen vanwege de slinkende vraag na de koude oorlog. De nieuwe vraag zou de sector er terug bovenop helpen, maar niet nadat eerst grondige herschikkingen werden doorgevoerd. Na een reeks fusies kwamen er drie grote ondernemingen uit de bus, samen goed voor een omzet van meer dan 80 miljard dollar.


Traditioneel heeft de Amerikaanse wapenindustrie een enorme invloed op de Amerikaanse politiek. De wapenindustrie is ook de meest royale geldschieter van verkiezingscampagnes. Volgens het Amerikaanse studiebureau, Campaign Study group, hebben de wapenhandelaars 32,3 miljoen dollar gespendeerd, netjes verdeeld over de democratische en republikeinse kandidaten. Ter vergelijking, voor de tabaksindustrie waren de verkiezingen goed voor ‘slechts’ 26,9 miljoen dollar.


Nadat de wapenindustrie de belangrijke NAVO-top van april 1999 zwaar had gesponsord, kwam uiteraard de return: vliegtuig- en rakettenbouwer Lockheed-Martin kon nog tijdens de top trots aankondigen dat het een bestelling ter waarde van 10 miljard fr. in de wacht had gesleept.

De belangen van het Amerikaanse MIC dreigen nu ook het ABM-verdrag op de helling te zetten. Het ABM-verdrag (Anti Ballistic Missiles) stamt uit 1972 en handelt over de beperking van het opzetten van afweersystemen tegen (kern-)raketten. Zo???n verdrag was nodig omdat zo???n systemen het nucleaire evenwicht dreigen te verstoren.


In 1997 suggereren de Amerikaanse generaals in hun ???National Military Strategy??? dat het ABM-verdrag de Amerikaanse belangen in de weg staat: "Het wordt alsmaar belangrijker om de toegang alsook het gebruik van de ruimte te verzekeren als onderdeel van gezamenlijke operaties en om VS-belangen te verdedigen. De controle van de ruimte is van vitaal belang voor de garantie van de actievrijheid in de ruimte en, indien erop gericht, een hinderpaal voor een dergelijke actievrijheid bij de vijand". In Oktober 1998 maakt president Clinton via zijn laatste ???National Security Strategy for a new Century??? bekend dat het "onze politiek is om de ontwikkeling van een volledig ruimteschild te promoten zodat onze vitale belangen gevrijwaard blijven". Duidelijker kon niet. Voor het Amerikaanse Congres verbindt de president zich ertoe om 6,6 miljard dollar vrij te maken de komende vijf jaar. De Russen werd gevraagd om in te stemmen met een ???aanpassing??? van het ABM-verdrag. Desgevallend, zo verklaarde defensieminister Cohen al meteen, zouden de VS eenzijdig het verdrag opzeggen.


Zowel Rusland als de Europese bondgenoten hebben hun ongerustheid geuit tegenover de Amerikaanse plannen, maar dat heeft niet verhinderd dat er ondertussen al een gelukte (3 oktober) en een mislukte (18 januari) test is uitgevoerd, waarmee duidelijk werd gemaakt dat men al een heel eind op weg is met de ontwikkeling van het ruimteschild, verdrag of geen verdrag. De uitbouw van het ruimteschild moet samen gezien worden met de weigering het Teststopverdrag te ratificeren en de weigering om in het Non-proliferatieverdrag een werkelijke agenda in te bouwen die moet leiden de elimlinatie van de kernwapens in de wereld.


 

Visited 2 Times, 1 Visit today

Tags :
Over Ludo De Brabander

Ik ben redactielid en medeoprichter van Uitpers. Je kan me ook vinden als woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van mijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Ik ben co-auteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).