Het TKO-verhaal, mooi met zoetzure nasmaak

Alice Roothooft was 38 en werkte als poetsvrouw voor het OCMW in Schoten toen ze een affiche zag van het Tweedekansonderwijs (TKO). Ze besliste om weer naar school te gaan. Een stap die haar hele leven veranderde. Het was de start van een succesvolle loopbaan die haar uiteindelijk tot in het justitiepaleis van Antwerpen bracht.  Ze ging onlangs met pensioen als – jawel – assessor bij de strafuitvoeringsrechtbank en bij die gelegenheid ontving ze de titel van eremagistraat. An American dream came through …dankzij TKO voor Alice. Waar komt die letterafkorting vandaan?

40 jaar TKO

1975, De eerste ‘moedermavo’ startte in Middenmeer in Noord-Holland, maar vijf jaar later waren er al 80 in Nederland. Daar gingen ook een aantal Antwerpse dames hun mosterd halen en in 1980 en begon de Antwerpse volkshogeschool Elcker-Ik met een eigen tweedekansonderwijs. Dat was dus in de nadagen van mei ’68: tegendraads, eigenzinnig en van onderuit. Het initiatief was een vreemde eend in de bijt, maar toch begon ook de overheid stilaan met andere ogen te kijken naar de sector van de volwasseneneducatie die nog op zeer traditionele leest geschoeid was. De ideeën van permanente vorming, wederkerend keren en modulaire onderwijssystemen hingen toen al in de lucht. Ze werden voor het eerst gelanceerd op de tweede UNESCO-conferentie over de volwasseneneducatie in het Montreal van 1960 waar geproclameerd werd: ‘ Overal ter wereld dienen de verschillende vormen van buitenschoolse en volwassenenvorming beschouwd te worden als een integraal deel van het educatieve bestel, opdat mannen en vrouwen gedurende heel hun leven de mogelijkheden hebben voor hun vorming en ontwikkeling”. (1)

Onder impuls van Europa werd binnen het ministerie van Onderwijs een netoverschrijdende werkgroep voor Sociale Promotie opgericht die nieuwe impulsen moest geven aan de ideeën van permanente vorming en aan de instituten van het Onderwijs voor Sociale Promotie (OSP) die op dat moment beperkt en uitsluitend avond- en weekendonderwijs organiseerden. Ik maakte als lid van wat toen nog het rijksonderwijs heette deel uit van die werkgroep. Vandaar dat dit verhaal van 40 jaar TKO voor mij ook een beetje een persoonlijk verhaal is. Ik werkte  in die periode voor de overheid: van bovenuit dus, maar als lid van AKO (Aktiegroep Kritisch Onderwijs) met inhouden van onderuit. Ik voelde mij toen een echte go-between figuur tussen onder en boven.

Leuven werd de pionier en smaakmaker van het tweedekansonderwijs in Vlaanderen. Daar werd in 1980 een driejarig BTK-experiment (Bijzonder Tijdelijk Kader) opgestart, erkend en (spaarzaam) ondersteund door de overheid en de stad Leuven. Er werd gewerkt met twee richtingen: de diplomarichting bereidde kandidaten voor op de Centrale Examencommissie van de staat, en in de richting ‘algemene vorming’ werkten deelnemers vanuit hun eigen interesse en op hun eigen tempo. Vooral die algemene vorming paste in de Elcker-Ik-visie van politiserend en emancipatorisch vormingswerk à la Paolo Freire, Ivan Illich en andere emancipatorisch gerichte pedagogen. Was dat nu vorming of onderwijs? Beide, vond het jonge TKO, en ik gaf ze gelijk. Die opstelling leidde echter tot spanningen tussen de overheid die TKO wilde insluizen als een no-nonsense diplomagerichte opleiding binnen het OSP en de initiatieven van Elcker-Ik in Antwerpen, Mechelen en Turnhout en Leuven (samen met de stad) en in het OSP van het rijksonderwijs Mol, Brugge en Hasselt die zich intussen verenigd hadden in een federatie die in het TKO een grote kans zagen voor vernieuwende onderwijsideeën.

Wat zeer kleinschalig en zeer fragiel begon – vrijwel zonder financiële en ondersteuning, maar met heel veel drive en energie – is nu veertig jaar later still alive and kicking – en bestaat uit 32 centra voor volwassenenonderwijs (CVO), verspreid over Nederlandstalig België, waar vorig schooljaar zo maar eventjes 11.000 cursisten van allerlei leeftijden een diplomagericht  traject volgden. De cijfermatige groei is alvast indrukwekkend.

Indruk wekkend

Wie daarover meer wil weten kan nu terecht in twee publicaties die naar aanleiding van dat lustrum werden uitgegeven. In ‘Samen school maken’ wordt de focus (met heel veel foto’s ) gelegd op ‘ hoe het was’ en’ hoe het groeide’, maar dan alleen op het Leuvense  project dat in 1980 van start ging. (1) In 1981 kwamen dan, zoals hoger vermeld, de zeven initiatieven die in verschillende onderwijsnetten moesten opereren bij elkaar in een federatie die als drukkingsgroep opereerde om de eigen doelstellingen, die zowel onderwijs- als vormingsgericht waren, een eigen kader te bezorgen. Die opstelling leidde tot spanningen tussen de overheid die TKO wilde insluizen als een no-nonsense diplomagerichte opleiding binnen het OSP  en de jonge, van onderuit ‘gefedereerde’ initiatieven, die in het TKO een grote kans zagen voor vernieuwende onderwijsideeën.

Als vertegenwoordiger van de netoverschrijdende werkgroep nam ik toen deel aan heel veel vergaderingen van de TKO-federatie, maar ook van de verschillende lokale initiatieven. Hun emancipatorisch gerichte benadering sloot volledig aan bij mijn inzichten en daarover schreef ik toen voor een werkgroep binnen het ministerie van onderwijs een uitvoerig onderwijs- en vormingsconcept voor TKO als een volwasseneneducatieproces waarin zowel compensatorische als emancipatorische vormingsdoelen werden benadrukt. Ik had zeer hard gezwoegd op die nota die echter door de lezers ervan, de onderwijsadministratie, maar ook door de vertegenwoordigers van de verschillende netten, niet op applaus werd onthaald. Dat had ik ook niet verwacht. Op een plenaire vergadering drukte de leden van de hoge administratie op een diplomatische manier hun appreciatie uit voor mijn werk, maar ze distantieerde zich ervan omdat het een ‘irrealistisch’ verhaal was binnen de vigerende onderwijscontext. (3)

Ook de inzichten en voorstellen van de federatie tweedekansonderwijs werden toen wel vaker als ‘irrealistisch’ bestempeld, maar ze bestaat nu toch al veertig jaar en mag zonder meer een mooi rapport voorleggen van een niet altijd zo gemakkelijk parcours. ‘Indrukwekkend, onderwijs dat werkt’ is het resultaat. Het is een rijkelijk gestoffeerde brochure geworden waarin het wel en wee van bijna twee generaties TKO in beeld wordt gebracht. (4) Zowel de pioniers-initiatiefnemers als de cursisten komen uitvoerig aan het woord. Hun verhaal wordt ook doorgelicht door academische onderzoekers die het veranderend profiel van de deelnemers via een biografisch onderzoek naar de vorming van, met en door volwassenen in het Vlaamse tweedekansonderwijs weergeven. Er wordt een profiel geschetst van de herkansing via verschillende leerwegen en er wordt ook gekeken naar het tweedekansonderwijs in Europees vergelijkend perspectief.

Tijdens een panelgesprek na de voorstelling van de brochure wees prof. Joke Vandenabeele (KU Leuven) naar de resultaten van een eigen bevraging onder TKO-afgestudeerden waaruit bleek hoe belangrijk de opleiding was geweest om hun leven autonoom in handen te nemen. Het zijn niet allemaal Alice Roothooften geworden, maar toch …‘Men getuigde hoe het behalen van dit diploma de kans op een werkplek sterk verhoogd had, hoe ze terug interesse kregen voor wat er in de buitenwereld gebeurde en vakken als wiskunde en geschiedenis plots interessant bleken,’ aldus Vandenabeele.

De onderzoeker onderscheidt in die veertig jaar drie kantelpunten bij de gedaanteverwisselingen van het TKO. Een eerste kantelpunt was voor veel docenten de beslissing dat het TKO vanaf het begin vaan de 21ste eeuw zelf diploma’s mocht uitreiken. Voordien waren de lessen in het TKO ter voorbereiding van de examens bij de middenjury in Brussel. Dat was vaak een grote struikelblok. Het tweede kantelpunt is de schaalvergroting die TKO heeft ondergaan tijdens voornamelijk de laatste twintig jaar. Het gaat dan in de eerste plaats over de ‘inkanteling’ van TKO in de Vlaamse Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO). In vergelijking met dertig jaar geleden is TKO nu een grote en stabiele organisatie geworden. Een derde en laatste kantelpunt betreft de gewijzigde modellering van het tempo waarin cursisten hun diploma binnen het TKO dienen te behalen. Dat is dan de omslag geweest van een lineair naar een modulair systeem waarin iedere cursist een traject en uurrooster op maat heeft.

Luis in de pels

De Federatie Tweedekansonderwijs Vlaanderen heeft in heel die evolutie een niet onbelangrijke rol gespeeld. ‘We waren vaak de luis in de pels en maakten soms vijanden bij de gevestigde structuren.’ Dat zei Inge De Win,  die voorzitter was van de Federatie Tweedekansonderwijs Vlaanderen vzw van 1999 tot 2013 tegen mij al in 2015. (4) ‘Maar nu de schaalvergroting eraan komt – die werd in 2014 aangekondigd – kregen we al verschillende huwelijksaanzoeken. Stilaan zijn we een gewilde bruid! Ik besef dat we op een belangrijk keerpunt staan in onze geschiedenis. We hebben meer dan 30 jaar de autonomie en corporate governance kunnen vrijwaren, maar hoe lang duurt het nog voor de reglementering ons dwingt om die nog meer op te geven? We hebben inmiddels ook onze naam “tweedekansonderwijs” moeten opgeven, met spijt in het hart. Sinds maart 2015 heten we Toekomstonderwijs – de afkorting TKO blijft er gelukkig in doorklinken. Die nieuwe naam is wel een goede zaak voor onze cursisten. Zij vermelden op sociale media liever niet dat ze tweedekansonderwijs volgen, omdat het voor hen te veel refereert aan die mislukte eerste kans.’

Zoetzure toekomst

De veranderende doelgroep – van ‘moedermavo-profiel’ naar jongere deelnemers die uitgevallen zijn in het reguliere onderwijs – stelt de docentengroep voor nieuwe uitdagingen. Dat schrijft ook Joke Vandenabeele: ‘Bijvoorbeeld rond het aanleren van het Nederlands aan anderstaligen of het begeleiden van jonge cursisten met een grote rugzak aan individuele uitdagingen. Maar nieuwe partners zetten ook druk op de brede persoonsvorming die de nodige tijd vergt. Bovendien ervaren docenten dat de schaalvergroting van het TKO en de fragmentering van klasgroepen de ruimte voor intensieve en inspirerende contacten tussen cursisten en docenten (onderling) verkleint. Leerkrachten zijn vandaag dan ook nog zoekende hoe ze binnen de krijtlijnen van de CVO’s en het modulaire onderwijssysteem de pedagogische eigenheid van het TKO als unieke setting van volwassenonderwijs concreet vorm kunnen geven.’

Á bon entendeur salut, want achter de voorzichtig geformuleerde taal van de onderzoeker komen toch wel enkele duidelijke pijnpunten bloot te liggen. Niet alles in het TKO-verhaal is immers rozengeur en maneschijn. Het oorspronkelijk autonome project van TKO is intussen ingesluisd in de onderwijsstructuur. Was die integratie een goede zaak, of heeft men te veel water in de autonome wijn moeten doen? Gaapt er een diepe kloof tussen de huidige praktijk en de basisteksten van Elcker-Ik en het oorspronkelijke moedermavo-idee? Zeer zeker. TKO heeft een moeilijk parcours gevolgd om zich in een zich wijzigende maatschappelijke context te kunnen handhaven. Autonomie behouden is moeilijk of niet te verzoenen met integratie in de bestaande structuren. Vindt Inge De Win dat ook? Zij is een TKO- oudstrijder. Ik ken haar nog van veertig geleden bij Elcker-Ik Antwerpen. ‘De integratie in de reguliere structuren biedt natuurlijk ook voordelen: eindelijk centen bijvoorbeeld om het allegaartje afgedankt meubilair te vervangen door nette stoelen en banken. Eind 2013 konden we het versleten schoolgebouw aankopen en met Vlaamse subsidies renoveren. Juridisering, reglementen, regels … Ze bieden meer zekerheid. Al zijn ze soms moeilijk te verenigen met ons respect voor diversiteit, en gelijke kansen zijn niet hetzelfde als uniforme kansen. (6) Wanneer haar in de brochure gevraagd wordt naar de toekomst voor de Federatie antwoordt zij voorzichtig:  ‘Ik weet het niet. Er is veel veranderd in 40 jaar. Centra voor Volwassenenonderwijs zijn inmiddels mastodontorganisaties geworden, waar Tweedekansonderwijs slechts één van de vele  studiegebieden is. Superstructuren hebben niet altijd oog voor de specifieke noden, wegen sneller economische criteria af. Bijkomend: Tweedekansonderwijs is nu enorm uitgebreid over heel Vlaanderen, wat op zich schitterend is. Maar sommige concullega’s kiezen voor bikkelharde concurrentie in plaats van zich te binden aan afspraken. Ook de federatie moet zich heruitvinden.’

TKO is zonder meer een mooi verhaal dat in de nadagen van mei ’68 ontstond met veel emancipatorische ambities en waarin ‘tweede kans’ in de eerste plaats moest worden begrepen als een vanzelfsprekende uitdrukking van elementaire rechtvaardigheid. Dat is heel wat anders dan het zogenaamd ‘excelleren’ waar onderwijsminister Ben Weyts de mond van vol heeft. Kwaliteit van onderwijs betekent voor mij in de eerste plaats onderwijs waar iedereen beter van wordt. Dan pas ‘excelleer’ je als maatschappij. Die invulling van onderwijskwaliteit is tijdens de afgelopen neoliberale periode die ook het onderwijs getroffen heeft volledig ondergesneeuwd geraakt. Het TKO is een product van de democratiseringsgolf tijdens de hoogdagen van de welvaartsstaat, maar intussen is dat, samen met de achteruitgang van de sociaaldemocratie, een maatschappelijk gepasseerd station. Alle sectoren zijn doordrongen van een gevaarlijk marktgericht denken dat als het nieuwe normaal in de hoofden van vele mensen aanwezig is.

De insluizing van TKO in een institutioneel onderwijskader maakte TKO ongetwijfeld groter en sterker, maar betekende ook dat de pioniers hebben moeten inleveren op hun brede vormingsdoelstellingen. Onderwijs en vorming worden nog steeds als twee heel verschillende sectoren beschouwd. Bovendien is de netoverschrijdende samenwerking die aan de basis lag van de eerste initiatieven veertig jaar geleden nog steeds wishful thinking want de onderwijsnetten spelen nog steeds cavalier seul ook in het volwassenenonderwijs waar netoverstijgende initiatieven, meer nog voor dan voor andere onderwijsniveaus, voor de hand liggend zijn. TKO heet niet langer tweedekansonderwijs. Het werd omgetoverd tot het nietszeggende ‘toekomstonderwijs’. Een aantal basisprincipes uit het 40-jarige verleden werden hiermee afgeschud. Dat is jammer en dat geeft voor mij, als toeschouwer én participant aan het ontstaan van een mooi initiatief van onderuit, toch een eerder zoetzure nasmaak aan een op zich mooi verhaal.

 

(1)Walter Lotens, Verkenningen op het terrein van de permanente vorming, utilitair-adaptieve versus emancipatorische tendensen, R.U.G., 1984, thesis voor het behalen van de graad licentiaat in de moraalwetenschap

(2)Nikie Lapaire e.a. , Samen school maken, 40 jaar onderwijs Leuven, 2020

(3) zie Walter Lotens, Het menuet van Kondratieff, kroniek van een kosmopoliet, Gompel&Svacina, 2018

(4)Inge De Win e.a., Federatie Tweedekansonderwijs Vlaanderen vzw. Indruk wekkend, onderwijs dat werkt, 40 jaar Leuven, 2021, 114 blz.

(5)Walter Lotens, Elcker-Ik, 45 jaar sociale actie, Pelckmans, 2015

(6) Walter Lotens, Het menuet van Kondratieff, kroniek van een kosmopoliet, Gompel&Svacina, 2018

 

 

Deel dit artikel

Visited 300 Times, 1 Visit today

Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).