The Guardian en Jewish Currents berichtten op 3 februari 2026 over het ontslag van twee medewerkers van Human Rights Watch (HRW), die samen het volledige Israël- en Palestina-team van de organisatie vormden. Ze traden af nadat de HRW-leiding een onderdeel van een 33-pagina’s tellend rapport blokkeerde dat Israëls ontzegging van het recht op terugkeer aan Palestijnse vluchtelingen een “misdaad tegen de menselijkheid” noemt.
Het rapport draagt de titel “‘Our Souls Are in the Homes We Left’. Israel’s Denial of Palestinians’ Right to Return and Crimes Against Humanity”. Het project startte in januari 2025. Het was bedoeld als een vervolg op een rapport uit november 2024 dat zich richtte op de interne ontheemding van Palestijnen in Gaza. Geïnspireerd door de interviews uit dit rapport werd beslist om niet alleen de ervaringen van Palestijnen die recent door Israëlische militaire troepen uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever waren gejaagd, maar ook die van enkele Palestijnse vluchtelingen in Libanon, Jordanië en Syrië die oorspronkelijk in 1948 en 1967 door Israëlische troepen waren verdreven, op te nemen.
De auteurs kwamen tot de conclusie dat de ontzegging van het recht op terugkeer van deze vluchtelingen valt onder het misdrijf tegen de menselijkheid dat bekend staat als “andere onmenselijke daden”.
Volgens het Statuut van Rome, dat in 1998 het Internationaal Strafhof (ICC) oprichtte, was deze aanduiding bedoeld om ernstige misstanden aan te pakken die qua aard vergelijkbaar zijn met andere misdrijven die opzettelijk “groot lijden” veroorzaken – bijvoorbeeld apartheid of uitroeiing – maar die niet precies in die juridische categorieën passen.
Ontslag
In afzonderlijke ontslagbrieven stellen Omar Shakir, die het team bijna tien jaar heeft geleid, en Milena Ansari, assistent-onderzoeker, dat de beslissing van de HRW-leiding om het rapport op te schorten “in afwachting van verdere analyse en onderzoek” een bewijs was dat de organisatie angst voor politieke tegenreacties boven haar toewijding aan het internationaal recht stelde.
“Ik heb mijn vertrouwen verloren in de integriteit van ons werk en onze toewijding aan principiële verslaggeving over de feiten en de toepassing van de wet”, schreef Shakir in zijn ontslagbrief. “Daarom ben ik niet langer in staat Human Rights Watch te vertegenwoordigen of voor de organisatie te werken.”
Shakir zei dat zijn ervaring aantoonde dat, hoewel de publieke opinie over Israël de afgelopen jaren is veranderd – met “concepten als apartheid, genocide en etnische zuivering” die steeds vaker in mainstream kringen worden geuit – het recht op terugkeer een heikel onderwerp blijft. “Het enige onderwerp,” stelde hij, “zelfs bij Human Rights Watch, waarvoor nog steeds een onwil bestaat om de wet en de feiten op een principiële manier toe te passen, is het lot van de vluchtelingen en hun recht om terug te keren naar de huizen die ze gedwongen moesten ontvluchten.” Israël verdedigers stellen dat het toestaan van Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen om terug te keren naar hun huizen een einde zou maken aan de Joodse staat, omdat deze dan geen Joodse meerderheid meer zou hebben.
Omar Shakir verdedigde het rapport bij Al Jazeera dat het “een verband probeerde te leggen tussen de ontruiming van kampen in Gaza en de leegloop van kampen op de Westelijke Jordaanoever, met de volledige aanval van de Israëlische regering op UNRWA, de [VN] hulporganisatie voor Palestijnse vluchtelingen, en benadrukte hoe het, te midden van deze Nakba 2.0 die zich voor onze ogen afspeelt, cruciaal is dat we de lessen van Nakba 1.0 leren”.
“De manier waarop onze nieuwe leiding met dit rapport is omgegaan, heeft me doen twijfelen aan hun trouw aan ons beoordelingsproces en de integriteit van het onderzoek, althans als het om Israël en Palestina gaat.”
“Een te goeder trouw ontstaan meningsverschil”
De geplande publicatiedatum van het rapport, 4 december 2025, viel samen met de week waarin de nieuwe directeur van Human Rights Watch (HRW), Philippe Bolopion, zijn ambtstermijn zou beginnen, na herhaalde wisselingen in de leiding in de afgelopen jaren.
In een e-mail aan medewerkers op 29 januari 2026 zei Bolopion dat HRW een onafhankelijk onderzoek had laten uitvoeren naar “wat er is gebeurd en welke lessen we daaruit moeten trekken”. Bolopion omschreef de gebeurtenissen van de afgelopen twee maanden als “een oprecht en te goeder trouw ontstaan meningsverschil tussen collega’s over complexe juridische en belangenbehartigingskwesties” en benadrukte: “HRW blijft zich inzetten voor het recht op terugkeer voor alle Palestijnen, zoals al jaren ons beleid is.”
Reputatieschade
Shakir en Ansari voltooiden een conceptversie van hun rapport in augustus 2025. Volgens hen doorliep het rapport toen het gebruikelijke redactieproces van HRW en werd het uiteindelijk beoordeeld door acht verschillende afdelingen.
Sommige collega’s uitten onderweg hun zorgen aan Shakir. In een e-mail van 21 oktober gaf hoofd belangenbehartiging Bruno Stagno Ugarte aan problemen te verwachten over de brede reikwijdte van het rapport. Hij suggereerde dat een rapport over de recente gedwongen verplaatsingen vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever wellicht “meer weerklank zou vinden”. Hij zei verder dat hij zich zorgen maakte dat de bevindingen “door velen, met name onze tegenstanders, verkeerd geïnterpreteerd zouden worden als een oproep om het Joodse karakter van de Israëlische staat demografisch uit te roeien”.
Ook Tom Porteous, destijds waarnemend programmadirecteur van HRW, uitte zijn bezorgdheid over reputatieschade. Hij schreef Shakir dat het rapport goed onderbouwd was, maar “de vraag is hoe we dit argument in onze lobbyactiviteiten gaan gebruiken zonder dat het overkomt alsof HRW de staat Israël verwerpt en zonder dat het onze geloofwaardigheid als neutrale, onpartijdige waarnemer van de gebeurtenissen ondermijnt.”
Toch kwam het besluit om het eindrapport in te trekken als een verrassing voor Shakir en andere medewerkers. Zij zeiden dat Bolopion – die in verschillende functies voor HRW heeft gewerkt – een belangrijke bijdrage had geleverd aan het baanbrekende rapport van de organisatie uit 2021, waarin Israël werd beschuldigd van apartheid.
Als reactie ondertekenden op 1 december 2025 meer dan 200 medewerkers van Human Rights Watch een protestbrief waarin ze het “rigoureuze screeningproces” van de organisatie de “hoeksteen van onze geloofwaardigheid” noemden. Het blokkeren van het rapport zou “de indruk kunnen wekken dat het beoordelingsproces van HRW vatbaar is voor ongeoorloofde inmenging die beslissingen die in de procedure zijn genomen, kan terugdraaien, het vertrouwen in het doel en de integriteit ervan kan ondermijnen, een precedent kan scheppen dat werk zonder transparantie kan worden opgeborgen, en de vrees kan opwekken dat ander werk zou kunnen worden onderdrukt”.
In haar antwoord zei de HRW-leiding: “Onze interne beoordelingsprocessen zijn robuust en ontworpen om de integriteit van onze bevindingen te beschermen. Zoals bij elke organisatie die dergelijke analyses uitvoert, kunnen er in het proces verschillen van professioneel oordeel ontstaan.”
‘Andere onmenselijke daden’
Human Rights Watch heeft in eerdere publicaties herhaaldelijk opgeroepen tot het recht op terugkeer – een universeel mensenrecht dat is vastgelegd in het internationaal recht als Resolutie UNWRA 94. Maar die eerdere rapporten richtten zich op andere kwesties en beargumenteerden niet dat Israëls voortdurende ontkenning van het recht op terugkeer van vluchtelingen een misdaad tegen de menselijkheid was.
Het rapport verwijst naar een voorlopige bevinding van het Internationaal Strafhof ( ICC) uit 2018, waarin werd vastgesteld dat het belemmeren van de terugkeer van Rohingya naar Myanmar nadat ze naar Bangladesh waren verdreven, vervolgd kon worden als een misdaad tegen de menselijkheid of als een van de “andere onmenselijke handelingen”. Shakir zei dat het rapport een juridisch argument introduceerde in de wereld van mensenrechtenactivisme, dat voorheen beperkt was tot de academische wereld. Het biedt een “troef” die een vluchteling die in 1948 ontheemd raakte, mogelijk kan helpen om een huidige zaak aan te spannen tegen de Israëlische autoriteiten.
“Ze verdienen het om te weten waarom hun verhalen niet worden verteld.”
Shakir werd in 2019 Israël uitgezet vanwege zijn inzet voor de mensenrechten van de Palestijnen. Hij benadrukte de verantwoordelijkheid van de organisatie jegens Palestijnse slachtoffers van ontheemding. “Het zien van de angst bij de Palestijnen die ik interviewde en die feitelijk veroordeeld zijn tot een levenslange vluchtelingenstatus, behoort tot het moeilijkste wat ik heb gezien”, verklaarde hij.
“Ze verdienen het om te weten waarom hun verhalen niet worden verteld.”

