Het relaas van een etnische zuivering

Jacques de Reynier, "1948 à Jérusalem", (oorspronkelijke titel: "A Jérusalem un drapeau flottait sur la ligne de feu"), heruitgave Georg Editéur, Genève, 2002, 175 blz., 20 euro.

Begin januari 1948 vertrekt een minuscuul team van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK) via Caïro naar Jeruzalem. De ploeg staat onder leiding van een jonge Zwitserse functionaris, Jacques de Reynier. Tijdens de eerste dagen van zijn humanitaire missie in de Egyptische hoofdstad legt hij contacten met belangrijke Arabische leiders, zoals de Egyptische premier, Nokrachi Pacha, de secretaris-generaal van de Arabische Liga, Si Azzam Pacha, en zelfs met Haj Amin Hoesseini, de beruchte moefti van Jeruzalem (1). Terwijl hij zich in Caïro voorbereidt om door te reizen naar het oorlogsgebied Palestina, kan de Reynier nauwelijks vermoeden dat hij één van de belangrijkste getuigen zal worden van de grote etnische zuivering, waarvan de meerderheid van de Palestijnen dat jaar het slachtoffer zal worden.

In 1950, schrijft Jacques de Reynier een boek over zijn ervaring en bijna onmogelijke opdracht in Palestina. "A Jérusalem un drapeau flottait sur la ligne de feu" (In Jeruzalem wapperde een vlag boven de vuurlijn). Het wordt een historisch document. De oorlog van 1948 en de massale verdrijving van de Palestijnen uit hun land hadden nagenoeg achter gesloten deuren plaats. Er waren weinig fotografen, cameralui of andere westerse getuigen aan het front aanwezig. En in Europa en de Verenigde Staten leefde een immense sympathie voor de exploten van de zionistische troepen. De schok van de massavernietigingskampen van de nazi’s, de beelden van de overlevenden van de Duitse concentratiekampen, waren in het Westen nog niet verteerd. Het boek van de Reynier geraakte wat in de vergetelheid. Maar eind vorig jaar bracht de Zwitserse uitgeverij Georg een heruitgave op de markt.

Neutraal in oorlogsgebied

Van januari 1948 tot juli 1949 blijft Jacques de Reynier in Palestina, waar zijn kleine Rode Kruismissie constant in de vuurlijn loopt van de zionistische milities, de Haganah en de Palestijnse verzetsgroepen en Arabische reguliere troepen. De ploeg van de Reynier telt nooit meer dan 18 leden, voornamelijk Zwitserse artsen en verpleegsters. De Reynier is het prototype van de Zwitser en de Rode Kruisambtenaar. Eens in Palestina zoekt hij verbinding met de leiders van de twee oorlogvoerende partijen: de commandant van de reguliere zionistische troepen, de Haganah, en met dokter Hoessein Fakhri al-Khalidi van het Arabisch Hoger Comité, dat het verzet van de Palestijnen tegen de zionistische gewapende troepen en tegen het door de VN aangekondigde verdeelplan voor Palestina tracht te coördineren. De missie van het Internationale Rode Kruis stelt zich strikt neutraal op en voert met beide kampen in Palestina lange palavers over de eerbiediging van de Conventies van Genève (de bescherming van de burgerbevolking, de verzorging van gewonden aan beide kanten van de gevechtslinies, het transport van doden en het lot van de krijgsgevangenen).

Over de toepassing van de Geneefse Conventies merkt de Reynier vanaf het begin een reusachtig wantrouwen aan beide kanten. Van de commandanten van de Haganah krijgt hij alleen maar beloften. De Haganah past de Conventies strikt toe, maar kampt met het probleem van de oncontroleerbare extremistische, zionistische milities Stern en Irgoen, zo krijgt de Reynier van zijn joodse militaire gesprekspartners te horen. In het Arabische kamp liggen de zaken enigszins anders. Egypte, Syrië en Libanon hebben de Conventies van Genève ondertekend en beschikken over een eigen erkend Rode Kruis of Arabische tegenhanger, Rode Halve Maan.

Na zijn gesprekken met de leiders van de Haganah, die hem alleen maar vrome beloften doen, knoopt de Reynier gesprekken aan met het Palestijnse kamp. "Aan Arabische zijde is de toestand nauwelijks hoopgevender," schrijft de Reynier, "en toch lijkt het me dat ze ons veel meer nodig hebben dan de joden." Hoessein al-Khalidi drukt hem tijdens een eerste gesprek al op het hart hoe de Palestijnen de oorlogssituatie inschatten. "Al-Khalidi zegt me dat het joodse kamp nooit de Geneefse Conventies zal toepassen. Zij doden iedereen en alleen de wet van de overwinnaar is van tel. Of het nu de Haganah, het joods Agentschap of de extremisten van Stern en Irgoen zijn, wij weten nooit wie over de schreef gaat. Maar de feiten spreken voor zich. Sinds jaar en dag hebben de Europeanen de Arabieren als minderwaardig behandeld, om niet te zeggen als slaven. Voor hen waren wij ‘quantité négligeable’ en ze hebben ons alle mogelijke vuile toeren gespeeld. Dus wantrouwen de Arabieren de Europeanen, meer bepaald de joden. De UNO wil de verdeling van ons land, steunt de joden en dus rest er de Arabieren maar één ding: zich met alle mogelijke wapens te verdedigen". Toch beschrijft de Reynier in zijn boek tal van voorbeelden waarbij hij kon rekenen op de loyale medewerking van de Palestijnse leiders bij operaties om joodse burgers in veiligheid te brengen of joodse gewonde of gesneuvelde militairen uit de vuurlinie te evacueren. Jacques de Reynier en zijn medewerkers werken en leven in die dagen als bezetenen. Hun missies zijn ook levensgevaarlijk: ze rijden af en aan midden in de vuurlijn. Ondanks hun witte uniformen en de wapperende Rode Kruisvlag boven op hun auto, zijn ze een gemakkelijke schietschijf. Sommige van zijn medewerkers raken zwaar gewond en blijven voor de rest van hun dagen invaliden. Aan het einde van zijn missie kijkt de Reynier naar het kleine wagenpark van het Rode Kruis in Palestina. Het is rijp voor de schroothoop: "Drie van de acht auto’s, die wij alleen gebruikten, waren totaal vernield door mitrailleurvuur, obussen of landmijnen. De vijf andere, ondanks de vele herstellingen, leken meer op een vergiet dan op een voertuig. Ze waren doorzeefd met kogels."

Deir Yassin

Het verhaal van Jacques de Reynier heeft een niet geringe historische waarde, omdat de auteur één van de zeldzame getuigen is geweest van de gruwelijke slachtpartij in het Palestijnse dorpje Deir Yassin. Op het ogenblik van de moordpartij telt het dorp meer dan vierhonderd inwoners – allemaal Palestijnen. Het ligt te midden van de zionistische kolonies en de dorpelingen hebben een niet-aanvalspact gesloten met de naburige kibboetzim.

"Op 10 april (1948) krijg ik ’s namiddags een telefoontje van de Arabieren," vertelt de Reynier. "Ze smeken me onmiddellijk naar Deir Yassin te vertrekken waar de burgerbevolking van heel het dorp zo pas is uitgemoord. Ik verneem dat deze sector, in de onmiddellijke buurt van Jeruzalem, in handen is van de extremisten van de Irgoen. Het joods Agentschap en het hoofdkwartier van de Haganah zeggen me dat ze niets afweten van deze zaak en dat het bovendien voor iedereen onmogelijk is in een Irgoenzone binnen te dringen. Ze raden me ten stelligste af me met deze aangelegenheid te bemoeien. Als ik toch ga, kan dit het einde van mijn missie betekenen. Ze kunnen mij niet helpen, ze wijzen ook alle verantwoordelijkheid van de hand, in het geval er iets met mij zou gebeuren. En er zal iets met mij gebeuren. Ik antwoord hen dat ik de vaste intentie heb om te gaan en dat – zoals algemeen bekend – het joodse Agentschap zijn gezag uitoefent over heel het grondgebied, dat in joodse handen is en dus verantwoordelijk blijft voor mijn persoon en voor mijn vrijheid van handelen in het kader van mijn missie". "’s Anderendaags, op het afgesproken uur en plaats, springt een man in burger – zijn zakken vol pistolen – in mijn auto en beveelt me zonder stoppen door te rijden. Op mijn vraag om me de weg naar Deir Yassin te wijzen, stemt hij in. Maar hij kan niet veel voor me doen. We verlaten Jeruzalem en op de grote weg slaan we een zijweg in. Al snel worden we tegengehouden door twee soldaten, of wat er moet voor doorgaan. Ze boezemen allesbehalve vertrouwen in: machinegeweer in de aanslag, een breed mes aan de gordel. Aan hun uniformen merk ik dat dit de mannen zijn die ik zoek. Ik moet uitstappen en word meteen grondig gefouilleerd. Ik begrijp dat ik hun gevangene ben. Alles lijkt verloren. Op dat ogenblik verschijnt er een reusachtige kerel, twee meter lang, breed als een ijskast. Hij duwt zijn kameraden opzij, grijpt mijn hand en verplettert ze tussen zijn enorme poten. Wat hij brult weet ik niet. Hij begrijpt geen Engels of Frans. Maar uiteindelijk lijkt een gesprek in het Duits wel te lukken. Hij zegt blij te zijn een afgevaardigde van het ICRK te ontmoeten, want hij is een gevangene van de joodse kampen in Duitsland en dankte tot drie maal toe zijn leven aan onze tussenkomst. Hij zegt me dat hij me als een broeder beschouwt en dat hij alles zal doen wat ik hem vraag. Met zo’n lijfwacht voel ik me alsof ik tot op het einde van de wereld kan gaan en om te beginnen zullen we naar Deir Yassin vertrekken. We komen op een heuvelrug aan, op vijfhonderd meter van het dorp, dat we in het dal zien liggen. We moeten lang op de toestemming wachten om onze weg voort te zetten. Telkens als iemand tracht de weg over te steken, barst het Arabisch vuur los. En de commandant van het Irgoendetachement lijkt niet bereid me te ontvangen. Uiteindelijk daagt hij toch op. Hij is jong, gedistingeerd, volkomen correct, maar hij heeft een bijzondere glans in zijn ogen, wreed en koud. Ik leg hem uit dat mijn missie allesbehalve die van een rechter of scheidsrechter is. Ik wil de gewonden redden en de doden evacueren. De joden hebben trouwens een verbintenis ondertekend om de Conventies van Genève te eerbiedigen. Mijn missie heeft dus een officieel karakter. Mijn verklaring wekt de woede van deze officier, die me voor eens en altijd duidelijk maakt dat hier de Irgoen het bevel voert en niemand anders, zelfs niet het joods Agentschap, waarmee zij niets te maken hebben. Mijn ijskast merkt dat er heibel in de lucht hangt, komt tussenbeide en vindt de juiste argumenten, want plots zegt de officier dat ik op eigen verantwoordelijkheid mag doen wat ik nodig acht. Hij vertelt me de geschiedenis van dit dorp, dat uitsluitend door Arabieren wordt bewoond, die nooit wapens hebben gehad en in goede verstandhouding leefden met de joden, die hen omringen. Volgens hem is de Irgoen hier vierentwintig uur geleden aangekomen. Via luidsprekers kregen de dorpsbewoners het bevel hun huizen te ontruimen en zich over te geven. Ze kregen hier een kwartier de tijd voor. Enkele van deze ongelukkigen stapten naar voor en werden gevangen genomen. Wat later werden ze vrijgelaten in de buurt van de Arabische linies. De resterende dorpsbewoners gaven geen gehoor aan het bevel en ondergingen het lot dat ze verdienden. Maar dat mag niet overdreven worden, er zijn maar enkele doden, die zullen begraven worden, zodra het dorp is "gezuiverd". Als ik lijken vind, mag ik ze meenemen. Maar er zijn zeker geen gewonden. Zijn verhaal bezorgt me koude rillingen".

Bloedbad

Jacques de Reynier keert daarop terug naar de hoofdweg naar Jeruzalem om een ziekenwagen en een vrachtwagen te halen om doden en gewonden uit Deir Yassin te evacueren. "Ik kom met mijn konvooi in Deir Yassin aan. Het Arabisch vuur is verstomd. De troepen dragen hun velduniform met gevechtshelm. Allemaal jongeren, zelfs enkele pubers, mannen en vrouwen, tot de tanden gewapend: pistolen, machinegeweren, granaten, maar ook lange messen in de hand, die meestal nog druipen van het bloed. Een jong, mooi meisje toont me haar bebloed mes. Ze heeft iets misdadigs in haar blik. Ze draagt het mes als was het een triomf. Dat is de ploeg van de zuiveringsoperatie, die zijn werk heel nauwgezet heeft gedaan. Ik wil een huis binnengaan. Ik word omringd door een tiental soldaten, zij richten hun machinegeweren op mij. De officier verbiedt me verder te gaan. Ze zullen me de doden brengen, als die er al zijn. Ik ontsteek in de geweldigste woedeaanval sinds mijn geboorte. Ik zeg deze criminelen wat ik van hen denk, bedreig hen met alle bliksems van de wereld, duw hen uit mijn weg en stap het huis binnen. De eerste kamer is donker. Alles is er overhoop gehaald, maar er is niemand. In de tweede kamer vind ik, tussen de stukgeslagen meubelen, dekens en allerlui puin, enkele lijken. Ze zijn reeds koud. Hier hebben ze de zuivering uitgevoerd met de mitrailleur, dan met een granaat, om het karwei helemaal af te maken met het mes. Het kon de daders blijkbaar weinig schelen. Hetzelfde in de volgende kamer. Maar net als ik naar buiten wil gaan, hoor ik gekreun. Ik zoek overal, verplaats elk van de lijken en vind uiteindelijk een voetje, dat nog warm is. Het is een meisje van tien, flink beschadigd door een granaat, maar ze leeft nog. Als ik het kind wil wegbrengen, verspert de officier me de weg in de deuropening. Ik duw hem opzij en, beschermd door mijn brave ijskast, vertrek ik met mijn kostbare last. Het meisje wordt in de ziekenwagen geladen, de chauffeur krijgt het bevel zo snel mogelijk terug te keren. Aangezien deze militie me nog niet direct heeft durven aan te vallen, zet ik mijn werk voort. Ik geef het bevel de lijken uit het ene huis te halen en ze op de vrachtwagen te laden. Dan is het de beurt aan het volgende huis, enzoverder. Overal hetzelfde afschuwelijke spektakel. Ik vind slechts twee levenden: twee vrouwen, waarvan een oude grootmoeder, die zich vierentwintig uur roerloos achter wat takken brandhout heeft verscholen. Er waren vierhonderd mensen in dit dorp. Ongeveer vijftig sloegen op de vlucht, drie zijn er nog in leven, de rest is afgeslacht, moedwillig en doelbewust, want zoals ik zelf heb kunnen vaststellen: deze troep ligt prachtig in de hand en handelt enkel maar op bevel".

Het begin van het einde

"De zaak Deir Yassin had immense gevolgen," schrijft Jacques de Reynier. "De pers en de radio verspreidde het nieuws overal, onder de Arabieren en ook onder de joden. Op die manier ontstond er onder de Arabieren een klimaat van algemene terreur, dat door de joden altijd handig in stand werd gehouden. Aan beide zijden werd dit een politiek argument en de resultaten ervan waren tragisch. Gedreven door angst, verlieten de Arabieren hun huizen om elders onderdak te zoeken bij vrienden en kennissen. Afgelegen boerderijen, daarna hele dorpen en tenslotte de steden werden ontruimd, ook al had de joodse indringer nauwelijks een teken gegeven voor de aanval. Uiteindelijk werden meer dan zevenhonderdduizend Arabieren vluchtelingen, die alles in allerijl achterlieten, met als enige doel: vermijden hetzelfde lot te ondergaan als de bewoners van Deir Yassin. De gevolgen van deze slachting zijn vandaag nog voelbaar, want deze immense massa vluchtelingen leeft nog steeds in geïmproviseerde kampen, zonder werk en zonder hoop. Het Rode Kruis verdeelt hen de noodhulp, die de UNO verleent." Jacques de Reynier schreef dit in 1950.

Deze Zwitserse Rode Kruisfunctionaris had het bij het rechte eind toen hij stelde dat de slachting in Deir Yassin het begin van de grote Palestijnse catastrofe (Nakba) was. De latere Israëlische premier, Menahem Begin, één van de commandanten van de terreurgroep Irgoen, schreef later in zijn mémoires: "Als Deir Yassin niet had plaatsgevonden, was Israël nooit ontstaan"…

(Uitpers, nr. 38, 4de jg., februari 2003)

(1) Haj Amin Hoesseini, de moefti van Jeruzalem, die zichzelf had uitgeroepen tot de geestelijke leider van de Palestijnen, stond tijdens de tweede wereldoorlog in nauw contact met de nazi-regering in Berlijn. Hij had uitgesproken Duitse sympathieën. Op het ogenblik van de bevrijding werd hij in Duitsland gearresteerd door de geallieerden. Hij wist te ontkomen en vluchtte naar het Midden-Oosten, waar hij zich in Caïro vestigde omdat hij geen toestemming kreeg om naar Jeruzalem terug te keren. In de Israëlische propaganda wordt de collaboratie van de moefti met de nazi’s nog steeds breed uitgesmeerd. In de Israëlische "Encyclopedia of the Holocaust" krijgt hij meer aandacht dan de nazi-kopstukken Goebbels, Himmler en Heydrich. Wat nog steeds een handig middel blijkt om aan te tonen dat alle Arabieren eigenlijk antisemieten zijn en om te verdoezelen dat belangrijke zionistische leiders voor en tijdens de oorlogsjaren in Berlijn dezelfde gesprekspartner hadden als de moefti: de oorlogsmisdadiger en één van de verantwoordelijken van de ‘Endlösung’, Adolf Eichmann.

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel