Het referendum en de Belgische Grondwet

Alleen de werkelijkheid telt. Eind 2001 verscheen het boek De Re Ferenda. Een meta-juridische conflictanalyse van het referendum. Het werd samengesteld onder redactie van Prof. Frank Fleerackers en bevat bijdragen van een aantal Vlaamse professoren, waaronder juristen, politicologen en historici.[1] Ongetwijfeld wil het boek een bijdrage zijn in het debat over directe democratie, hetgeen wij toejuichen.

Maar afgezien van het feit dat het boekje (230 pp. van klein formaat) erg duur is, produceert het bij mij vooral een intens gevoel van bevreemding. De academici die eraan meewerkten, gaan bijna allemaal uit van een reeks premissen die mij compleet absurd lijken. Zoals de bewering dat wij in een democratie leven; of het denkbeeld dat een democratische Grondwet überhaupt onverenigbaar zou kunnen zijn met direct-democratische besluitvorming. Het boekje bevat ongetwijfeld heel wat interessante technische informatie (zoals de bijdrage van prof. Jaak Billiet over de vraagstelling in referenda), maar voor het overige sta ik voor een ideologische muur. Ik schop dus maar tegen die muur.

Ik concentreer me op het essay van prof. Jan Velaers: Het referendum en de volksraadpleging in grondwettelijk perspectief (pp.145-197). De grondwettelijkheid van de directe democratie is immers een brandend actueel onderwerp. In de federale en Vlaamse regeringsverklaringen werden expliciete pro-referendum-intenties opgenomen. Op Vlaams niveau staat ondertussen daadwerkelijk een soort nep-referendum in de steigers (een niet-bindende en niet-afdwingbare volksraadpleging, waarmee burgers dus niets kunnen aanvangen).[2] Op federaal niveau verhinderde de Parti Socialiste de herziening van de Grondwet, benodigd om een authentiek bindend referendum op volksinitiatief in te voeren. Vlaanderen kan dus niet evolueren naar een democratie, door toedoen van de democratische PS. En Vlamingen kunnen niet eens voor of tegen deze PS stemmen; de partij die in Vlaanderen de invoering van de democratie tegenhoudt, haalt zijn stemmen en zijn macht in het Zuiden des lands. Dat is de werkelijkheid in dit land, anno 2002.

België is geen democratie

Is het referendum op volksinitiatief verenigbaar met de Belgische grondwet? Prof. Velaers levert in zijn bijdrage een handig overzicht van de heersende inzichten. Onze Grondwet zou vooreerst, blijkens het unaniem advies van de rechtsleer, niet verenigbaar zijn met het bindend referendum (p.151). De niet-bindende volksraadpleging zou in principe wel verenigbaar kunnen zijn met de grondwet, maar in een basisadvies van 15 mei 1985 heeft de Algemene Vergadering van de Raad van State deze opvatting toch in vraag gesteld, omdat de facto een volksraadpleging die uitmondt op een duidelijke uitslag, toch moreel en politiek bindend is voor de overheid (p.152).

Velaers schrijft hierover: "Het recht, en ook het grondwettelijk recht, is niet louter een spel van de geest. Overeenstemming met de Grondwet is niet zomaar een kwestie van woorden. De werkelijkheid telt. De Raad van State stelde: Als de wetgever die over een bepaalde kwestie een volksraadpleging wil houden, van te voren weet dat het antwoord dat hem verstrekt zal worden, hem zeker zal binden, of als hij in alle geval al vastbesloten is een beslissing te nemen die overeenkomt met de wens van de meerderheid van de kiezers, dan is het adviserend karakter van dat beroep op de burgers kunstmatig en zelfs fictief (…) Overeenstemming met de Grondwet is niet zo maar een kwestie van woorden; zij houdt verband met de grond zelf van de instelling die in leven moet worden geroepen en mag niet los van de werkelijkheid worden beoordeeld. Op grond van deze redenering heeft de Raad van State elke volksraadpleging op federaal of regionaal niveau steeds afgewezen als strijdig met de Grondwet." (pp.152-153).

Voor juridische leken is dit verwonderlijk. Hoe kan een Grondwet, die democratisch heet te zijn, principieel beletten dat het volk zich desgewenst rechtstreeks uitspreekt? Het antwoord is simpel:

"Het Belgisch bestel is (…) gefundeerd op de nationale en niet op de volkssoevereiniteit." (p.157).

Wat betekent dit? Niets anders dan dat België helemaal geen democratie is. Democratie betekent, in letterlijke zin, dat het volk soeverein is. Maar in België is blijkbaar het volk niet soeverein. Het

is de Natie die de dienst uitmaakt. Nu is Natie een uitermate abstract begrip. Een natie als zodanig is geen wezen begiftigd met inzicht en wil. De term Natie moet uiteindelijk verwijzen naar een

concrete verzameling van mensen, en die verzameling is dus blijkbaar niet het volk. Bijgevolg verwijst de term Natie naar een maatschappelijke elite. België is dus een elitocratie, maar dat klinkt

vies, en daarom gebruikt men de dubbelzinnige term Natie, terwijl men naar het plebs zelf spreekt over democratie, wat dus volksbedrog blijkt te zijn. Dat klinkt brutaal, maar het is wel de

werkelijkheid, en zoals prof. Velaers schrijft: "Alleen de werkelijkheid telt." (p.160).

Welke elite heeft de macht in België? Prof. Velaers laat ons hierover niet in het ongewisse. Het zijn de partijen die de dienst uitmaken: "Tegenover de juridische Grondwet staat de reële Grondwet.

Beide bieden een verschillend perspectief. De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers, luidt de juridische Grondwet, maar daaronder gaat een andere politieke werkelijkheid schuil. De partijvoorzitters hebben meestal een beslissende inbreng. Kamer en Senaat oefenen de wetgevende macht uit, en dat is ook zo, maar de politieke compromisvorming, over de inhoud van die wetgeving, valt meestal elders: in de ministerraad of in de partijcenakels van de meerderheid."(p.184).

België is dus geen democratie, maar een particratie. Sommige politici zeggen dit ook ronduit, vooral wanneer ze in de oppositie zitten: "Dat we in een democratie leven is een illusie. We leven in een particratie." (Marc Verwilghen, VLD-kamerlid, De Standaard Magazine, 29 augustus 1997). "België is een particratie. En of we het nu graag horen of niet, ook wij zijn daar onderdeel van." (Guy Verhofstadt, VLD-studiedag De burger beslist, Tongeren, 7 februari 1998).

Noteer ook het dubbel krijt waarmee Velaers schrijft. Wanneer machtsruimte moet geschapen worden voor politieke partijen, is een onderscheid tussen juridische Grondwet en reële Grondwet toegestaan. Wanneer macht bij de burgers moet terechtkomen, moet de werkelijkheid samenvallen met de Grondwet.

Over het algemeen verwijt ik de Belgische academische elite, en ook de meeste auteurs van De Re ferenda, dat ze als ideologische waterdragers van de macht fungeren, en ook dat ze aan volksmisleiding doen wanneer ze een land als België als een democratie blijven bestempelen. In de bijlage van het NRC-Handelsblad van 4 mei 2002 verscheen een uitvoerige bijdrage waarin een hele reeks Nederlandse politicologen vrijwel unaniem bevestigen dat Nederland helemaal geen democratie is. In Die Welt van 21 augustus verscheen een artikel van de academicus prof. Herbert von Arnim (Wahl ohne Auswahl. Die Parteien und nicht das Volk bestimmen die Abgeordneten) waarin de werking van de Duitse particratie realistisch wordt beschreven. Wanneer gaan we dit soort evidente waarheden ook eens mogen vernemen van Vlaamse academische kant?

Wat te doen? Waar komen die fameuze grondwetsartikelen, die het referendum onmogelijk maken, eigenlijk vandaan? Die grondwetsartikelen zijn gemaakt door een kleine, niet-verkozen elite van rijken en edelen. Het volk was in de tijd toen die grondwetsartikelen werden geschreven zelfs van stemrecht verstoken. Het had niet eens recht op onderwijs of rechtspraak in de eigen taal. Velaers: "Het argument van prof. De Meyer dat de Belgische Grondwet, in 1831, in naam van het Belgische Volk werd uitgevaardigd en dat het dan ook steeds mogelijk is om dat volk opnieuw over zijn lot te laten beslissen, overtuigt o.i. niet. Niet het Belgische Volk was de originele grondwetgever, doch het Nationaal Congres. Dit stelde in artikel 33 van de Grondwet geen volkssoevereiniteit in, doch een nationale soevereiniteit.”

(p.165).

Natuurlijk is België geen democratie. De eenvoudige en onweerlegbare werkelijkheid is dat de Belgische maatschappelijke elite anno 1831 een elitocratie installeerde die het volk van de macht uitsloot, en dat de Belgische maatschappelijke elite anno 2002, met de PS voorop, die uitsluiting consequent voortzet.

De weerzin van de maatschappelijke elite tegen directe democratie houdt verband met het feit dat in het Belgisch particratisch systeem allerhande besluiten zijn genomen die allerminst de volkswil

weerspiegelen, en dat referenda deze realiteit op pijnlijke wijze aan het licht zouden brengen. Velaers is zich daar ook scherp van bewust. "Het referendum en de volksraadpleging mogen er niet toe leiden dat de bevolking zich uitspreekt over beslissingen die strijdig zijn met de grondwet of de internationale verdragen die België binden. Om dit te voorkomen moet er een preventief toezicht zijn. Om te herstellen een curatief toezicht. (…) Is het denkbaar dat een volksinitiatief wordt genomen, tientallen duizenden handtekeningen worden verzameld, heel de bevolking wordt opgeroepen om aan het referendum deel te nemen, een massale campagne wordt gevoerd met inzet van enorme financiële middelen en dat, na het referendum, zeven rechters in het Arbitragehof tot de vernietiging van het resultaat zouden kunnen overgaan, terwijl dit een ruime steun heeft gekregen van de bevolking? De vraag stellen is ze beantwoorden. Neen, dat is niet denkbaar. Het zou de kloof tussen burger en politiek alleen maar wijder maken en in het rechtssysteem fundamentele spanningen teweegbrengen. Een botsing tussen de volkswil en het recht moet worden vermeden." (pp.177-178).

Met andere woorden: de referendumpraktijk dreigt aan het licht te brengen dat allerlei bepalingen in de Grondwet en in internationale verdragen strijdig zijn met de volkswil; daarom moet het

volksreferendum worden vermeden, of ten minste gecensureerd. Nog korter: we moeten vermijden dat de burgers al te duidelijk het ondemocratisch karakter van de Belgische staat ondervinden.

Hoe kunnen we als democraten tegen deze problematiek aankijken? Moeten we meteen de hele Grondwet verwerpen omdat ze democratische legitimatie mist? Dat kan niet. De noodzaak van historische continuïteit moet worden verbonden met het democratisch ideaal. Mijn stelling luidt dat in een daadwerkelijke democratie de Grondwet per definitie geacht moet worden om de wil van het volk uit te drukken, en dit niet enkel in theoretische zin, maar ook in werkelijkheid (want vergeet niet: Alleen de werkelijkheid telt). Het volk moet in een democratie dus altijd in staat zijn om zich

daadwerkelijk en volkomen soeverein over een grondwetswijziging uit te spreken. De Grondwet is geen door een hogere macht geopenbaarde tekst, en hangt niet in de lucht. Niet de Grondwet, maar het recht van het volk om zich daadwerkelijk soeverein uit te spreken vormt de grondslag en de hoeksteen van de democratie. Wie het tegendeel beweert, erkent de soevereiniteit van het volk niet en is dus geen democraat. Het referendum, met inbegrip van het grondwettelijk referendum, kan dus in een democratie per definitie direct ingevoerd worden. Geen enkel grondwetsartikel kan geïnterpreteerd worden in een zin die de invoering van het referendum zou verhinderen. Interpretaties die wel leiden tot de afwijzing van het referendum, moeten per definitie als ondemocratisch worden verworpen. Passages in de grondwet die tot antidemocratische interpretaties kunnen leiden, moeten zo snel mogelijk worden herzien (bij voorkeur via een grondwetgevend referendum) en dienen in afwachting daarvan een democratische interpretatie te krijgen, waarbij rekening gehouden wordt met de werkelijkheid dat onze Grondwet werd geschreven door een kleine elite terwijl de globale bevolking buiten spel bleef.

Want alleen de werkelijkheid telt.

 

België bedreigd door de democratie

De koningskwestie leverde niet het eerste Belgische referendum op. Na de Eerste Wereldoorlog vond, op 24 juli 1920, een soort volksraadpleging plaats in de Oostkantons over de vraag of de bevolking bij België wou blijven of terugkeren onder Duitse soevereiniteit. Dit referendum leverde een verpletterende pro-Belgische meerderheid op: 271 kiezers wilden terug naar Duitsland, de overige 33.455 verkozen om bij België te blijven. Dit verbluffende resultaat werd bereikt door een asymmetrische stemprocedure: wie naar Duitsland wou terugkeren, moest zijn naam en beweegredenen op een lijst gaan inschrijven. Er waren twee plekken, waar dit kon: in Eupen en in Malmedy. Wie zijn naam niet opgaf, werd geacht de aansluiting bij België te verkiezen.[3]

Het Oostkanton-plebisciet leverde dan wel een schitterend pro-Belgisch resultaat op, maar het is tevens een voorbeeld van wat directe democratie zeker niet is. Plebiscieten geschieden op initiatief

van de machthebbers en verschillen daardoor kwalitatief van volksreferenda. Nazi-Duitsland levert een interessant voorbeeld: Hitler was een expliciet tegenstander van directe democratie (die hij als

niet-Germaans beschouwde) maar hij organiseerde wel enkele plebiscieten, wat in sommige gevallen met kinderachtige manipulaties gepaard ging. Plebiscieten hebben meestal de bedoeling om de machthebber legitimiteit te verlenen. In andere gevallen worden plebiscieten gebruikt om conflicten binnen de elite te beslechten. Soms gaan plebiscieten met ruige vormen van manipulatie gepaard. Dat geschiedde bijvoorbeeld in de Oostkantons. Maar zelfs indien de stemming schijnbaar eerlijk gebeurt, kan een plebisciet niet als echt democratisch worden beschouwd. De essentie van een democratie is immers dat het soevereine volk punten op de agenda plaatst, daarover beraadslaagt en vervolgens beslist. Bij plebiscieten bepaalt niet het volk, maar wel de elite, hoe de agenda luidt en wat de krijtlijnen zijn waarbinnen de beslissing moet vallen.

Deze overwegingen gelden ook voor het plebisciet in 1950. De voorstanders van het plebisciet waren de koning en de CVP; zij hoopten op een koningsgezinde meerderheid. Achteraf klonk het bezwaar dat zo’n referendum de eenheid van het land in het gevaar kan brengen. Zeker voor België, waar vrijwel ieder maatschappelijk probleem ook een communautaire dimensie heeft, is die opmerking relevant. Deze vaststelling pleit echter niet tegen de democratie, maar wel tegen België. Laat ons dit eens principieel bekijken.

Een democraat kan niet anders dan uitgaan van een confederalistische maatschappijvisie. De hoogste autoriteit is het menselijk individu. Enkel het individu is begiftigd met geweten en oordeelskracht, en enkel het individu ervaart lief en leed. Staten, gemeenschappen, groepen en organisaties kunnen oordelen noch voelen; zij horen dus in dienst te staan van het individu, en niet omgekeerd.

De mens is echter per definitie een sociaal wezen. De mens behoort tot een rechtsgemeenschap, waarbinnen hij op voet van gelijkheid met de anderen, wetten maakt en regels afspreekt. Die wetten en regels gelden op een bepaald territorium. De meest kleinschalige rechtsgemeenschap, met bijhorend rechtsgebied, kunnen we de gemeente noemen. Gemeentes zullen zich van nature integreren in grotere verbanden voor aangelegenheden waar dit schaalvoordelen oplevert. En die grotere verbanden kunnen op hun beurt alweer associaties vormen. Zo kunnen een groep gemeentes zich inzake transport, water- en elektriciteitsproductie, milieuaangelegenheden enz. confedereren tot een staat, en zo’n staat kan dan weer voor bepaalde deelaspecten van dit bevoegdheidspakket verder associëren met andere staten. De burger komt dus terecht in een aantal concentrische gemeenschappen, van lokaal tot internationaal. Een ongewone, maar toch logische, gedachte luidt daarbij dat in dit netwerk van gemeenschappen heel goed overlappingen kunnen optreden. Het is bijvoorbeeld perfect mogelijk dat een gemeente inzake huisvuilophaling en -verwerking (en bijbehorende reglementen en tarieven) van een intercommunale deel uitmaakt, die de grenzen overschrijdt van de deelstaat waartoe die gemeente behoort.

De Zwitserse econoom Bruno Frey heeft dit concept van territoriaal overlappende verbanden (FOCJ’s: Functional, Overlapping and Competing Jurisdictions) theoretisch uitgewerkt. Een belangrijk idee is dat de gemeenten (en via de gemeente natuurlijk de gemeentenaren) hun situatie kunnen optimaliseren doordat ze steeds over de mogelijkheid beschikken om naar een beter functionerend samenwerkingsverband over te stappen. Frey verwerpt vanuit dit gezichtspunt ook een monolitisch Europa: er is geen enkele reden waarom een kandidaat-lidstaat meteen in alle opzichten moet aansluiten bij een massieve Unie. Het is in principe veel efficiënter (en uit democratisch opzicht veel meer bevredigend) indien lidstaten (of eventueel ook deelstaten) per bevoegdheidsdomein verschillend samengestelde clusters vormen.[4]

Een democratische samenlevingsstructuur vereist in dit verband, dat de kleinschaligere structuur (bv. de gemeente) in principe soeverein moet blijven ten opzichte van de ruimschaligere structuur (bv. een deelstaat of kanton). Deze soevereiniteit moet voor de gemeentenaren reëel zijn, wat impliceert dat de mogelijkheid moet bestaan om uit het ruimere samenwerkingsverband te treden. Er moet met andere woorden recht op secessie bestaan. Voor het individu betekent dit: recht op verhuizing naar een gemeente die aantrekkelijker lijkt. Voor territoriale eenheden als gemeentes betekent dit: recht op uittreding.

Het recht op uittreding weerspiegelt het recht van de soevereine gemeentenaren om zich samen een verband uit te zoeken dat het best met de democratisch tot uitdrukking gebrachte gemeenschapswil

overeenkomt. Indien een gemeente dit niet kan doen, dan is ze op een of andere manier bezet, onderworpen of geannexeerd, en is van democratie geen sprake. Met andere woorden: democratie en confederatieve staatsstructuur (inclusief mogelijkheid tot overlapping) vormen een conceptuele tweeling. Beide begrippen impliceren elkaar. De praktische uitvoerbaarheid ervan wordt bijvoorbeeld geïllustreerd in Californië, waar lokale bestuurlijke afscheuringen via directe democratie wettelijk toegelaten zijn. Een belangwekkend recent voorbeeld is het initiatief van San Fernando Valley, een voorstad van Los Angeles, om zich referendumsgewijs uit de agglomeratie los te maken.[5]

In een niet-democratisch bestel, zoals bijvoorbeeld België, is afscheiding doorgaans niet mogelijk. We hebben daar bijna altijd te doen met een machtselite die aan de niet-democratische staat is

verknocht, omdat ze precies via die staat haar macht uitoefent. Het is buitengewoon moeilijk om zich concreet voor te stellen hoe het conflict rond Leopold III zou zijn verlopen in een democratische context. Vooreerst staat het principe zelf van een erfelijk staatshoofdschap haaks op alle democratische idealen (en ook op de moderne opvatting dat mensen in principe als gelijkberechtigden worden geboren ­ in dat opzicht is royalisme niet beter dan bijvoorbeeld racisme). En verder kan men zich niet met enige zekerheid voorstellen hoe de geschiedenis zou zijn verlopen, indien België een bij die democratie horend confederaal verband tussen Vlaanderen en Wallonië zou hebben gekend. Misschien zou het land uit elkaar zijn gevallen, en zou Leopold III koning van Vlaanderen zijn geworden.

Misschien zou enkel in verband met het koningshuis een gescheiden regeling zijn getroffen, met Leopold III als Vlaamse koning en Boudewijn I als Waalse koning (met perspectief op hereniging van het koningshuis na het aftreden of overlijden van Leopold). Misschien zouden, in een democratische samenleving, de burgers gewoon het sop de kool niet waard hebben gevonden, en zou de hele kwestie nooit bovenop de politieke agenda zijn geraakt. We weten het niet, omdat de afstand tussen het democratische ideaal en de Belgische realiteit te groot is. Eén ding is echter wel duidelijk: voor de democraat, die vindt dat een staat er is voor zijn burgers (en niet omgekeerd), kan de koningskwestie nooit gelden als argument tegen de democratie.

 

Minderheden en democratie

Tegenstanders van (directe) democratie tonen zich altijd heel bezorgd over het lot dat minderheden te wachten staat indien het volk zelf over zijn lot zou kunnen beslissen. Die bezorgdheid impliceert

dat men gelooft in de morele superioriteit van de particratie boven die van de heffe des volks. De particratie vervolgt en vernedert in hun ogen alleen maar slechte minderheden (zoals bijvoorbeeld het Vlaams Blok, of de Duitstalige gemeenschap, of de antroposofen), terwijl het volk zelf ook wel eens goede minderheden zou kunnen bedreigen (zoals bijvoorbeeld het FDF, of de Franstalige gemeenschap, of de islamieten). Maar zelfs indien men de onbewezen opvatting afwijst dat de politieke klasse moreel superieur is aan de gemiddelde burger, dient men toch te erkennen dat het probleem van de minderheden analyse verdient. Niet omdat democratie voor minderheden bedreigender is dan particratie, maar wel omdat minorisering nu eenmaal betekent dat een aantal mensen moeten leven met maatregelen die ze niet hebben gewild.

Het probleem van de minderheden omvat twee facetten. Enerzijds is er het aspect van taal- en etnische minderheden. Anderzijds stelt zich het vraagstuk van de bescherming van levensbeschouwelijke en politieke minderheden.

Inzake etnische minderheden en taalminderheden is het probleem oplosbaar door consequente confederalisering. In België betekent dit dat taalminderheden, zoals de Franstalige in Vlaanderen, of de Duitstalige en Letzeburgstalige in Wallonië, zich gemeentewijs moeten kunnen afscheiden van de gemeenschap waarin ze nu zijn ingebed. Ik zie geen enkele reden waarom mensen moeten gedwongen worden om te leven in grotere staatsverbanden waarmee ze geen verbondenheid voelen. Men kan terecht opmerken dat territoriale invasie het karakter van een gemeentelijk territorium kan doen kantelen, zodat de voormalige bevolking plots zonder haar toestemming geminoriseerd wordt. De remedie hiervoor is echter gemeentelijk burgerschap, en verlening van burgerschap door de gemeentenaren aan kandidaat-gemeentenaren. Dit systeem bestaat in Zwitserland. Je kunt daar niet zomaar gemeentenaar worden door je in een gemeente te vestigen: je wordt actief in een gemeente opgenomen (of niet opgenomen) door de plaatselijke gemeenschap. Dit lijkt me de goede werkwijze te zijn.

Anderzijds moeten burgers steeds vrij zijn om, indien ze dat willen, bijvoorbeeld van taal te veranderen. En indien een meerderheid in een gemeente van taal verandert, en daarbij aansluitend naar een andere gemeenschap of kanton of wat dan ook wil overstappen, moet dit mogelijk zijn.

Overigens dient opgemerkt dat het niet steeds de minderheden zijn die moeten beschermd worden. Binnen het kader van de Belgische staat wordt een gigantische geldstroom ten nadele van de Vlaamse meerderheid en ten bate van de Franstalige minderheid in stand gehouden. Ondanks alle propaganda rond dit thema bestaat er geen historische verantwoording voor deze geldstroom: ook toen Vlaanderen armer was, betaalde het voor het Zuiden. Staten functioneren wel vaker als onderdrukkingsapparaat in handen van een minderheid (denk bijvoorbeeld aan het apartheidsregime in Zuid-Afrika). Wanneer de PS de opkomst van de democratie in Vlaanderen afblokt, dan is dat in eerste instantie om de uitbuiting van een meerderheid door een minderheid in stand te houden.[6]

Er zit echter nog een levensbeschouwelijke kant aan het minderhedenvraagstuk. Veel minderheidsproblemen worden veroorzaakt doordat de staat zich bemoeit met zaken die buiten zijn natuurlijke competentie vallen, en anderzijds ook domeinen verwaarloost die normaliter wel binnen de bevoegdheid van een moderne rechtsstaat thuishoren. De eerste zonde komt daarbij meer voor dan de tweede. Een goed voorbeeld is het onderwijs. Hoewel alle mogelijke zich-democraat-noemende particraten unaniem het probleem verzwijgen, worden onderwijsminderheden in ons land ernstig gediscrimineerd. We kunnen daarvan minstens twee voorbeelden geven. Zo worden Steinerscholen in diverse opzichten ernstig benadeeld. Zij moeten hogere leerlingennormen halen, niet alleen in vergelijking met gemeenschapsscholen, maar ook in vergelijking met katholieke scholen. Omdat het hier in de ogen van de politieke klasse en het journaille om een slechte minderheid gaat,[7] wordt hier natuurlijk niet over discriminatie gesproken.

Op een ander niveau is er de uitsluitingspolitiek tegenover thuislerende kinderen. Er zijn maar weinig politici die überhaupt beseffen dat vele gezinnen het lager en middelbaar onderwijs voor hun kinderen perfect zelf kunnen waarmaken, en dit op een veel efficiëntere manier dan staatsgesubsidieerd onderwijs.[8] De meerwaarde die deze gezinnen produceren wordt echter volledig door de staat in beslag genomen. Er zijn geen aanwijzingen dat staatsbemoeienis met het onderwijs zinnig of productief is. Onderwijs is het typevoorbeeld van een domein waar de staat niet actief hoort te zijn. De particratie wil het onderwijs echter steeds meer controleren omdat ze hier een hefboom vindt om het publiek in alle mogelijke opzichten op te voeden. Levensdomeinen waarin de individuele karakteristieken van mensen een doorslaggevende rol spelen, moeten niet bezet worden door de staat. Dit geldt met name voor het geestesleven. De staat moet afwachten wat een zelfstandig opererend geestesleven aan inzichten voortbrengt. Het is kenmerkend voor totalitaire regimes dat zij hun burgers willen vormen en opvoeden. In een democratie wordt uitgevoerd wat de gemeenschap van zelfstandig oordelende burgers goedvindt.

De Belgische staat heeft zich (zoals andere staten elders in Europa) gaandeweg ontwikkeld tot een ideologie-producerend gedrocht, met verregaande symbiose tussen openbaar ambt en politiek-correcte drukkingsgroepen. Steeds meer koninklijke commissarissen worden aangesteld om in allerhande opzichten de burgers te leren hoe en wat ze moeten denken. Al die instanties zijn volstrekt ongeloofwaardig, al worden ze door de pers van het regime hondstrouw als grote autoriteiten voorgesteld.

Op andere domeinen zou de rechtsstaat een rol moeten spelen, maar doet het niet. Zo zou de rechtsstaat bijvoorbeeld een kader moeten creëren waarbinnen het recht op arbeid daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dit recht op arbeid staat terecht in de grondwet, maar blijft dode letter. Het is hier niet de plaats om dit thema uit te diepen.[9]

Ontleding van de tegenargumenten

In alle Westerse landen, met inbegrip van België en Vlaanderen, spreken zeer grote meerderheden van de bevolking zich uit pro referendum. Bij de elite is het scepticisme echter veel groter, en hoe

dichter je bij het machtscentrum komt, hoe groter de afkeer wordt. Het probleem is dat de politieke klasse goed georganiseerd is en de media beheerst, terwijl de democratische voorkeur bij de

bevolking ongeorganiseerd is en daardoor zeer diffuus en halfbewust blijft en nauwelijks tot de politieke agenda doordringt.

Een klassiek argument tegen het referendum is dat niet iedereen gaat stemmen, dat vooral de lagere klassen thuisblijven, en dat bijgevolg de uitslag van een referendum niet echt de volkswil

weerspiegelt. Ook Velaers tapt uit dit vaatje: "Een opkomstplicht impliceert dat ook de weinig geïnteresseerde en weinig geïnformeerde burger moet deelnemen, zodat je het risico loopt dat de

irrationele en emotionele factoren van groot belang worden en misschien zelfs overheersen in de besluitvorming. Dit heeft natuurlijk ernstiger gevolgen dan een onbedachtzame stem bij verkiezingen, omdat de verkozenen nog steeds zelf hun verantwoordelijkheid moeten nemen en zij daarenboven binnen het kader van het parlementair systeem moeten opereren. Voorzie je daarentegen in een opkomstrecht, dan kunnen de politologen nu reeds zeggen dat het risico zeer reëel is dat je niet het oordeel van de hele bevolking verneemt. Met name zullen vrouwen en vooral laaggeschoolden ondervertegenwoordigd zijn. De uitslag van het referendum weerspiegelt dan niet de wil van de bevolking." (p.185).

Natuurlijk zal het profiel van de gemiddelde stemmer afwijken van het profiel van de gemiddelde burger. Maar bij een besluitvorming langs vertegenwoordigende weg zal dit verschil veel sterker zijn. Onlangs zijn enkele berichten in de pers verschenen over de manier waarop het gemiddelde parlementslid verschilt van de gemiddelde Belg of Vlaming. Kamervoorzitter Herman De Croo haalde in de komkommertijd de kranten met zijn bericht over de samenstelling van de Kamer. Van de 150 kamerleden behaalden er 100 een universitair diploma, en nog eens 36 een hogeschooldiploma. Er zijn 35 vrouwelijke kamerleden. Maar ook met vrouwelijke politici zit het nog mis: Slechts 71 % van de politicae is getrouwd of woont samen, en slechts 37 % heeft kinderen (cijfers voor de globale bevolking: 85 % resp. 60 %).[10] Er is ook een duidelijk kaste-effect aanwezig: een derde van de vrouwelijke politici zeggen dat ze werden voorafgegaan door andere politici in de familie, en wie de namenlijsten bekijkt van regerings- en parlementsleden (en medewerkers) kan niet naast de talrijke verwantschapsbanden kijken.

Natuurlijk weet iemand als Velaers dit ook. De juiste redeneerwijze zou erin bestaan om het profiel van de gemiddelde burger te vergelijken, enerzijds met het profiel van de gemiddelde

beroepspoliticus, en anderzijds met het profiel van de gemiddelde referendum-stemmer. Dat gebeurt vrijwel nooit; bijna altijd wendt men voor dat er bij representatieve besluitvorming geen vuiltje aan de lucht is, terwijl bij directe besluitvorming een levensgroot probleem opduikt. Vrijwel alle bezwaren die tegen directe democratie worden aangevoerd, vertonen dit kenmerk.

Maar het door Velaers geopperde bezwaar tegen directe democratie moet ook op een meer fundamenteel niveau beantwoord worden. Het kernprobleem in Velaers’ argument is niet dat hij de nadelen van de indirecte besluitvorming verzwijgt. Het kernprobleem is dat hij het mandaterend element bij de directe besluitvorming miskent.

Democratie gaat in essentie over wetgeving, over het maken van wetten. Wetten gelden per definitie op gelijke wijze voor alle leden van de rechtsgemeenschap. Dit elementair gegeven heeft belangrijke gevolgen voor het concept democratie. Het individuele lid van de gemeente kan zich immers niet onttrekken aan het toepassingsbereik van de wet door te stellen dat hij over die wet nooit heeft meegestemd. Wie kan meestemmen, en dit niet doet, wordt in een democratie dus noodzakelijkerwijs geacht om een wetgevend mandaat te verlenen aan diegenen die wél stemmen. Dit is een essentieel element van iedere democratie, dat logisch dwingend voortvloeit uit de universaliteit besloten in het concept wet. Een democratische gemeenschap dient dus aan al haar leden een gelijk en reëel recht toe te kennen om mee de wetten te maken, maar zij dient anderzijds ook van haar leden hetzij stemdeelneming hetzij mandatering te vragen.

Die mandatering kan echter niet op gedwongen wijze worden verkregen. Een mandaat wordt per definitie vrij gegeven; het is enkel authentiek indien de mandaatgever ook over de optie beschikt om niét te mandateren, doch zelf te beslissen. Daarom is de uitdrukking representatieve democratie even contradictorisch als het begrip vierkante cirkel. In een zogezegd representatieve democratie, waar dus niet het volk maar wel de Natie soeverein is, moéten de burgers mandateren. Zij moéten hun recht om democratisch mee te beslissen afstaan aan een verkozene, ook indien de allermeesten eigenlijk direct zouden willen beslissen. Welnu, een mandaat kan in principe enkel in vrijheid worden gegeven; een afgedwongen mandaat is géén mandaat. De burger bevindt zich in een representatieve democratie in dezelfde situatie als een slachtoffer die door vijf rovers wordt overvallen en die zelf mag kiezen aan wie van de vijf hij zijn portefeuille moet afgeven. Evenmin als de rover die daarbij de portefeuille in handen krijgt, kan beweren dat het slachtoffer vrijwillig zijn geld aan hem afstond, kan een partij die van een burger een stem kreeg, beweren dat die burger aan de partij een authentiek bestuursmandaat verleende. De mandatering moet vrij zijn, hetgeen impliceert dat burgers altijd de mogelijkheid moeten hebben om ook zelf direct te beslissen indien zij dit wensen. In een echte democratie gebeurt dit door steeds de mogelijkheid tot een beslissend referendum op volksinitiatief open te houden. Indien burgers willen dat over een bepaalde aangelegenheid direct wordt beslist, dan verzamelen ze daartoe een (eveneens democratisch vastgesteld) aantal handtekeningen onder een referendumaanvraag. Gebeurt dit niet, dan geschiedt de besluitvorming via de parlementaire verkozenen.

Bij directe besluitvorming vormt de verzameling van stemmende medeburgers dus een soort parlement ad hoc, dat beslist over de kwestie die ter stemming voorligt. Het direct besluitvormingsproces bestaat dus, net als het indirect besluitvormingsproces, uit twee fasen. In een eerste fase wordt het parlement samengesteld: de burger beslist of hij zelf mandataris wordt (door te gaan stemmen) ofwel mandateert (door thuis te blijven). In een tweede fase vindt dan de stemming over het eigenlijke onderwerp plaats.

Directe en indirecte besluitvorming verlopen in begripsmatig opzicht helemaal parallel. Met name zijn de deelnemers aan een referendum net zo goed als mandatarissen te beschouwen als de deelnemers aan een parlementaire stemming. Velaers: ,,Mark Elchardus schrijft: Sedert 1977 houdt het Zwitsers onderzoeksbureau voor politicologisch onderzoek (…) peilingen na referenda. Voor de periode tussen 1977 en 1990 tekende men een gemiddelde afwijking van 9 procentpunten op tussen de uitslag van referenda en die van de peilingen. Indien de peilingen correct zijn betekent dit dat een meerderheid van 58 % bij een referendum eigenlijk een minderheidsopinie kan zijn of dat een minderheid van 42 % eigenlijk een meerderheid kan zijn. De kans op vertekening bij lage opkomst is dus bijzonder groot. Zekerheid is in deze niet mogelijk omdat de steekproefpeilingen ook een foutenmarge hebben. Het lijkt echter heel plausibel bij participatieniveaus onder de 70 % en zeker onder de 60 % ernstige kansen op vertekening te vermoeden. Is dit geen verontrustende vaststelling? Rijzen er bij degenen die schermen met de wil van het volk geen vragen, als ze dit lezen?” (pp.185-186).

De auteur zou, om eerlijk te zijn, ook moeten nagaan in hoeverre de besluitvorming in het parlement afwijkt van de volkswil. Die afwijking kan spectaculair zijn. Het is bijvoorbeeld bekend dat de meeste Duitse en Nederlandse burgers hun eigen munt niet wilden inruilen tegen de Euro, maar ze hebben geen kans gekregen om zich uit te spreken. In Vlaanderen is 70 % van de burgers voorstander van de invoering van het referendum, maar de politieke klasse blijft ze ­ ondanks alle beloftes en regeringsverklaringen ­monddood houden. In Duitsland is het percentage voorstanders van directe democratie volgens de laatste peilingen reeds opgelopen tot 80 %, maar de Bundestag heeft alweer geweigerd om de nodige Grondwetsherziening door te voeren. De ideologen van het particratisch systeem passen gewoon een andere logica toe wanneer het gaat over representatieve democratie: niet alleen wordt de afwezigheid van volksoevereiniteit als normaal voorgesteld, men zal juist de politici toejuichen die de moed hebben om onpopulaire beslissingen door te drukken.

Op sommige punten neemt de hantering van dubbele maatstaven een burleske vorm aan. Velaers schrijft bijvoorbeeld: "Wanneer vormen van rechtstreekse democratie mogelijk worden, zal het er op aankomen te verhinderen dat het democratisch spel wordt vervalst door een overwicht van de financieel-economische machten." (p.189). Alsof er in het huidige systeem geen vuiltje aan de lucht is!

Luister eens hoe Karel Van Miert uit de biecht klapt: "De Société Générale is lange tijd een staat in de staat geweest. Ik herinner me nog een dramatisch moment tijdens de regeringsonderhandelingen.

Willockx had zich als een jonge hond laten ontvallen dat het zo stilaan tijd werd om ook eens wat belastingen te heffen op de winsten van Electrabel. Gevolg: binnen de kortste keren zat aan de

onderhandelingstafel een mannetje van Electrabel naast formateur Vanden Boeynants. Dat ging zelfs André Cools, toch een man die van geen kleintje vervaard was, te ver. Cools heeft die Electrabeljongen letterlijk buitengegooid. En dan moet je weten dat Electrabel sowieso al gebruik kon maken van stevige handlangers in een aantal partijen. Hoe dan ook, een belastingsheffing op Electrabel kon niet. Het kroonjuweel van de Generale liet zich niet dwingen. Pas jaren later en dan nog heel voorzichtig heeft dat bedrijf zich gevoegd naar het algemeen geldende fiscale regime voor ondernemingen. Wat een man als Albert Frère allemaal voor elkaar heeft gekregen, is ook niet niks. Frère had de hele Waalse politiek in zijn zak. En de minister van economische zaken, ja. De sanering van de staalsector was van een kapitalistische brutaliteit: de overheid draaide op voor de schulden, de winsten bleven in de privé-sector.”[11] Waar blijft Velaers nu met zijn stelling dat referenda gevaar lopen te worden vervalst door een overwicht van de financieel-economische machten!

De waarheid is dat economische machten nooit vragende partij zijn geweest inzake directe democratie, om de simpele reden dat een handvol mensen gemakkelijker kunnen omgekocht of onder druk gezet worden dan een hele bevolking. De minister van economische zaken, die zich volgens Van Miert dus in de zak van Albert Frère bevond, was niemand minder dan zijn partijgenoot Willy Claes, een notoir tegenstander van directe democratie: "Ik ben altijd tegen het referendum geweest. Het referendum is een gevaarlijke procedure. Het is door het referendum dat men decennia lang in Zwitserland het stemrecht aan vrouwen heeft onthouden. En stel u voor dat bij een referendum in België Vlaanderen ja stemt en Wallonië neen. Dan zouden we pas met een probleem zitten." [12]

Economische machten bedreigen alle democratische besluitvormingskanalen (een punt waarop ik verder nog even terugkom); het is misleidend om het bestaan van die bedreiging selectief als argument tegen direct-democratische besluitvorming aan te wenden.

 

Een overweging tot besluit

Volgens de particratische ideologie leven wij in een democratie, en is dictatuur het tegenovergestelde van democratie. Volgens mij is de polariteit democratie-dictatuur ontoereikend om de politieke regimes in dit tijdsgewricht treffend te beschrijven. We moeten uitgaan van een drievoudig concept: dictatuur, particratie en democratie.

Een dictatuur kunnen we vergelijken met een gevangenis, en een democratie kunnen we vergelijken met het huis van vrije bewoners. Het essentieel verschil tussen de twee schuilt hem in het bezit van de sleutel, in casu de wetgevende macht. In de gevangenis heeft de cipier de sleutel; in een vrij huis beschikken de bewoners zelf over de sleutel. Een particratie kunnen we vergelijken met een

gevangenis, waarin de gedetineerden zelf hun cipier kunnen kiezen. Daardoor kunnen de gedetineerden, hoewel onvrij en onderworpen, in zeer relevante mate hun lot ten gunste beïnvloeden. Maar vrij zijn ze niet.

België is geen dictatuur en evenmin een democratie. België is een particratie. Hoe kunnen we een particratie hertimmeren tot een democratie? De eerste voorwaarde is de invoering van het beslissend referendum op volksinitiatief, op alle niveau’s en over alle onderwerpen, zonder uitzondering. Door deze maatregel wordt de volkssoevereiniteit structureel ingevoerd en de huichelachtige soevereiniteit van de Natie afgeschaft. De invoering van het beslissend referendum op volksinitiatief is de brug over de kloof die de particratie scheidt van de democratie. Niet alleen krijgt het volk de soevereiniteit waarop het recht heeft, bovendien wordt ook de particratische uitsluiting van willekeurig geselecteerde politieke minderheden een heel stuk moeilijker. Prof. Velaers ziet dit blijkbaar ook wel in, maar hij schijnt de terugdringing van de particratische praktijken een nadeel te vinden: "Steeds weer is het referendum in Zwitserland gebruikt om als het ware de niet-parlementaire oppositie toe te staan het federaal gevoerde beleid uit te dagen. Dit heeft een fundamentele invloed gehad op de wijze waarop in Zwitserland politiek wordt bedreven. Politicologen beklemtonen dat de huidige zgn. Konkordanz-Demokratie, waarbij alle belangrijke politieke partijen deelnemen aan de macht in een soort Direktorium, mede het gevolg is van het frequent gebruik van referenda. Het is een boeiend historisch verhaal, waarvan de kern is dat oppositiepartijen in het verleden er steeds weer in slaagden het politieke leven door volksinitiatieven of referenda te verlammen en te torpederen. Zij gingen de politieke agenda bepalen. Uiteindelijk werd het verkieslijk bevonden ze maar mee in de boot te nemen.Vandaar de

Konkordanz-Demokratie. Nog steeds wordt het referendum gebruikt om degenen die niet aan de macht zijn toe te laten nieuwe thema’s op de politieke agenda te plaatsen. De groenen, de auto-partij en de anti-vreemdelingenpartij maken hier gretig gebruik van.” (p.192).

Voor Velaers is de machteloosheid van een uitgesloten oppositie blijkbaar een waarde op zich. Het kan echter niet genoeg herhaald worden: de praktijk om, na de verkiezingen, een parlement of

gemeenteraad te verdelen in een meerderheid en een oppositie heeft niets, maar dan ook niets met democratie te maken. De leden van een meerderheid hebben geen enkele bijzondere mandatering van de kiezer die hen toelaat om zwaarder op de besluitvorming te wegen dan de leden van de oppositie. De opsplitsing van de verkozenen in twee of meer groepen is een particratisch wangedrocht en zolang die praktijk blijft bestaan, kan er geen sprake zijn van democratie in enige reële zin van het woord. Er is maar één remedie: de invoering van het veralgemeend stemgeheim voor verkozenen.

De verdedigers van het huidige particratische systeem zullen hiertegen verbeten weerstand voeren. De politieke klasse beschouwt de isolatie en de vernedering van een oppositie als doodnormaal, en het specifieke geval van het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok wordt door de politiek-correcten zelfs als "ethisch" bestempeld.[13] In werkelijkheid heeft de opdeling van verkozenen in een meerderheid en een minderheid niets met democratie, nog minder met ethiek, en alles met particratie te maken. De kiezers hebben geen enkele invloed op de coalitievorming. Er bestaat geen enkele democratische verantwoording voor de revolterende praktijk waarbij na de verkiezingen de verkozenen van bepaalde partijen buiten spel worden gezet. Verkozenen moeten als individuen, naar eer en geweten, kunnen oordelen en stemmen, en dat kan alleen zonder pottenkijkers. Net zoals in de 19de eeuw de arbeider of de pachter bij het stemmen moest beschermd worden tegen de controlerende blik van patroon, pastoor of baron, zo moet nu het parlements-of gemeenteraadslid worden beschermd tegen de controlerende blik van de partijtop. Niet alleen gaan we dan kwalitatief een veel menselijkere (want meer naar eer en geweten genomen) besluitvorming krijgen, we zullen ook afkomen van de particratische praktijk waarbij ieder college van verkozenen door de partijtenoren in een oppermachtige meerderheid en een machteloze oppositie wordt verdeeld. Die verdeling komt erop neer dat de stemmen van een zeker deel van de burgers door de particratie vernietigd worden. Dat moet ophouden. Zoals Velaers opmerkt, doorkruist directe democratie deze praktijk reeds in grote mate, omdat oppositiepartijen steeds referenda kunnen lanceren over onderwerpen waarvoor de meerderheid tegen de volkswil ingaat. Maar de individuele verkozenen blijven dan nog steeds onder controle staan van hun partijhoofdkwartier. Om die controle uit te schakelen moeten zij geheim kunnen stemmen.

Een tweede broodnodige democratische hervorming betreft de confederatieve structuur van de staat. De staat dient zodanig te worden ingericht dat de burger de hoogste autoriteit vormt, die via zijn recht tot deelname aan alle directe en indirecte stemmingen voogdijschap uitoefent over alle staatsorganen. Op dezelfde manier dienen gemeenten soeverein te zijn ten opzichte van deelstaten, staten en nog ruimere verbanden. Het zijn de gemeenten die voogdijschap moeten uitoefenen over de nationale staat, en niet omgekeerd. Het meer kleinschalige niveau dient hiërarchisch het hoogst te staan, hetgeen zich in concreto dient uit te drukken in het uittredings- of secessierecht en in een gemeentelijk burgerschap.

En tenslotte wens ik ook te pleiten voor de organisatie van een publiek openbaar forum. Velaers heeft gelijk wanneer hij wijst op de vertekening die economische machten kunnen teweegbrengen in een referendumproces. Er is over dat onderwerp nogal wat onderzoek gepleegd en de conclusie blijkt te zijn dat je met geld langs direct-democratische weg doorgaans geen besluit kunt doordrukken, maar dat het wel vaak lukt om niet-gewenste besluiten te blokkeren. Zoals hierboven betoogd, geldt die invloed van het geld veel sterker voor besluiten die langs representatieve weg tot stand komen. Overigens moet niet alleen de invloed van economische, maar ook de invloed van politieke macht aangeklaagd worden. De politieke klasse in België is daar een frappant voorbeeld van: via een 5 % drempel wil ze de opkomst van nieuwe partijen afblokken; de openbare omroepen worden schaamteloos omgesmeed tot politiek-correcte propagandazenders, enz. De verhouding tussen de politieke klasse en de economische macht gelijkt daarbij op de verhouding tussen een heremietkreeft en de op zijn schelp levende anemoon; de anemoon verdedigt de kreeft, de kreeft bevoorraadt de anemoon ­ en het is de kreeft die bepaalt welke weg wordt ingeslagen. Om de greep van de machthebbers op het debat af te bouwen, denk ik dat de oprichting onafwendbaar is van authentiek vrije media waarbinnen het maatschappelijk debat kan plaatsvinden.

De eerste sleutel tot de democratie blijft niettemin de implementatie van de volkssoevereiniteit, via de invoering van het universeel en bindend referendum op volksinitiatief. Eerst moet het

referendumrecht worden ingevoerd. Alle andere fundamentele hervormingen richting democratie zouden dan via dit direct-democratische kanaal moeten gerealiseerd worden. De werkelijkheid is immers dat democratische instellingen maar kunnen functioneren in de mate dat ze bewust door de burgers worden gewild. En alleen de werkelijkheid telt.

(Uitpers, nr. 56, 6de jg., september 2004)

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op http://www.wit-be.org/publicaties/artikel/44.html en verscheen ook in Secessie, zie http://secessie.nu/ )

Voetnoten:

1 F. Fleerackers (ed.), De Re Ferenda ­ Een meta-juridische conflictanalyse van het referendum,

Larcier, Gent, 2001, 230 pp., 66,00 .

Het boek bevat bijdragen van de professoren J. Billiet, B. Bouckaert, K. Deschouwer, F. Fleerackers, R. Foqué, M. Van Den Wijngaert en J. Velaers.

2 Meer informatie over burgerinitiatieven en referenda is te vinden in mijn bijdrage ,,Directe democratie: wat, waar en hoe,” Secessie, jan-maart 2001, pp. 18-24.

3 http://c2d.unige.ch/int/voteres.php?entit=17&vote=115&lang=

4 http://www.bsfrey.ch

http://www.iew.unizh.ch/wp/iewwp056.pdf

5 Over de efficiëntie van een gedecentraliseerd bestuur, zie ondermeer het werk van Elinor Ostrom.

http://www.apsanet.org/PS/march00/ostrom.cfm

6 Over de geldstroom van Vlaanderen naar Wallonië in de 19de eeuw vond ik het artikel van

prof. J. Hannes, ,,De prijs van België was altijd hoog,”Secessie, jan.-maart 2001, pp. 25-37, heel verhelderend.

7 De antroposofen stonden op de parlementaire sektenlijst. Wie bij het Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties informatie over antroposofen opvraagt, krijgt laster

toegestuurd. In Wallonië werd door de overheid (Franse Gemeenschap) via foldertjes tegen hen gewaarschuwd.

8 Over thuisonderwijs zie: H.Blok, De effectiviteit van thuisonderwijs: een overzicht van onderzoeksresultaten.

http://www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl/pdf/effectiviteit.pdf

9 Men kan hierover meer lezen in mijn bijdrage ,,Wij worden door de partijen langzaam uitgeroeid”

Klaas, jg. 9, nr. 22 (Graaf van Hoornestraat 51, 2000 Antwerpen). Ook gepubliceerd in Peper & Zout, juli-aug. 2002, pp. 3-6 (Lemméstraat 3, 2018 Antwerpen).

10 De Morgen, 1 en 7 augustus 2002.

11 Humo, 23 januari 2001.

12 Willy Claes in het BRTN-journaal van 4 oktober 1992 (geciteerd in W. Dewachter, Besluitvorming in politiek België, Acco, 1992, p.66)

13 Zie bijvoorbeeld het editoriaal van De Morgen, 30 juli 2002.

(Visited 1 times, 1 visits today)
Deel dit artikel

Visited 50 Times, 1 Visit today

Tags :

zie ook