Het recht van de rijkste

John Vandaele. Het recht van de rijkste. Hebben andersglobalisten gelijk? Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 2005, 342 blz.

Internationale instellingen winnen alsmaar aan belang. De globalisering heeft de wereld kleiner gemaakt. Internationale instellingen moeten officieel de politieke, economische en culturele relaties stroomlijnen. In werkelijkheid weerspiegelen ze dikwijls de machtsbelangen van naties en ondernemingen. Ze opereren schijnbaar onzichtbaar, maar het beleid dat ze uittekenen raakt ons allen diep.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat er in het Nederlandstalige taalgebied zo weinig aandacht naar toe gaat. Het moet al een belangrijke topbijeenkomst zijn, liefst met bijhorend andersglobalistisch protest, vooraleer onze pers in de pen kruipt. Ook in de boekenwereld ontbreekt het al een tijd aan een degelijk en kritisch overzicht van de werking van internationale instellingen. Het boek Het recht van de rijkste van John Vandaele komt dus niets te vroeg. De auteur is journalist bij het maandblad MO*. Hij bouwt zijn boek op rond drie vragen van internationaal bestuur. Er is de vraag naar de machtsverhoudingen tussen de regeringen, die tenslotte aan de basis liggen van het functioneren van veel instellingen. Een tweede vraag draait rond het democratische gehalte van internationale instellingen: wie beslist en wie controleert? Hoe transparant is de werking? Enz. Vervolgens wil de auteur weten hoe groot of hoe klein de reële macht van elke internationale instelling is?

John Vandaele ruimt telkens een hoofdstuk in voor de bespreking van zo’n internationale club, met achtereenvolgens de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het International Monetair Fonds (IMF), de Multilaterale Milieuakkoorden (MMA’s, waarvoor niet echt een aparte instelling bestaat) en de Verenigde Naties (VN). De Wereldbank ontbreekt in dit rijtje, maar dat verantwoordt de auteur door te stellen dat de machtsuitoefening en machtsverdeling van beide instellingen gelijklopend zijn.

Een analyse van de waarden en vooral macht van deze instellingen geeft meteen ook een beeld van het relatieve gewicht van het financieel-economische beleid (IMF en WTO), het sociale beleid (IAO), het milieubeleid (MMA’s) en het politieke beleid (VN, hoewel deze instelling zich op tal van terreinen beweegt en enigszins corrigerend werkt ten aanzien van de zeer neoliberale politiek van IMF en WTO). Het moet gezegd. John Vandaele kent zijn vak als journalist. Hij schrijft niet alleen helder en zeer toegankelijk, maar ook boeiend, wat geen evidentie is bij dit onderwerp. Hij fleurt zijn teksten op met interviews en illustreert met interessante voorbeelden.

Rode draad doorheen het boek is dat de macht van internationale instellingen omgekeerd evenredig is met hun democratisch gehalte. De WTO is daar een voorbeeld van. De instelling weegt in groeiende mate op het internationaal (handels)beleid en alles wat daar bij hoort (landbouw, milieu, investeringen, industriële ontwikkeling,….). De feitelijke beslissingsmacht ligt bij de grote economische blokken. Er mag dan wel bij consensus worden beslist, dat betekent niet dat alle landen hun zeg hebben (wie geen formeel bezwaar aantekent is voor). De EU en VS zoeken veelal eerst onderling naar een oplossing en schotelen die dan voor aan de andere lidstaten. Het is pas later dat ontwikkelingslanden zich beter zijn gaan organiseren en op de rem durven staan (men spreekt dan al gauw van een ‘mislukking’ van de top). De manier waarop de EU onderhandelt binnen de WTO kan al evenmin bezwaarlijk transparant en democratisch worden genoemd. Het wat mysterieuze maar erg belangrijke comité 133, waarin de vertegenwoordigers van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Handel of Landbouw zetelen, geeft niet gemakkelijk documenten vrij met o.m. de ingenomen onderhandelingspositie. In de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties mag het er al democratischer aan toegaan, dat orgaan heeft dan weer zo goed als geen macht (enkel morele macht). In de Veiligheidsraad van de VN, nog samengesteld op basis van verouderde internationale machtsconstellaties, hebben de grote landen dan weer een permanent zitje met vetorecht. Daar kunnen beslissingen gevolgd worden door dwingende maatregelen. John Vandaele besluit dan ook dat hoe meer macht instellingen bezitten hoe kleiner hun democratisch functioneren is. Verder is het volgens hem duidelijk dat de VS niet echt geïnteresseerd zijn in een internationale rechtsorde, laat staan een democratische. De EU staat wel achter een multilaterale rechtsorde, hoewel dat niet altijd eenduidig is. Binnen de WTO “gaat de EU tot nu toe even hard voor haar eigen belang als de VS” aldus de Auteur. Qua waarden loopt het belang parallel met de machtsorde van internationale instellingen. Milieu- en sociale regels moeten het afleggen tegenover de neoliberale handelspolitiek.

“John Vandaele houdt niet van TINA – There Is No Alternative” zoals Rik Coolsaet het in de inleiding van het boek stelt. Hij gelooft sterk in een noodzakelijke tegenbeweging die er uiteindelijk toe zal leiden dat de democratische krachten meer terrein winnen. Dat vergt echter een grotere belangstelling van parlementen en media met een grotere erkenning van de NGO-rol.

(Uitpers, nr. 71, 7de jg., januari 2006)

Over Ludo De Brabander

Ik ben redactielid en medeoprichter van Uitpers. Je kan me ook vinden als woordvoerder van Vrede vzw. De meeste van mijn geschreven bijdrages gaan over militarisme en conflict (NAVO, bewapening, wapenhandel, militaire interventies,...) en de regio van het Midden-Oosten. Ik ben co-auteur van 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009) en auteur van 'Oorlog zonder Grenzen' (EPO, 2016), 'Het Koerdisch Utopia' (EPO, 2018) en 'Weg van Oorlog. Over militarisme en antimilitarisme' (EPO, 2019).