Het onverwerkte verleden van Israël

Lander Corluy, De strijd om het geheugen van Israël. De New Historians en het Israëlisch-Palestijns conflict, Uitgeverij ACCO, Leuven, 2003, 221 blz., 23,80 euro.

Toen de Amerikaanse president George W. Bush en de Britse premier Anthony Blair de spierballen begonnen te rollen en de oorlog tegen Irak onafwendbaar werd, kwam het in Israël tot een merkwaardig, maar schokkend debat. Het werd gevoerd in de hoogste politieke en academische kringen.

De Israëlische historicus en militaire deskundige, Martin van Creveld – geen onbekende in de Nederlandse mediawereld – schreef op 28 april 2002 een verhelderend stuk in de Britse zondagskrant ‘The Sunday Telegraph’. Van Creveld is verbonden aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. In zijn artikel in de befaamde Britse zondagskrant had hij het over "de transfer van de Palestijnen". De term wordt in Israël nog steeds gebruikt, net zoals in 1948, om de massale verdrijving van de Palestijnse autochtone bevolking te omschrijven.

Martin van Creveld voorspelde dat het Israëlische leger van een Amerikaans-Britse invasie in Irak zou gebruik maken om de Palestijnen uit de bezette gebieden massaal de grens over te drijven. Hij beschreef zelfs tot in de kleinste details hoe en met hoeveel legerbrigaden en luchtmachteskadrons het Israëlische leger deze klus zou klaren. Hij kon op dat ogenblik niet vermoeden dat de Amerikaanse regering hiervoor geen toestemming zou geven. De Amerikanen wisten dat ze in Irak meer dan hun handen vol zouden hebben. Dat van Creveld dit over het hoofd zag, was verwonderlijk voor een militaire expert van zijn kaliber. De Amerikanen hadden de Israëli’s tijdens de Golfoorlog in 1991 ook verplicht de grootste "terughoudendheid" in acht te nemen. Israël mocht zich toen onder geen beding (zelfs niet na de Iraakse SCUD-beschietingen tegen zijn grondgebied) in de vijandelijkheden mengen.

Het artikel van Martin van Creveld was in ieder geval tekenend voor het politiek klimaat in Israël, waar sinds het begin van de tweede Intifada in 2000 opnieuw openlijk gedebatteerd wordt over een nieuwe verdrijving van de Palestijnen.

"Transfer" van Palestijnen

Ook de gezaghebbende "new historian", Benny Morris, mengde zich in de discussie. Op 3 oktober 2002 publiceerde hij in de Britse krant "The Guardian’ een artikel met de kop "A new Exodus for the Middle East?". Morris voerde aan dat in 1948 de troepen van de toekomstige staat Israël een massale verdrijving van de Palestijnen hadden kunnen doorvoeren, omdat de Britten en sommige Arabische leiders op voorhand met deze operatie hadden ingestemd. Morris besloot met volgende bespiegeling over de toenmalige zionistische leider en stichter van de staat Israël, Ben Goerion. "Hij zou vandaag wellicht zijn terughoudendheid van toen betreuren. Als Ben Goerion een volledige – en niet gedeeltelijke – transfer had verwezenlijkt in 1948, dan zou het Midden-Oosten van vandaag een heel wat gezondere en minder gevaarlijke plek zijn, met een joodse staat tussen de Jordaan en de Middellandse Zee en een Palestijns-Arabische staat in Transjordanië."

Het cynisme en de perversie van zo’n uitspraak slaat ieder weldenkend mens met verstomming. Stel even dat een Arabische collega-historicus van Benny Morris zou schrijven: "Als de nazi’s in Europa een volledige – en niet gedeeltelijke – uitroeiing van de joden hadden verwezenlijkt, dan hadden de Arabieren nooit het probleem van de staat Israël ervaren."

De terechte verontwaardiging en het protest zou maandenlang aanhouden in de Israëlische, Europese en Amerikaanse media en academische kringen.

Ook de uitspraak van Benny Morris zegt veel over het huidige politieke klimaat in Israël. Het zegt echter ook veel over het fenomeen "new historians".

 

Geschiedschrijving en nationale identiteit

Deze groep van Israëlische en joodse geschiedschrijvers is allesbehalve een homogene club. Mensen als Benny Morris verschillen totaal van andere nieuwe historici als Ilan Pappé, Tom Segev of Avi Shlaim.

De jonge Vlaamse historicus en moraalfilosoof, Lander Corluy, publiceerde enkele maanden geleden een zeer verdienstelijk boek over de "new historians". In "De strijd om het geheugen van Israël. De New Historians en het Israëlisch-Palestijnse conflict" beschrijft hij het ontstaan van deze belangrijke groep historici. En vooral, hij maakt hun werk toegankelijk voor het Nederlandstalige publiek.

Geschiedschrijving is het instrument bij uitstek voor de vorming van het collectieve geheugen en de nationale identiteit van een land of een maatschappij. In Israël, stelt Corluy, is dit meer dan elders het geval.

"De geschiedschrijving dient als een vorm van legitimering voor de in het verleden gestelde daden," aldus de auteur. "De geschiedschrijving wordt steeds opnieuw door de zionistische leiders en academici ingezet om de legitimiteit van het zionisme en de staat Israël te benadrukken. Daarnaast is er ook het feit dat er 50 jaar geleden, bij het ontstaan van de joodse staat Israël, niet zoiets bestond als een Israëlische identiteit. Bij de creatie van deze nationale identiteit hebben de zionistische historici steeds een zeer prominente rol gespeeld. De historici werden ingezet om de zogenaamde herwonnen grondvesten van de Israëlische identiteit levendig te houden en indien mogelijk zelfs van een betere fundering te voorzien."

Decennia lang was de scheidslijn tussen geschiedschrijving en zionistische propaganda flinterdun. Die dominante positie van de zionisten in de Israëlische geschiedschrijving begon te wankelen met de komst van de "new historians" in de tweede helft van de jaren ’80. Historici als Benny Morris, Ilan Pappé, Avi Shlaim wierpen zich op de ontstaansgeschiedenis van de staat Israël en kwamen tot de vaststelling (die door de officiële Israëlische geschiedschrijving tot dan straal werd ontkend) dat de joodse staat het resultaat was van een gigantische etnische zuivering tegen de Palestijnen. Zij deden dat op basis van bronnenmateriaal, dat voor Palestijnse of Arabische historici niet toegankelijk was. Maar in grote lijnen kwamen ze tot dezelfde besluiten als hun Arabische confraters.

De discussie tussen de zionistische geschiedschrijvers en de "new historians" is voor Lander Corluy "niet buitengewoon". "Het is een normale wetenschappelijke evolutie". "Revisionisme," schrijft hij, "betekent dat eerdere ideeën door nieuwe geschriften onder druk komen te staan en herzien dienen te worden. Men heeft hier dus te maken met een "meester-narratief" dat bevraagd wordt door een "tegen-narratief". Dit tegen-narratief brengt nieuwe gegevens aan die niet ingepast kunnen worden in het meester-narratief en die in zulke mate hiermee in botsing komen dat een herziening van de historische juistheid en dus de waarde van het meester-narratief zich opdringt."

Dit is geen typisch Israëlisch fenomeen. Lander Corluy trekt parallellen met het debat onder Amerikaanse historici over de oorsprong van de Koude Oorlog of de "Historikerstreit" in Duitsland over het antisemitisme en de vervolging en uitroeiing van de joden.

Zionistische mythen

Lander Corluy geeft een beknopt, maar zeer degelijk overzicht van het werk en de thema’s die de new historians hebben behandeld. De opkomst van de generatie van new historians plaatst hij in de ruimere context van de Israëlische natievorming, de politiek en de ideologie van het zionisme, het joods-Israëlische identiteitsprobleem en de "eigenheid" van de joodse staat. Zonder die context is het moeilijk het fenomeen van de new historians te duiden en historisch te plaatsen.

Avi Shlaim, Simha Flapan en Ilan Pappé hebben in hun historisch onderzoek veel aandacht besteed aan één van de hardnekkigste mythen van de zionistische propaganda en geschiedschrijving: in 1947-1948 speelde er zich in het Britse mandaatgebied Palestina een heldhaftige strijd af tussen David (de zionistische beweging) en Goliath (een overmacht van Arabische legers). Net zoals hun Arabische en Palestijnse confraters, decennia voordien, maken deze new historians door de studie van nieuwe bronnen brandhout van deze mythe.

De new historians Benny Morris, Ilan Pappé, Avi Shlaim en Simha Flapan wijdden baanbrekend werk aan een tweede hardnekkige mythe van de zionistische propaganda en geschiedschrijving: de oorsprong van de Palestijnse vluchtelingenstroom in 1947-1948. Volgens de officiële geschiedschrijving waren de Palestijnen toen niet het slachtoffer van een doelbewuste, politiek geplande en met militaire middelen uitgevoerde etnische zuiveringscampagne. Die etnische zuivering ging gepaard met een orgie van blind geweld, terreur, de systematische vernietiging van Palestijnse dorpen en de ontvolking van belangrijke Palestijnse steden. In de officiële zionistische geschiedschrijving zijn de Palestijnen net voor de oprichting van de staat Israël op 15 mei 1948 "vrijwillig" vertrokken. Meer nog, ze deden dat op aanraden van hun leiders en die van de Arabische buurlanden. Palestijnse historici zoals Walid en Rashid Khalidi of Nur Massalha hebben deze periode uitvoerig In hun werk beschreven en de zionistische versie van de feiten glashelder weerlegd. Op basis van bronnenmateriaal, dat voor Palestijnse wetenschappers ontoegankelijk was, komen de new historians nagenoeg tot dezelfde bevindingen dan hun Palestijnse collega’s.

Voor Lander Corluy hebben de new historians nog een derde belangrijke zionistische mythe op losse schroeven gezet: Israël als een moreel superieur en vredelievend land.

Tom Segev beschreef de rol van de zionistische beweging tijdens de holocaust (1) en het politieke misbruik dat het zionisme heeft gemaakt van de joodse slachtoffers van het nazisme. Segev onderzocht de rol van de zionistische leiders tijdens de oorlogsjaren, toen de vernietigingskampen van de nazi’s op volle toeren draaiden. De centrale stelling in Segevs werk is dat de zionisten nooit de intentie hebben gehad om zo veel mogelijk joden uit de klauwen van de nazi’s te redden. Zij gingen zeer selectief te werk bij de verdediging van de joden in Europa en gingen zelfs over tot openlijke samenwerking met het Hitlerregime.

Ilan Pappé en Avi Shlaim doorprikken dan weer de mythe van het vredelievende Israël. Zij tonen aan dat het op de eerste plaats de verantwoordelijkheid is geweest van de Israëlische leiders dat er na de opeenvolgende oorlogen met de Arabische buurlanden nooit vredesonderhandelingen zijn aangevat.

Ideologische verschillen

In "De strijd om het geheugen van Israël" toont Lander Corluy aan dat de new historians geen homogene wetenschappelijke stroming vormen. Er loopt een duidelijke ideologische scheidingslijn door deze beweging. Aan de ene kant zijn er de postzionisten Ilan Pappé, Avi Shlaim en anderen. Uit hun historisch onderzoek komen zij tot de vaststelling dat er in het korte bestaan van de staat Israël te veel gruweldaden zijn verricht in naam van het zionisme. Zij gaan ervan uit dat het zionisme als staatsideologie moet vervangen worden door een ideologie en een politiek bestel, die de joden in Israël niet langer een aparte en bevoorrechte status verlenen. Israël moet de staat van al zijn burgers worden. En al die burgers zijn gelijk voor de wet. Volgens deze new historians is een vreedzame oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten mogelijk als de Israëli’s bereid zijn hun zionistische staatsideologie op te geven. Daartegenover staat een figuur als Benny Morris, die het zionisme en zijn leiders steevast naar waarde blijft schatten en in bescherming neemt.

Dat komt het duidelijkst tot uiting in de polemiek tussen Benny Morris aan de ene kant en Norman Finkelstein en de Palestijnse historicus Nur Masalha aan de andere kant. Lander Corluy besteedt ruime aandacht aan dit debat, dat in wezen rond deze kernvraag draait: hadden de zionistische leiders een goed voorbereid plan (het beruchte plan Dalet) om de Palestijnen massaal uit hun dorpen en steden te verdrijven en meer dan 400 Palestijnse dorpen met de grond gelijk te maken?

Finkelstein en Masalha beantwoorden deze vraag positief. Voor hen ging het om een goed geplande en een door de zionistische ideologie geïnspireerde militaire operatie. De verdrijving van de Palestijnen was een doelbewuste etnische zuivering. Zij verwijten Benny Morris op een heel eenzijdige wetenschappelijke methode te steunen om het tegendeel te bewijzen. Morris beroept zich alleen op geschreven bronnen (en alleen joodse, nooit Arabische). Aangezien Morris nooit een geschreven versie van het plan Dalet heeft gevonden in de Israëlische archieven, was er van een bewuste militaire operatie om de Palestijnen te verdrijven absoluut geen sprake. In zijn omvangrijk wetenschappelijk oeuvre heeft Nur Masalha daarentegen aangetoond dat er al in de jaren dertig concrete plannen bestonden van de zionisten om de Palestijnen uit het land te verjagen "als de tijd er rijp voor was".

Ondanks duidelijke ideologische verschillen tussen postzionistische en zionistische new historians, acht Lander Corluy hun werk van onschatbare waarde. "Zij en hun Palestijnse collega’s moeten zo veel mogelijk aan het woord komen. De new historians kunnen een bijdrage leveren tot de zo noodzakelijke nuancering van het hele Midden-Oostendiscours in de hoop dat beide partijen de mens achter de vijand gaan zien en begrip kunnen leren opbrengen voor de aspiraties van de andere groep. Pas wanneer er wederzijds begrip is in plaats van angst en haat, zal het mogelijk zijn een voor allen aanvaardbare oplossing te vinden voor het reeds meer dan vijftig jaar aanslepende bloedige conflict," zo luidt zijn besluit.

"De strijd om het geheugen van Israël" is een aanrader, precies omdat het de wortels van het Israëlisch-Palestijns conflict – via het werk van de new historians – weer onder ieders aandacht brengt.

(1) Tom Segev, "The Seventh Million: The Israelis and the Holocaust", Hill and Wang, New York, 1993. Zie ook: Norman Finkelstein, "De Holocaustindustrie. Bespiegelingen over het joodse lijden", Mets en Schilt, Amsterdam, Globe Gent, 2000.

Een gesprek met Lander Corluy: New historians zijn belangrijk voor het "Israëlisch geheugen"

Door Wim de Neuter

"Eigenlijk kan je niet spreken van een groep "new historians" in Israël," zegt auteur Lander Corluy. "Ze zijn los van elkaar, ongeveer op hetzelfde ogenblik aan hun historisch onderzoek begonnen. In 1987 enkele maanden voor het begin van de Intifada, de Palestijnse opstand in de bezette gebieden, was Benny Morris klaar met zijn eerste boek, "Birth of the Palestinian Refugee Problem".

Andere "new historians", zoals Ilan Pappé en Avi Shlaim, deden op hetzelfde ogenblik belangrijk onderzoek naar de beginjaren van de staat Israël. De meeste "new historians" doctoreerden in het buitenland, meer bepaald in Groot-Brittannië. Het boek van Benny Morris was meteen een standaardwerk, maar het heeft wel jaren geduurd voor er een Hebreeuwse vertaling op de markt was."

"Het was een merkwaardige tijd toen in Israël," zegt Lander Corluy. "Generaal Ariel Sharon, vandaag premier en toen minister van Defensie in een Likoedregering, had in 1982 een oorlog ingezet tegen het buurland Libanon. En die militaire operatie had een schokeffect op de Israëlische maatschappij. Sharon was Libanon binnengevallen in juni 1982. Honderdduizend Israëlische militairen werden ingezet met één belangrijke opdracht: de Palestijnse Bevrijdingsbeweging (PLO) militair en politiek uitschakelen. De operatie "Vrede in Galilea" werd maar een gedeeltelijk succes. De PLO – en Yasser Arafat, tot op de dag van vandaag de persoonlijke vijand van Ariel Sharon – moesten Libanon verlaten. Maar het Palestijnse probleem was helemaal niet van de agenda. In Israël konden er toen voor het eerst sinds het ontstaan van de joodse staat kritische vragen worden gesteld. Onder Israëlische militaire bescherming werden in september 1982 de slachtpartijen aangericht in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila, in de Libanese hoofdstad Beiroet. De wereld was geschokt, ook een belangrijk deel van de publieke opinie in Israël. Voor iemand als Benny Morris was de oorlog in Libanon een doorslaggevende factor om op zoek te gaan naar de wortels van het Palestijns-Israëlische conflict. En dat was een nieuw gegeven in de Israëlische maatschappij. De "new historians" konden vanaf 1987 de vrijgekomen archieven van de staat Israël en de Verenigde Staten inkijken over de cruciale jaren 1947 en 1948, toen de zionisten in Palestina hun staat konden oprichten. Dat nieuwe bronnenmateriaal leverde een verrassend nieuw beeld op over de ontstaansgeschiedenis van Israël en over de verdrijving van de Palestijnen uit hun land."

"Toen in december 1987 de Palestijnse opstand uitbrak in de bezette gebieden, veranderde het klimaat in Israël. De "new historians" werden behandeld als nestbevuilers. Deze geschiedschrijvers hebben nooit echt invloed gehad op de brede publieke opinie in Israël. Maar dat neemt niet weg dat hun werk cruciaal is. Zij brengen de discussie over de wording van de staat Israël weer op de agenda."

"Benny Morris is op dat vlak een heel interessante figuur. Hij is als historicus op een louter objectivistische wijze te werk gegaan. Hij onderzoekt geschreven bronnen. Maar hij trekt nooit politieke of maatschappelijke conclusies. Andere "new historians" als Ilan Pappé of Avi Shlaim doen dat wel. Het gevolg is dat Benny Morris door de rechtse regering van Ariel Sharon is binnengehaald als een verloren zoon, terwijl iemand als Ilan Pappé zo goed als gebroodroofd is."

Avi Shlaim kwam vorig jaar scherp uit de hoek, na een artikel van Benny Morris in de Britse krant "The Guardian". Daarin had Morris een aantal schokkende uitspraken gedaan over Ben Goerion, de stichter van de staat Israël. Morris beweerde dat Ben Goerion vandaag wellicht zijn "terughoudendheid" in 1948 zou hebben betreurd. Als hij toen alle Palestijnen het land had uitgedreven, was er nooit een probleem geweest, zo vond hij. Wat bij Avi Shlaim de reactie ontlokte: "als Hitler alle joden had afgemaakt, zou er ook nooit een Palestijns-Israëlisch probleem zijn geweest". Er zit duidelijk een scheidingslijn binnen de beweging van de "new historians". Er zijn de "postzionisten", zoals Ilan Pappé. Hij zegt duidelijk dat Israël als etnocratische staat geen toekomst heeft. Israël heeft dan wel vrije verkiezingen, maar blijft gegrondvest op een reeks racistische wetten. Voor hem is dit systeem niet langer leefbaar en het staat elk vergelijk met de Palestijnen en de Arabische buurlanden in de weg."

"Ik heb dit boek geschreven als thesis," zegt Lander Corluy. "Ik zat met de grote frustratie dat ik niets begreep van deze ingewikkelde Palestijns-Israëlische kwestie. Ik ben veel gaan lezen. Ik wilde dit probleem vanuit een aparte invalshoek bekijken. En zo ben ik bij de "new histrorians" uitgekomen. Zij waren bij ons niet bekend. Trouwens wat er met de Palestijnen in 1948 is gebeurd – en dat is toch het belangrijkste onderzoeksgebied van de nieuwe historici – blijft voor de meerderheid van onze publieke opinie nog steeds een grote onbekende. Met het werk van de nieuwe historici kan echter niemand nog langer volhouden dat we het niet geweten hebben."

(Uitpers, nr. 47, 5de jg., november 2003

(Visited 3 times, 1 visits today)
Deel dit artikel