Het non-debat over de islamitische hoofddoek: “als sluiers vallen”

Nadia Dala, ‘Als sluiers vallen. Vrouwenportretten’, Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2005, 184 blz., 17,95 euro, ISBN 90-5240-834-3.

In de banlieues van Parijs en andere grote Franse steden brandde het in november 2005 twee weken lang. De aanleiding was een incident tussen de politie en een groepje migrantenjongeren in een Parijse voorstad. De banaliteit zelve, want politiecontroles behoren in deze troosteloze getto’s tot de banale dagelijkse realiteit. Niemand schijnt oren te hebben naar de klachten van jonge allochtonen over de racistische en vernederende manier waarop ze door de arm van de wet en de Republiek (jawel met hoofdletter in Frankrijk) worden behandeld.

Twee jonge allochtonen gingen voor de politie op de vlucht, verschansten zich in een elektriciteitscabine en werden geëlektrocuteerd. Ze waren op slag dood. De incidenten, die daarop losbarstten waren ongemeen gewelddadig: duizenden auto’s werden in de fik gezet, schoolgebouwen werden platgebrand, gebouwen van garagisten en andere KMO-eigenaars gingen in de vlammen op. De frustratie en de woede zitten diep in de banlieues.

Telkens als één van deze jongeren door een journalist werd ondervraagd of voor een camera werd gezet, kregen we nagenoeg hetzelfde verhaal: “dit is de enige manier die ons nog rest om ons te uiten” of “er wordt nooit naar ons geluisterd, misschien doen “ze” het nu wel”!

Het ‘integratiebeleid’ van de opeenvolgende Franse regeringen is een volslagen fiasco. Een ernstig maatschappelijk, politiek debat over de plaats van de allochtonen in de Franse maatschappij, over hun rechteloosheid en status van tweederangsburgers is er nooit echt geweest. De Franse politieke, academische en journalistieke wereld heeft zich de voorbije jaren wel passioneel in een debat gestort over een verbod van de islamitische hoofddoek, de hijab. Als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel. Ook bij ons stuurden ‘sommigen’ op zo’n debat aan. Dat kwam er, maar het zorgde lang niet voor dezelfde deining als bij onze zuiderburen. Het uitgangspunt was evenwel hetzelfde: een diepgeworteld misprijzen voor de moslims, een handig gecamoufleerde eurocentristische, racistische en islamofobe houding tegenover een belangrijk deel van de allochtone gemeenschap, een strijd om een symbool, waarmee elk debat over de fundamentele achterstelling en discriminatie van de allochtonen uit de belangstelling kan worden gedrukt. Kortom, een non-debat.

Een lap stof

Zelden kwam de gedachte op bij al diegenen die van zichzelf dachten een gewichtige stem te hebben in dit debat om eens de mening te vragen van de direct betrokkenen: de moslima’s. Want zij dragen tenslotte de hoofddoek. Ex-journaliste van De Morgen, De Standaard en het VRT-televisiejournaal en televisiemaakster (‘Voetzoeker’, ‘Het beloofde land’), Nadia Dala, nam wel even de tijd. Ze ging met tien moslima’s praten over de symbolisch geladen hoofddoek. Ze sprak met voor- en tegenstandsters. En wat blijkt? Ze kreeg tien verschillende verhalen en meningen te horen. Haar boek ‘Als sluiers vallen’ toont alvast heel duidelijk dit aan: de commotie rond de hoofddoek van de moslima’s mag dan al een debat zijn, het is in geen geval een maatschappelijk debat. Het gaat over een lap stof. Helaas kan achter deze lap zo wat alles worden weggemoffeld, dat er echt toe doet: de status van de moslims en bij uitbreiding het hele allochtone deel van onze bevolking, hun maatschappelijke positie, de fundamenteel ondemocratische (want racistische) behandeling die hen te beurt valt, hun sociaal-economisch achteruitstelling, de grote mythe van “de gelijke kansen”, enzovoort.

Een oud verhaal

Maar even terug naar Frankrijk. Hoe werd de woede-uitbarsting van de banlieusards beantwoord? Met een quasi noodtoestand: avondklok en uitgaansverbod, massale aanwezigheid van de ordestrijdkrachten, arrestaties, snelrecht en uitwijzing naar hun land van herkomst van de “raddraaiers” – ook al zijn de meesten onder hen in Frankrijk geboren en hadden ze op het ogenblik van hun arrestatie slechts één document op zak: hun Franse identiteitskaart…

Inmiddels veroordeelde de VN-commissie voor de mensenrechten in Genève op 25 november laatstleden de Franse regering en meer bepaald de plannen van minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy om honderdtwintig “buitenlanders” uit te wijzen, die in werkelijkheid Fransen zijn. Benieuwd of de VN enige indruk kunnen maken op Parijs?

Voor de jongeren van Maghrebijnse origine was dit niet echt nieuw. Ze hadden immers de verhalen gehoord van hun grootouders, vaders, moeders, ooms of tantes. Meer dan veertig jaar geleden werden ook zij onderworpen aan de avondklok in Parijs en andere grote steden. Vele Algerijnen in Frankrijk sympathiseerden met de onafhankelijkheidsstrijd tegen het Franse kolonialisme in hun land van herkomst. Om de toenemende steunbetuiging van de Algerijnse immigranten aan het Front de Libération nationale (FLN – de Algerijnse anti-koloniale bevrijdingsbeweging) de kop in te drukken, greep de République naar dezelfde maatregel, waarmee de gekoloniseerde Algerijnen in Algiers, Oran, Constantine en elders hard werden aangepakt. Toen de Algerijnen eind oktober 1961 tegen de avondklok en het uitgaansverbod wilden protesteren in het hartje van Parijs, kwam het tot een bloedbad. Naar schatting driehonderd Algerijnen werden in de straten van de hoofdstad van de liberté, égalité, fraternité in koelen bloede omgebracht door de ordestrijdkrachten, op bevel van de beruchte Parijse politiecommissaris Maurice Papon. De lijken dreven op de Seine en lagen op de trappen van de metrostations. In april 1998 werd een stokoude Papon veroordeeld wegens misdaden tegen de mensheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij al politieprefect geweest en handlanger van Hitlers Gestapo. Het Franse gerecht verzuimde evenwel om hem ook ter verantwoording te roepen voor het bloedbad van 1961 tegen de Algerijnse immigranten.

‘Communautaire pest’

Toen in Frankrijk de eerste ballonnetjes werden opgelaten om tot een verbod te komen van “opzichtige religieuze symbolen” in het onderwijs en de openbare diensten – het ging alleen over de islamitische hoofddoek, maar dat wilden de achtbare leden van de volksvertegenwoordiging en de regering van de République niet gezegd hebben – nam een oude, wijze man het woord. Maxime Rodinson, de gerenommeerde historicus, socioloog, arabist en islamoloog (zelf zoon van joodse ouders, die de nazi-uitroeiingkampen niet hadden overleefd), waarschuwde voor de gevolgen van het debat over de hoofddoek. Op 1 december 1989 (de stemmingmakerij tegen de hoofddoek van de moslima’s was toen al aan de gang) voorspelde hij in een opiniestuk in Le Monde, onder de titel “De la peste communautaire” dat het debat over de hoofddoek zou ontaarden in een communautaire stellingenoorlog. “De oorlog om de hoofddoek heeft zijn lachwekkende kant. Zou men her en der ook de Tiroolse lederhose of de Schotse kilt willen verbieden?” “Deze oorlog,” schreef Rodinson, “heeft ook zijn schandelijke kant: bij de mobilisatie ter verdediging van de lekenstaat (la laïcité) is het duidelijk – en onvermijdelijk – dat bij velen een dosis racisme is binnengeslopen.” En hij waarschuwde ervoor dat Frankrijk het slachtoffer zou worden van een opstoot van nationalisme en patriottisme – onder vlag van de republikeinse waarden égalité, laïcité – van de gevaarlijke neiging om uiteen te spatten in allerlei op zichzelf teruggeplooide “gemeenschappen”, zoals destijds in Libanon of Noord-Ierland. Een overdrijving van een oude, geleerde man om de knuppel in het hoenderhok te gooien van de zelfvoldane verdedigers van de ‘République’ met zijn ‘waarden’ en dogma’s?

Moslima’s aan het woord

Met ‘Als sluiers vallen’ wil Nadia Dala de heisa over de hoofddoek tot zijn reële proporties terugbrengen. “Ik probeer ergens in de luwte van de niet aflatende drukte moslima’s aan het woord te laten. Niet voor een opgehitst defensief discours maar rustig, zonder tijdsdruk en zonder vooropgestelde sjablonen van goed en kwaad of van heersende (trendy) denkpatronen. Van hen verneem ik graag hoe zij over kerk en staat denken, over onze westerse maatschappij, over huwen en kinderen opvoeden, over hun hemel en hel, en hoe zij samenleven met andersdenkenden in Europa. Liefst bij hen thuis, op de sofa of aan de keukentafel bij een pot koffie of thee,” schrijft Nadia Dala in de inleiding van haar boek. “Deze islamitische meisjes lopen school bij ons, ze behalen diploma’s, werken en krijgen kinderen die ze op hun beurt naar school sturen. Zij hebben met andere woorden macht en verantwoordelijkheden. Ook zij zijn dragers van uw en mijn toekomst.”

Dala wijst erop dat “heel wat opiniemakers, waaronder de toonaangevende Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali, menen dat de sluier an sich indruist tegen de fundamentele vrijheid van de vrouw die ze draagt. Hirsi Ali’s discours en alle acties die ze onderneemt, zijn erop gericht islamitische vrouwen van dat juk én van hun geloof te bevrijden.

Emancipatieprocessen aanmoedigen is uiteraard bijzonder lovenswaardig en noodzakelijk. Maar ook islamfeministen als de Afrikaans-Amerikaanse Amina Wadud en de Nederlands-Egyptische Nahed Selim willen moslima’s empoweren (versterken): zij herinterpreteren de islam door de patriarchale exegese van de religieuze teksten te schrapen.”

“Om uw en mijn tunnelvisie op de kwestie van de hoofddoek een heel klein beetje te verbreden” ging Nadia Dala op zoek naar tien moslima’s in Vlaanderen en Nederland. “Een doekje is toch maar een doekje,” zo gaat ze er vanuit. “En mij maak je toch niet wijs dat een lap stof de denkwereld van haar draagsters tot één brij van gedachten kneedt. Is er diversiteit onder de hoofddoek of zijn er weerkerende patronen? Parameters die als houvast kunnen dienen voor westerse journalisten en politici?”

Of deze journalisten en politici echt geïnteresseerd zijn in enig houvast – of liever realiteitszin – in hun houding ten opzichte van de allochtonen in het algemeen en de moslims in het bijzonder, is een vraag die wellicht niet langer aan de orde is. Journalistiek en politiek moeten vandaag de dag immers trendy, sexy, gezellig zijn.

Toch zou ik hen het boek ‘Als sluiers vallen’ willen aanraden. Nadia Dala heeft het bij het rechte eind als ze de tien door haar geïnterviewde moslima’s “sterke figuren” noemt. “Mocht ik enkele onder hen in eenzelfde lokaal steken, ze zouden onmiddellijk met elkaar in de clinch gaan”. Onder de geïnterviewde dames zijn er die volstrekte nonsens uitkramen. Khadija is een in Nederland opgeleide moslima, begon als secretaresse op de automatiseringsafdeling van een groot communicatiebedrijf te werken en schopte het in een handomdraai tot projectmanager. Zij herontdekte de islam – of tenminste haar eigen interpretatie ervan. Zij draagt de niqaab, de gezichtssluier, die alleen de ogen onbedekt laat en pleit voor de volledige segregatie tussen de geslachten. Ze weigert bijvoorbeeld met haar schoonbroer in één ruimte te zitten en denkt er niet aan om zich in een taxi door een mannelijke chauffeur te laten vervoeren. De Brusselse moslima Soumeya is studente islamitische theologie – niet aan een gewone universiteit – “want daar doceert een jood”. Zij pleit voor volledige scheiding tussen moslims en de rest van de westerse maatschappij. De invoering van shariarechtbanken en de oprichting van islamitische scholen “onder leiding van grote moslimgeleerden uit het buitenland” en eigen islamitische ziekenhuizen zijn voor haar daartoe de geëigende middelen. De Nederlandse Katalin – na haar bekering tot de islam Zaynab – was in een vorig leven een vrolijk drinkende en losbandig neukende discotheekdel. De hijab is voor haar inmiddels het symbool voor haar versie van de islam: puriteins en oerconservatief.

De andere moslima’s in het boek hebben hun eigen verhaal, een eigen visie op onze maatschappij. Er is Basema, de Palestijnse islamfeministe. Miriam, de 33-jarige jonge vrouw van Marokkaanse origine, die zich heeft los gevochten uit haar verstikkende patriarchale milieu (uitgehuwelijkt op haar zestiende) en die de hijab met klem verwerpt. Fatima, de sociaal-democratische schepen/wethouder in Amsterdam met hoofddoek. Emilia, de Tsjetsjeense asielzoekster. Aÿse, de Turkse huisvrouw van de eerste generatie, die voor het eerst in het bijzijn van haar kinderen vertelt over de dertig eenzame jaren die ze als vrouw van een gastarbeider heeft doorgebracht in Nederland.

En er is Touria, “de allochtone jongeren in de achterstandwijken trekken aan haar hart”. Om hen te helpen, ging ze aan de slag in verschillende jeugdhuizen. Een ervan ligt in Kuregem, de migrantenwijk van Anderlecht, waar in november 1997 hevige rellen losbraken. “We praten altijd over hen, zelden met hen,” zucht Touria. En Nadia Dala eindigt haar boek met deze opmerking: “Neen, ik ben geen voorstandster van de hoofddoek geworden. Wel ben ik ervan overtuigd geraakt dat daarin de discussie niet ligt.”

Als journalisten en politici na het lezen van ‘Als de sluiers vallen’ tot een gelijkaardige conclusie komen, zitten we al een eind op de goeie weg.

(Uitpers, nr. 70, 7de jg., december 2005)