Het magnum opus van Robert Fisk over het Midden-Oosten

Robert Fisk, ‘De grote beschavingsoorlog. De verovering van het Midden-Oosten’, Uitgeverij Anthos, Amsterdam, De Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2005, 1437 blz., 39,95 euro, ISBN 90-8549-001-4.

Wat is het verschil tussen een grote reporter, die van journalistiek met een grote ‘J’ zijn vak heeft gemaakt, en een doorsnee journalist, die door het geglobaliseerde, multinationale persbedrijf wordt tewerkgesteld? De eerste heeft één belangrijke stelregel. “Waar het in de journalistiek werkelijk om draait is het volgen van de macht en de machthebbers.” Zo luidt het credo van de Britse oorlogscorrespondent Robert Fisk.

Of anders geformuleerd: “Het is de taak van de journalist om de leugens van staatslieden te ontmaskeren, om die leugens vervolgens te veroordelen”. Een journalist van het kaliber Fisk weet dat schijn bedriegt en dat er – wat de machthebbers betreft – weinig nieuws is onder de zon. Hij kent de geschiedenis en gebruikt die om naar het heden en de toekomst te kijken.

De tweede categorie journalisten heeft geen stelregels. Hij/zij loopt trends achterna, die door de macht en de machthebbers worden bepaald. Vaak schrijft hij/zij de machthebbers gewoon naar de mond en zijn/haar historische bagage reikt niet verder dan wat er bij de grote internationale persagentschappen te vinden is of in de knipselmap, die hij/zij van de juffrouw van de documentatiedienst van zijn/haar redactie krijgt toegestopt en die zelden verder terug gaat in de tijd dan vijftien of twintig jaar.

De Brit Robert Fisk is één van de weinigen, die tot de eerste categorie behoort. In zijn magnum opus ‘De grote beschavingsoorlog. De verovering van het Midden-Oosten’ maakt hij een balans op van dertig jaar werk als oorlogscorrespondent (voornamelijk) in het Midden-Oosten. 1437 bladzijden terugblik op de oorlogen, die het Midden-Oosten de voorbije dertig jaar te vuur en te vlam hebben gezet: de Libanese burgeroorlog (Fisks standplaats is Beiroet), de slachtpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila, een kwarteeuw oorlog in Afghanistan, het gruwelijke acht jaar aanslepende conflict tussen de Iraakse leider Saddam Hoessein en de Iraanse ayatollahs, de tweede Golfoorlog in 1991, de burgeroorlog in ex-Joegoslavië, de oorlog van de NATO tegen Servië, de derde Golfoorlog van 2003, de gruwelen die de Irakezen moeten ondergaan na de ‘bevrijding van hun land’ door de Anglo-Amerikaanse coalitie, de ‘war on terror’ van George W. Bush junior, de genadeloze repressie van de staat Israël tegen twee Palestijnse volksopstanden en het ‘vredesproces’ van Palestijnse en Israëlische leiders, gechaperonneerd door de president van de Verenigde Staten (“waar Kafka een puntje kan aan zuigen”, aldus Fisk).

In de stroom van de recente geschiedenis van het Midden-Oosten neemt Fisk zijn lezers ook mee naar de Turkse genocide tegen het Armeense volk (de eerste ‘Holocaust’ van de twintigste eeuw), de folterkamers van de sjah, waar agenten van de Iraanse geheime politie SAVAK en van de Amerikaanse CIA samen kantoor hielden, het slachthuis van de Baathpartij en haar leider Saddam Hoessein in Irak en de mensonterende burgeroorlog, die in de jaren negentig aan meer dan 200.000 Algerijnen het leven kostte.

De ‘Grote oorlog’

‘De Grote Beschavingsoorlog’ is eigenlijk geen boek, het zijn meerdere boeken samengebracht in een band van 1437 pagina’s. De jonge Robert Fisk groeide op in Maidstone, een dorp in het Zuid-Engelse graafschap Kent. Hij is geboren in 1946 en zijn ouders zijn een wat vreemd stel: moeder Peggy is vijfentwintig, vader Bill is zesenveertig en oud-strijder van de loopgravenoorlog van 1914-1918 aan de Somme in Frankrijk. Bill Fisk heeft een vervelende kantoorbaan, maar de ‘Grote Oorlog’ laat hem nooit meer los. Hij is er erg zwijgzaam over, maar hij verslindt alle boeken die hij over dit thema te pakken kan krijgen. De jonge Robert Fisk trekt in zijn jeugdjaren herhaaldelijk met zijn ouders mee op vakantie naar de slagvelden en soldatenkerkhoven aan de Somme, in Verdun en in Ieper en omstreken. Bill Fisk heeft een eremedaille uit de Eerste Wereldoorlog meegebracht. Daarin staat een inscriptie gegraveerd: “De Grote Beschavingsoorlog”. De oude Fisk is een nukkige man, een Britse patriot, aanhanger van het ‘Empire’ en een racist, die Afrikanen ‘nikkers’ noemt. De relatie tussen vader is zoon is uiterst koel, maar Bill Fisk brengt zijn zoon wel de liefde voor het boek en de geschiedenis bij.

Wanneer hij in de jaren ’70 voor The Times aan de slag gaat in Noord-Ierland en in 1976 gevraagd wordt om naar zijn nieuwe standplaats Beiroet te vertrekken om correspondent voor het Midden-Oosten te worden, komt Robert Fisk er al snel achter dat de historische bagage, die hij van vader Bill heeft geërfd, allesbehalve ballast is. “Niemand ontsnapt aan de geschiedenis”, weet Fisk, zeker een journalist die zich in de door de Britten bezette steden van Noord-Ierland begeeft of naar een van de vele fronten in het Midden-Oosten trekt. Dat is de rode draad die door het hele Fiskiaanse verhaal loopt.

De ‘Grote Oorlog’ van Bill Fisk had gevolgen, die zijn zoon zes, zeven, acht decennia later op elk terrein, dat hij betrad met eigen ogen en met alle gruwel zou zien.

De ‘Grote Oorlog’ was een gigantische slachtpartij op Europese bodem, die de kaarten van Europa en het Midden-Oosten grondig hertekende. “In het totaal heeft het de generatie van mijn vader iets meer dan 23 maanden gekost om de naoorlogse, kunstmatige grenzen en de al even kunstmatige naties daarbinnen te creëren,” schrijft Fisk. In het Midden-Oosten vochten de Arabieren samen met de Britten tegen de troepen van het Ottomaanse rijk, dat de kant van Duitsland had gekozen. Londen beloofde hen onafhankelijkheid na de oorlog, maar in 1916 sloten de Franse diplomaat François Georges Picot en zijn Britse evenknie Sir Mark Sykes een geheim verdrag waardoor de Arabische wereld netjes onder de geallieerden werd verdeeld.

“De nieuwe staat van Groot Libanon werd afgescheurd van Syrië en op 30 augustus 1920 ingehuldigd door generaal Henri Gouraud. De oprichting van Joegoslavië, het zogenoemde Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, werd afgekondigd op 28 juni 1921. En het Engels-Iers verdrag dat Ierland opdeelde, werd minder dan zes maanden later ondertekend op 6 december. De Volkenbond keurde het Britse mandaat voor Palestina – waarin de voorwaarden van de Balfourdeclaratie waren geïntegreerd – goed op 22 juli 1922, elf maanden nadat koning Faisal, de zoon van Sjarif Hossein, door de Britten tot koning van Irak was geïnstalleerd. En ik moet vaak denken dat, hoe je het ook wendt of keert, mijn eigen leven en mijn loopbaan als journalist – eerst in ierland, vervolgens in het Midden-Oosten en de Balkan – volledig is gewijd aan de berichtgeving over de brandhaarden die zijn ontstaan rondom deze grenzen, de ineenstorting van ministaatjes die door mijn vaders oorlog konden worden opgericht, en aan het doden van hun volkeren. Het zegt nog altijd veel over de geest van dat tijdperk dat het grootste deel van de invulling van de kaarten en het creëren van naties zogenaamd werd gedaan ten behoeve van allerlei minderheden. Minderheden die in praktisch alle gevallen op twee na – namelijk de joden in Palestina en de protestanten in Noord-Ierland – geen enkele behoefte hadden aan een wijziging van hun landsgrenzen.”

“De Kroaten en Serviërs,” vervolgt Fisk, “kregen meteen al ruzie. Er braken felle sektarische onlusten uit in Ierland en Ierse nationalisten raakten slaags met elkaar in een nietsontziende burgeroorlog. De Fransen hakten het Arabische leger in Syrië in de pan en sloegen op wrede wijze opstanden neer in zowel Syrië als Libanon. Het Verenigd Koninkrijk kreeg te maken met een nationalistische revolte in Irak. En tegen de jaren dertig van de twintigste eeuw vochten de Britten in Palestina tegen een opstand van Arabieren die woest waren dat hun land zou worden verdeeld en aan de joden gegeven als thuisland.”

De brandhaarden met hun miljoenen slachtoffers, die Robert Fisk de voorbije dertig jaar als reporter heeft beleefd, zijn het gevolg van verraad, valse beloften en imperiale machtswellust van het Westen.

“Ik ga altijd terug naar oude oorlogen en praat met oude soldaten,” legt Fisk uit. “Ik ga terug naar Noord-Ierland, naar Bosnië, naar Servië, naar Algerije en Zuid-Libanon en Koeweit, en naar het Bagdad van na de invasie. Ik denk dat ik probeer datgene waar ik getuige van ben geweest te begrijpen, om het in een context te plaatsen die niet voor mij bestond toen ik het te druk had met in leven blijven, om nog een keer te praten met mensen met wie ik – hoe kortstondig ook – deze nachtmerries had gedeeld. Ik denk dat ik gewoon zit te wachten tot de caleidoscoop ophoudt met draaien, zodat ik al die losse herinneringsfragmenten kan overzien in een bepaald, definitief en onherroepelijk patroon: aha, dus dáár ging het uiteindelijk allemaal om!”

Die caleidoscopische aanpak van Robert Fisk levert een extreem gruwelijk en apocalyptisch boek op (aan massaslachtingen, bloedvergieten, moorddadige bombardementen, aan flarden geschoten menselijke lichamen gaan honderden pagina’s op). Maar tegelijk een meesterwerk, dat zelfs de meest geoefende lezer met tal van nieuwe inzichten confronteert.

‘Little Belgium’

In de rugzak van oorlogsreporter Fisk zitten altijd dezelfde onmisbare dingen: wat kleren, notitieboekjes, pennen, een camera, en wat geschiedenisboeken over het land of de regio waar hij neerstrijkt. Telkens opnieuw doet hij verrassende ontdekkingen. Ontelbare malen moet Fisk zijn verontwaardiging en woede kwijt over de hypocrisie en het absolute gebrek aan moraliteit van machthebbers, presidenten, koningen, premiers, potentaten, dictatoren. Zelfs een dwergstaat als België ontsnapt niet aan zijn diepe aversie voor schijnheiligheid en dubbele moraal. Na de vlucht van de sjah in januari 1979 bezoekt Fisk met Iraanse revolutionairen het pronkpaleis van de dictator in dienst van Washington. Hij staat paf van de onvoorstelbare weelde waarin de Iraanse keizer baadde. Hij werpt een blik in de bibliotheek van Zijne Majesteit. Werken van Voltaire, Verlaine, Flaubert, Shakespeare. Geschriften van generaal Charles De Gaulle, Churchill, de autobiografie van de voormalige Israëlische premier Abba Eban (met handtekening van de auteur en de vermelding “Voor zijne Keizerlijke Hoogheid, de sjah der sjahs”), naast de dagboeken van het nazi-monster Goebbels. In het woonvertrek tokkelt Fisk enkele noten van Sebastian Bach op een juweel van een klavecimbel. Een geschenk van koning Boudewijn en koningin Fabiola van België.

Fisk beschrijft met een ondraaglijke precisie de gruwelen aan het Iraaks-Iraanse front, waar meer dan een miljoen soldaten omkwamen. In de moerassen aan de grens sneuvelden tienduizenden Iraanse jonge soldaten. De moerassen werden – onder toezicht van Amerikaanse experts – door de troepen van Saddam Hoessein onder stroom gezet. De Iraniërs werden allemaal geëlektrocuteerd. Saddam Hoessein zette chemische wapens in, massavernietigingswapens geleverd door het Westen. Saddam was toen ‘our man’, die het revolutionaire Iran ‘voor ons’ aanpakte. Later toen hij niet langer ‘our man’ was, toen heel zijn wapenarsenaal door de VN was ontmanteld, werden niet langer bestaande massavernietigingswapens de leugen waarmee Bush en Blair tegen ‘het monster van Bagdad’ ten oorlog trokken. Maar tijdens de acht jaar aanslepende massamoord aan de grens tussen Irak en Iran was Saddam Hoessein ‘onze bondgenoot’. De Amerikanen zochten weer toenadering tot hem en Donald Rumsfeld, de huidige minister van Defensie van de regering Bush, werd met alle égards ontvangen in één van Saddams paleizen. Washington had in het grootste geheim weer betrekkingen aangeknoopt met Bagdad. En waar was deze operatie tot in de puntjes voorbereid? “Op de belangenafdeling van de VS in Irak, de Belgische ambassade in Bagdad,” schampert Fisk.

Verrassende parallellen

Het eeuwige aha-Erlebnis van Fisk bij zijn talrijke (en vaak levensgevaarlijke) verplaatsingen in oorlogsgebied levert tientallen verrassende historische parallellen op.

In maart 1917 peuterde de tweeëntwintigjarige soldaat Charles Dickens een affiche los van een muur in het pas door de Britse troepen veroverde Bagdad. Zesentachtig jaar later ontmoet Fisk de dochter van soldaat Dickens, Hilda. Zij geeft hem het door vocht zwaar gehavende, maar nog steeds goed leesbare stuk papier. Het is de proclamatie van luitenant-generaal, Stanley Maude, de opperbevelhebber van de Britse strijdkrachten in Irak, gericht aan de bevolking van Bagdad.

“Onze militaire operaties hebben tot doel het verslaan van de vijand en hem uit deze gebieden te verdrijven,” orakelde de opperbevelhebber. “Om deze taak te vervullen ben ik belast met de volstrekte en opperste macht in alle streken waarin de Britse troepen operationeel zijn, maar onze legers komen uw steden en gebieden niet binnen als veroveraars of vijanden, maar als bevrijders. U, volk van Bagdad, moet begrijpen dat het niet de wens van de Britse regering is u vreemde instituties op te dringen… Daarom is het mijn opdracht u uit te nodigen om, door middel van uw edelen, oudsten en vertegenwoordigers, deel te nemen aan het beheer van uw burgerlijke aangelegenheden, in samenwerking met de politieke vertegenwoordiger van Groot-Brittannië, zodat u zich kunt verenigen met uw verwanten in het noorden, oosten, zuiden en westen, om de aspiraties van uw volk te verwerkelijken”.

Van de nobele aspiraties van luitenant-generaal Maude kwam niets in huis. De Britten installeerden een koloniaal bestuur, waarin wat Iraakse marionetten mee het decor mochten vormen. In 1920 brak er in heel het land een anti-Britse opstand uit. The Times kon de tragedie alleen maar vaststellen en schreef op 7 augustus 1920: “Hoe lang nog zullen er kostbare levens worden opgeofferd in een vergeefse poging de Arabische bevolking een uitgebreid en duur bestuur op te dringen waar ze nooit om gevraagd heeft en helemaal niet wil?”

Vervang de proclamatie van 1917 door een of ander decreet van de Amerikaanse pro-consul in Irak, Paul Bremer, of door een toespraak van president Bush uit 2003 en de cirkel is rond. Ook Bremer, Bush en Blair trokken als “bevrijders” Bagdad binnen. Deze keer duurde het echter veel minder dan drie jaar vooraleer ze met hun verpletterende overmacht tegenover een over heel het land verspreide volksopstand stonden.

Fisk stelt met voortdurende verbazing vast hoe de leiders van het westerse imperium steeds de politieke lessen uit voorbije tragedies straal negeren. Militaire lessen daarentegen worden echter wel grondig bekeken, zij het steeds met hetzelfde resultaat. “Het zou interessant zijn na te gaan hoe vaak conflicten in het Midden-Oosten als lesmateriaal gediend hebben voor andere, latere militaire campagnes,” stelt hij vast.

“Tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog kreeg de Israëlische regering van Frankrijk ongebruikelijk veel informatie over haar oorlog met de Algerijnse bevrijdingsbeweging FLN. Yitzhak Rabin, die toen stafchef van het Israëlische leger was, Uzi Narkiss, de Israëlische militaire attaché in Parijs en Chaim Herzog, de toenmalige directeur van de Israëlische militaire geheime dienst, mochten een commando-eenheid van de marine bezoeken in Zuid-Frankrijk, het Franse commandotrainingscentrum op Corsica, en Algerije zelf, waar ze volgens Herzog ‘de bittere strijd bekeken tegen het FLN’. Veertig jaar later zond het Pentagon een delegatie naar Israël om de tactiek van het Israëlische leger te bestuderen tijdens de Palestijnse Intifada, zodat ze dezelfde lessen konden toepassen in hun eigen strijd tegen de Iraakse opstandelingen. De Amerikanen moeten in Irak op een niet originele manier Frankrijks even deplorabele tactiek in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog gekopieerd hebben.” Dat wordt dagelijks op het terrein in Bagdad, Fallujah, Basra en andere steden in Irak geïllustreerd.

En Robert Fisk werd helemaal in deze overtuiging gesterkt, toen hij er achter kwam dat in het Pentagon de legendarische film van Gillo Pontecorvo uit de jaren zestig, ‘La bataille d’Alger’, werd vertoond aan een select kransje topmedewerkers. Het is een prent over de Algerijnse guerrilla tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, die door de Franse koloniale troepen in een vuile oorlog, een nachtmerrie voor het Algerijnse volk werd herschapen. Eén miljoen Algerijnen (de overgrote meerderheid burgers) verloren er het leven bij. Niet zonder sarcasme stelt Fisk vast: “De uitnodiging aan de bobo’s van het Pentagon om deze schitterende, pijnlijke film te komen bekijken, begon met de woorden:’Hoe win je een veldslag tegen het terrorisme terwijl je tegelijkertijd de oorlog om de ideeën verliest’… Ze hadden er nog aan toe kunnen voegen: ‘Hoe moedig je elke verzetsbeweging in het Midden-Oosten aan’.”

De angst voorbij

En dat is de vaste overtuiging van Robert Fisk, die uit elk van zijn oorlogsverhalen spreekt. Of het nu om het huidige verzet tegen het Amerikaans-Britse invasieleger in Irak gaat, de hopeloze toestand in Afghanistan, waar de bevolking ondanks alle mooie beloften na 11 september en de militaire operaties tegen Osama Bin Laden en de Taliban verder blijft lijden, of de genadeloze repressie van het Israëlische leger (“de laatste koloniale oorlog”, zo noemt Fisk het) tegen het Palestijnse volk: het ‘imperium’ verliest de strijd om de ideeën.

“Achter dit alles gaat echter een heel belangrijke verandering schuil binnen de Arabische samenleving. Die grote verschuiving, die ik in 30 jaar verslaggeving vanuit het Midden-Oosten heb zien plaatsvinden. Toen ik voor het eerst de Westelijke Jordaanoever bezocht, nog geen negen jaar na de oorlog van 1967, was er in de bezette gebieden een onder Israëlisch gezag staande Palestijnse politiemacht aanwezig, een leger van collaborateurs – ze droegen zelfs zwarte baretten – die een inactief en vernederd Palestijns volk ‘onder de duim moesten houden’. Ten noorden van de Israëlische grens leefde een Libanese bevolking in angst voor een Israëlische militaire invasie. De Israëlische troepen hoefden maar de grens over te trekken of een kwart miljoen Libanezen zouden in paniek naar Beiroet vluchten. In het oosten leefden miljoenen Irakezen in slaafse gehoorzaamheid aan de Baathpartij. De Arabieren van nu zijn niet langer bang. De regimes blijven even gereserveerd als altijd, loyale en schijnbaar ‘gematigde’ bondgenoten die Washingtons bevelen opvolgen, omvangrijke financiële steun aannemen van de Verenigde Staten, absurde verkiezingen houden en bevend van angst vrezen dat hun volk ten langen leste tot de conclusie komt dat er al lang een ander regime had moeten komen – vanuit hun eigen samenleving, niet de westerse versie die door de invasie wordt opgelegd. Het zijn de Arabieren als volk, tientallen jaren lang onderdrukt en klein gehouden door corrupte dictators, die niet langer wegrennen. In Beiroet leerden de Libanezen tijdens de Israëlische bezetting dat ze de bevelen van de bezettende macht naast zich neer konden leggen. De Hezbollah toonde aan dat het mogelijk was om het machtige Israëlische leger op de knieën te krijgen. De twee Palestijnse Intifada’s lieten zien dat Israël een bezet land niet langer zijn wil kon opleggen, zonder daarvoor een vreselijk prijs te betalen. De Irakezen kwamen eerst in opstand tegen Saddam en vervolgens, na de Anglo-Amerikaanse invasie tegen de bezettingslegers. De Arabieren renden niet langer weg. Het oude beleid van Sharon, waar de Amerikaanse neoconservatieven zo volkomen achter stonden voor de invasie van Irak in 2003 – dat inhoudt dat Arabieren geslagen moeten worden totdat ze in het gelid springen of totdat ze zich gedragen of totdat er een Arabische leider gevonden wordt ‘die zijn eigen volk onder de duim kan houden’ – zit nu net zozeer aan de grond als de Arabische regimes die zich blijven inspannen voor ’s werelds grootste supermacht. Hiermee wil ik niet de sociale en militaire revoluties ‘van het volk’ aanbevelen die we in het Midden-Oosten gezien hebben. Maar in Libanon, Palestina en Irak is de zelfmoordenaar het symbool geworden van deze nieuwe onverschrokkenheid. Als een bezet volk eenmaal zijn angst voor de dood is kwijtgeraakt, betekent dit het einde voor de bezetter. Als mannen en vrouwen niet langer bang zijn, kun je hen geen angst meer inboezemen. Angst is geen product waarmee je een bevolking opnieuw kunt injecteren door een nieuwe invasie of een hardere aanpak of luchtaanvallen of muren of martelingen.”

“Toen de puinhopen van de Oslo-akkoorden lagen weg te roesten, werden de ooit zo plausibele alternatieven ook langzaam aan de kant geschoven. Jarenlang wezen diegenen die kritiek hadden op de Oslo-akkoorden op de zo belangrijke resolutie 242 van de VN-Veiligheidsraad. Maar nu heeft zelfs dit alternatief zijn aantrekkingskracht verloren. Ik hoor de Palestijnen steeds vaker de woorden uitspreken waar Israëliërs zo bang voor zijn: dat ze ‘heel’ Palestina willen bezitten en niet slechts het land dat Israël in 1967 innam.”

Griezelkroniek

“De Grote Beschavingsoorlog” is één grote griezelkroniek. Fisk is een uitermate getalenteerde journalist, met een briljante vertelstijl. Niemand heeft zoals hij de gruwel van de opeenvolgende oorlogen in de Golf beschreven. De massaslachting van de Iraaks-Iraanse oorlog van 1980-1988, Saddams invasie van Koeweit, de verpletterende nederlaag van Saddams troepen in 1991, de afgrijselijke gevolgen van het VN-embargo (zijn verhalen over van ontbering stervende kankerpatiëntjes in de ziekenhuizen van Bagdad, de verpaupering van een heel volk zijn verbijsterend) Niemand heeft treffender het fiasco van de invasie van Bagdad van 2003 aangeklaagd: de moordpartijen, de leugens en de echte redenen waarvoor Bush ten strijde trok (olie!), de massale plunderingen van het duizenden jaren oude cultuurpatrimonium van het Iraakse volk, de vernietiging van heel de infrastructuur, onder het waakzame oog en zelfs medewerking van het bezettingsleger. Geen enkele westerse journalist heeft de meer dan vijfentwintig jaar aanslepende verwoesting van Afghanistan in beeld gebracht. Fisk zet met een zelden geziene precisie het mes in het bedrog van het zogenaamde ‘vredesproces’ van Amerikanen, Israëli’s en de Palestijnse oude elite, terwijl de bezetting van nog meer Palestijns land onverminderd doorging. Fisk was aanwezig op alle belangrijke afspraken met de geschiedenis in het Midden-Oosten. En er zijn maar weinig verslaggevers die zo accuraat de grote zwendel van de ‘war on terror’ aan het licht hebben gebracht. Zijn ontmoetingen met de vijand nummer één van Washington, Osama Bin Laden, de verantwoordelijke van de misdaad tegen de mensheid van 11 september 2001 in New York en Washington zijn uniek in de geschiedenis van de moderne journalistiek. Alles netjes tot zijn ware proporties teruggebracht: een religieuze fundamentalist, miljardair en ooit een belangrijk handlanger van de CIA, een man die tot massamoord in staat bleek, ontmoet Fisk in een Afghaanse grot. Hij is zo geïsoleerd van de rest van de wereld, heeft in maanden geen krant of televisiebericht onder ogen gekregen en werpt zich eerst een half uur op de Arabische kranten die Fisk uit Beiroet heeft meegebracht. Om deze man uit te schakelen bracht George Bush een nog nooit geziene militaire machine op gang. “De Grote Beschavingsoorlog” is een meesterwerk van de moderne journalistiek en een historisch document dat nog vele generaties en vele presidenten van het imperium zal overleven.

(Uitpers, nr. 71, 7de jg., januari 2006)

Zie elders in dit nummer van Uitpers een artikel van Robert Fisk, “Geen wonder dat al-Jazeera een doelwit was”, waarin hij uitlegt waarom het kantoor van de tv-zender in Bagdad werd bestookt.

(Visited 10 times, 1 visits today)
Deel dit artikel