Het lunapark en andere plekken van Abicht

Ludo Abicht, Het lunapark en andere plekken, autobiografisch materiaal, Uitg. Pelckmans, Kapellen, 2008, 239 blz., ISBN 9789028949126

“Vandaag zal geen enkele historicus nog beweren dat we de waarheid, zoals het geweest is, in alle objectiviteit kunnen reconstrueren omdat we altijd al doorheen de lens van onze ervaringen naar het verleden kijken,” schrijft de Vlaamse filosoof en filoloog met ruime kosmopolitische achtergrond Ludo Abicht in zijn nieuw boek Het lunapark en andere plekken.

Abicht noemt het in de ondertitel bescheiden autobiografisch materiaal, maar zijn lens is echter behoorlijk breed en boeiend. “Het gaat, zoals in eerder werk, meer om een werelddocument dan om een egodocument,” zegt inleider Jean-Pierre Rondas zeer terecht.

Het is niet de eerste keer dat Ludo Abicht zich waagt aan het optekenen van ‘autobiografisch materiaal’ . Zijn eerste boek over episodes in zijn leven schreef hij voor zijn kinderen in het Engels. Hij woonde en werkte toen nog in de States. In 1987 vertaalde hij dat boekje in het Nederlands onder de titel Oorlogskinderen hebben grote ogen.

Meer dan twintig jaar later doet Abicht dat alles nog eens over, maar dan uitgebreider, als 72-jarige auteur die op een eerlijke manier terugblikt op een afgelopen tijd.

Abichts cv ziet er behoorlijk grillig uit: van oubollig flamingantisme over jezuïetenopleiding tot socialisme. Hij groeide op in Antwerpen, verbleef vaak in Oostende, voelde zich geroepen tot het noviciaat van de Vlaamse jezuïeten in Drongen, en studeerde in Nijmegen, Gent en Tübingen klassieke filologie, filosofie en Duitse literatuur. Hij behaalde het doctoraat Germaanse filologie aan de University of Cincinnati, Ohio en doceerde aan verschillende universiteiten in de Verenigde Staten. In 1984 kwam hij terug naar België waar hij tot 2001 als filosofiedocent aan de Plantijn Hogeschool en het Conservatorium van Antwerpen werkte. Dat is een niet vanzelfsprekend parcours.

De Abicht-stoofpot

Het lunapark (van zijn jeugd in Oostende) en andere plekken gaat niet alleen over een afgelopen tijd. Het is in de eerste plaats een reflexieve beschrijving van verschillende periodes in het leven van Abicht die niet als afgesloten kunnen worden beschouwd. Hij draagt uit al die periodes tot op vandaag wel een stukje Abicht met zich mee. Hij geneert zich helemaal niet om te schrijven over bepaalde episodes in zijn leven, waarover anderen allicht liever discreet zouden zwijgen. “Ik schreef heuse sonnetten over de komende heropbouw van de IJzertoren, hield in de klas af en toe gedocumenteerde pleidooien voor amnestie en eerherstel, nam als jonge vendelzwaaier deel aan de jaarlijkse Vlaams-Nationale Zangfeesten in het Antwerpse Sportpaleis…” schrijft hij zonder schroom over zijn allesbehalve links verleden. (p. 32)

In een lang gesprek voor mijn boek Het vacuüm van de kosmopoliet, stemmen over vermenging, drukt hij uit dat hij als mens vaak vastgepind wordt op een zeer eendimensionale dimensie van zichzelf. “Vandaar dat een aantal mensen in mij de pastoor menen te ‘ruiken’ die ik trouwens nooit geweest ben.”

Om het complexe karakter van het ‘wie ben ik nu eigenlijk geworden?’ te duiden verwijst Abicht naar een culinaire vergelijking die hij vond bij een oude Romeinse auteur: “Men neemt een os, steekt daarin een schaap, in dat schaap steekt men een kalkoen, daarin een haasje, vervolgens een duif en een kwartel en in de ingewanden van die kwartel uiteindelijk een olijfje. Dan draait men gedurende drie dagen het geheel aan het spit totdat alle sappen met elkaar vermengd zijn en dan pas eet je ervan.” Abicht heeft dus geen harde pit die naar olijf of wat dan ook smaakt, hij heeft met al zijn ikken en verschijningsvormen te lang aan het spit gehangen en is daar als een Abicht-stoofpot vandaan gekomen.

Meer

De jonge Ludo leert in Oostende niet alleen het lunapark kennen. Tijdens de bevrijdingsperiode werd hij geschokt door de straatrepressie. Zijn nochtans Engelsgezinde vader deed daar niet aan mee. De jonge Ludo vroeg zich toen af: “Mochten we die opgejaagde zwarten wel helpen of hadden we hen moeten aangeven?

En dan komt de contemplatieve oude Ludo aan het woord: “Mijn kinderlijke zwart-witopvattingen over goed en kwaad hebben de scherpe tegenstellingen en traumatische ervaringen uit die eerste maanden na de oorlog niet overleefd. Het was dus mogelijk mensen te beschermen met wie je het helemaal niet eens bent en niet alles wat ‘de goeden’ doen, is daarom automatisch ook goed. Dat het verlies van die naïeve maar comfortabele morele zekerheden me nog vaak in het leven parten zou spelen, zal uit het vervolg van dit verhaal blijken.” (p. 18-19)

Inderdaad, want hier ligt de kern van de houding die Abicht heel zijn leven heeft aangenomen. Manicheïsme is hem vreemd. “Deze auteur ziet overal het ‘meer’, zelfs in het gedrag van zijn vijanden,” schreef de overleden criticus Leo Geerts ooit om Abicht te typeren. Maar die ‘vijanden’ zien bij hem dat ‘meer’ niet, terwijl Abicht nochtans ook vrijzinnige, logebroeder, atheïst en KP’er is (geweest).

Werelddocument

Vanuit zijn ervaring met zeer uiteenlopende milieus kan Abicht als niet een dwarsverbindingen en vergelijkingen maken. Gehoorzaam zijn en zie niet om is de stelregel in de jezuïetenorde. Hij heeft heel wat jezuïeten gekend die emotioneel aangeslagen waren omdat ze na jaren van de ene dag op de andere plotseling overgeplaatst werden ‘als een kruisbeeld dat nu eens hier en dan weer daar wordt neergelegd’ naar de geijkte metafoor van Ignatius van Loyola. Dezelfde afstandelijkheid in dienst van de zaak heeft Abicht later aangetroffen in bepaalde leninistische partijen waar ‘kameraden’ die ziek werden als het ware uit het gezichtsveld verdwenen, want wie had nu tijdens deze revolutionaire periode nog echt tijd voor een ziekenbezoek?

In zijn mooie inleiding noemt Jean-Pierre Rondas Abicht ‘een dialectisch redenerende afvallige voor wie geen enkele levensfase tevergeefs is geweest’. Een dergelijk intellectuele biografie is zeer uitzonderlijk in een Vlaamse context anno 2008. “Het gaat, zoals in eerder werk, meer om een werelddocument dan om een egodocument,” zegt inleider Rondas zeer terecht.

Het lunapark en andere plekken is het autobiografisch werelddocument van een onvermoeibare Blochiaan en kosmopoliet die zijn boek eindigt met de zin: “Wanneer het zover komt, zou ik het een troostende gedachte vinden op het graf (in het Cévennes dorpje Cabriès waar hij nu een huisje heeft) van deze Nederlandse Vlaming met Amerikaanse kinderen in keurig Frans ‘persévérer’ te laten schrijven.

(Uitpers, nr 105, 10de jg., januari 2009)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=776483&refsource=uitpers

Deel dit artikel
Walter Lotens

Walter Lotens studeerde moraalfilosofie, ex-leraar, woonde lang in Suriname, reiziger, Latijns-Amerika watcher en freelancer. Hij schrijft voornamelijk over bewegingen van onderuit van Borgerhout over Madrid en Barcelona tot Cochabamba en Paramaribo. Hij houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterLotens.net).

Andere boeken