Het kolonialisme in zijn meest perverse vorm

In Parijs verdedigen de rechtse partijen de “positieve rol van de kolonisatie”. In Hongkong kregen ze de steun van de Europese sociaal-democraten (het Brits boegbeeld van Labour, Peter Mendelson, de huidige Europese Commissaris van Handel, en zijn Franse socialistische voorganger en huidige president van de WTO, Pascal Lamy, beiden met vastberaden rugdekking van de Europese Socialistische Partij). Zij willen het kolonialisme in zijn meest perverse vorm herstellen, namelijk via afdwingbare internationale akkoorden. Zij hebben het niet langer nodig hele bevolkingen en territoria te controleren.

Zij hebben andere, meer afdoende middelen: toegang tot de markt, het opdringen van de eigen landbouwproductie, industriële producten, diensten. Zij beschikken over intellectuele eigendomsrechten en octrooien om de hand te leggen op plantensoorten (zeker als ze een belangrijke voedingswaarde of geneeskundige kracht hebben). Ze hebben het GATS om alle mogelijke vormen van deregulering en privatisering er door te drukken, waardoor Europese bedrijven in alle vrijheid kunnen opereren in één van de 150 lidstaten van de WTO.

De politieke onafhankelijkheid, die Latijns-Amerika in de negentiende eeuw en de rest van de wereld in de twintigste eeuw ten deel viel, wordt door deze elites naar de prullenmand verwezen. De soevereine staat als belangrijke garant voor de soevereiniteit van de volkeren? Vergeet het. Hieraan hebben de liberalen van rechts en van links zes dagen lang ijverig gesleuteld in Hongkong.

Op zondagavond 18 december werd er in de late uurtjes een akkoord bereikt over een vijfde voorstel van ministeriële verklaring, die was opgesteld door WTO-baas Pascal Lamy en zijn medewerkers. De tekst, die als werkdocument in Hongkong moest dienen, had de instemming gekregen van de WTO-lidstaten tijdens de laatste vergadering van de Algemene Raad in Genève, net voor de start van de top in Hongkong. Die instemming kwam er omdat in de inleiding werd vermeld dat “de teksten uit de bijlagen worden voorgelegd onder de verantwoordelijkheid van de respectievelijke voorzitters. Het zijn geen teksten, waarover een akkoord bestaat en kunnen in geen geval ingaan tegen de standpunten van welke lidstaat dan ook.”

Nadat hij het akkoord had gekregen van de Algemene Raad hield Pascal Lamy echter geen rekening meer met deze inleidende nota. Daardoor kon hij in zijn laatste voorstel in Hongkong aangeven dat de Algemene Raad had ingestemd met bijlage C (1). Een absoluut verkeerde voorstelling van zaken. Dat is dus methode waarmee soevereine staten worden gedwongen tegen hun zin internationale akkoorden goed te keuren. En deze methoden worden zonder meer aanvaard door onze regeringen, waarvan de vijfentwintig ministers in Hongkong aanwezig waren. Zonder enig voorbehoud hebben zij het document van Lamy onderschreven.

Versie na versie werd de ministeriële ontwerpverklaring steeds verder aangepast aan de wensen van de rijke landen en steeds minder aan de verzuchtingen van de andere lidstaten, alsof deze niet bestonden. Het kwam er immers vooral op aan de machtigen hun zin te geven. Wat niet belette dat het woord ontwikkeling eens te meer overvloedig werd gebruikt. En dat is heel opvallend als men de teksten van 13 december naast die van 17 december en tenslotte de eindverklaring van 18 december legt. Bijvoorbeeld wat de diensten betreft, is het voorbehoud dat in bijlage C wordt gemaakt volledig uit de slottekst verdwenen. Maar er wordt wel een zeer nauwkeurige agenda vooropgesteld voor de praktische uitvoering.

Alle waarnemers in Hongkong stelden zich die zondagavond dan ook de vraag: hoe is zo’n akkoord mogelijk geworden? Temeer daar er de vijf dagen voor deze fatale zondag zeer gespierde tegenverklaringen werden afgelegd door de landen van het Zuiden, Brazilië op kop. De regering van de Braziliaanse president Lula stelde zich bij monde van haar aanwezige minister onwrikbaar op over de noodzaak om tegen 2010 alle landbouwexportsubsidies af te schaffen. De Afrikaanse landen in hun totaliteit – ze kregen het gezelschap van Cuba, Venezuela en enkele andere lidstaten – verwierpen alle maatregelen inzake het GATS en in het bijzonder inzake bijlage C. De Afrikaanse katoenproducerende landen beriepen zich daarbij op een verdict van de WTO, dat hen in het gelijk heeft gesteld en niet alleen de opheffing van de exportsubsidies voor katoen eiste, maar eveneens de productiesubsidies. De tekst van Pascal Lamy kwam niet langer tegemoet aan de eisen van deze Afrikaanse landen. En toch stemden deze staten met het document van Lamy in (ook al spraken Cuba en Venezuela uitdrukkelijk hun voorbehoud uit tegen het GATS).

Waarom? Op deze vraag kan men alleen met hypothesen antwoorden. Bestond er een enorme druk vanuit Brussel en Washington op de hoofdsteden van deze landen? Verscheidene delegaties maakten er in ieder geval melding van. Was er ter plaatse sterke druk van de Europese ministers, de Europese Commissie, de Amerikaanse minister en Pascal Lamy in hoogsteigen persoon? Ook dat is meer dan waarschijnlijk, als men even terugdenkt aan wat er op vorige ministerconferenties is gebeurd. Wilde niemand de verantwoordelijkheid op zich nemen voor een mogelijke mislukking van de conferentie in Hongkong? Ook hierover bestaat niet de minste twijfel. Geen enkel land, geen enkele groep van landen, zijn vandaag bereid spitsroeden te lopen bij de westerse politieke en mediawereld, omdat zij een conferentie van de WTO of de onderhandelingsronde van Doha hebben helpen kelderen. Was het een vergissing zo veel vertrouwen te stellen in een brede alliantie, waarvan de belangrijkste protagonisten (Brazilië en India) blijkbaar andere belangen verdedigden dan de meeste andere staten uit het Zuiden, die tot dit bondgenootschap behoorden? Zeer zeker. De idee van een coalitie van verscheidene groepen van ontwikkelingslanden was inderdaad verleidelijk. Precies omdat hierdoor de illusie werd gewekt van een nieuwe krachtsverhouding binnen de WTO. Maar de groepen die vitale belangen te verdedigen hadden (katoen, diensten) zijn niet bij machte gebleken een echte, aparte verzetspool op te richten, te meer daar de staten die de leiding van deze brede alliantie op zich hadden genomen het hebben nagelaten de daad bij hun gespierde woord en beloften te voegen.

Ze hebben zich laten overbluffen door een maatregel, waardoor het mogelijk zou moeten worden rekening te houding met begrippen als voedselveiligheid, bestaansmiddelen en plattelandsontwikkeling. Maar over de praktische uitvoering hiervan moet men nog beginnen onderhandelen.

En voor de rest is het resultaat een desastreus akkoord. Een deal waardoor de dominantie van de westerse bedrijven over de rest van de wereld alleen nog maar zal toenemen. Een akkoord dat tot immobilisme en ellende zal leiden, tot wanhoop en spanningen. Want niets is zo ver van de waarheid verwijderd dan het overheersende discours, dat ons wil doen geloven dat welvaart alleen mogelijk is door vrije handel. Want vrije handel is een praktijk die gebaseerd is op de ongelijkheid tussen de landen, zowel op het vlak van menselijke middelen, als van uitrusting en economische ontwikkeling. Van de vooruitgang, die bij de oprichting van de WTO werd aangekondigd, tien jaar geleden, is er niets concreets gerealiseerd.

En dan is er het landbouwdossier. Het akkoord biedt de EU en de VSA de garantie dat zij nog minstens acht jaar kunnen doorgaan met hun dumpingpraktijken, die zullen gepaard gaan met de verdwijning van honderdduizenden boerderijen en de vernietiging van miljoenen mensenlevens in de landen van het Zuiden. Wat de twee grote handelsreuzen hebben beloofd is niets anders dan de politiek die ze vandaag in de praktijk brengen. Alsof mensen met een levensverwachting van slechts vijftig jaar nog acht jaar kunnen wachten! Er is geen enkele ernstige afspraak gemaakt om paal en perk te stellen aan de interne hulp aan de landbouw, die de internationale concurrentie vervalst, terwijl de verdedigers van dit soort hulp de mond vol hebben over een “vrije en onvervalste” concurrentie.

In het katoendossier hebben de Afrikaanse landen bekomen dat de exportsubsidies in 2006 zullen verdwijnen, maar er is geen enkele toezegging om ook de productiesubsidies af te schaffen. De Amerikaanse katoenproductie is de grootste concurrent voor deze Afrikaanse landen. De interne hulp van de Amerikaanse overheid vertegenwoordigt 90% van de totale hulp aan de katoenproducenten.

Wat de opening van de markten voor afgewerkte producten betreft hebben de nieuwe en ontluikende economieën nauwelijks nog rechten om zich te beschermen. Er is gekozen voor een lineaire formule om de douanerechten voor afgewerkte producten te verminderen. En dat kan alleen maar leiden tot een desindustrialisatie in de landen met een prille economie en tot een sterke daling van hun douane-opbrengsten.

Op het vlak van de handel in diensten zullen er nieuwe onderhandelingen komen, waardoor het GATS zal worden versterkt en uitgebreid, want alle Europese voorstellen terzake werden in Hongkong bevestigd.

De Europeanen maken inmiddels veel kabaal over een “ontwikkelingspakket”, dat – zoals verder zal worden aangetoond – niet meer dan een lege doos blijkt te zijn.

Binnen de WTO blijft de oude methode van kracht om concrete resultaten te boeken. En die methode blijft gebaseerd op de bestaande machtsverhoudingen. Hoe kan men anders een tekst bestempelen, die volstrekt eenzijdig is en waarvan men later eist dat hij bij consensus wordt gewijzigd? Hoe slaagt men erin om te beweren dat een tekst door het geheel van WTO-ambassadeurs werd aanvaard, terwijl dit manifest niet klopt (het gaat in beide gevallen inderdaad om de beruchte bijlage C inzake de diensten). De brutaliteit van de gangbare procedures maakt van de WTO eerder een collectie witteboordencriminelen dan een groep mensen, die begaan zijn met de regels van het internationaal recht. Helaas hebben de camera’s zelden belangstelling voor het geweld dat hier tegen de volkeren wordt gepleegd.

En eens te meer – en dat sinds het begin van het onderhandelingsprogramma van Doha – zijn het de Europeanen die weigeren de nodige toegevingen te doen om tot evenwichtige en rechtvaardige internationale handelsakkoorden te komen.

De overvloedige en ronkende retoriek ten spijt – die geen enkele indruk meer kan maken – tonen de nationale en Europese elites hun onvermogen om akkoorden te bevorderen die de handel daadwerkelijk regelen, wijzigen in functie van het ontwikkelingsniveau van de diverse landen en om de handel in dienst te stellen van fundamentele doelstellingen zoals de toegang van elke wereldburger tot drinkbaar water, gezondheidszorg, onderwijs en cultuur. Eens te meer staat de WTO symbool voor het falen van het neoliberalisme als ideologie ten dienste van het algemeen belang.

(Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006)

(1) Bijlage C: zie hierover het artikel “Het GATS heeft de wind in de zeilen”.

Visited 7 Times, 1 Visit today

Tags :