Het juridisch kader voor een andere mondialisering

Cedric Ryngaert, Anders globaliseren, Mensenrechten, milieu en internationale handel (uitgeverij ACCO te Leuven/Voorburg – 2007). ISBN: 978-90-334-6597-0.

In het boek Anders globaliseren steekt Cedric Ryngaert, docent internationaal recht, van wal met de vaststelling dat andersglobalisten, in tegenstelling tot antiglobalisten, niet tegen globalisering op zich zijn: “Andersglobalisten pleiten voor een andere globalisering, dit is een globalisering waarin niet de economie, maar de mens, zijn cultuur, het milieu, de mensenrechten,… centraal staan.” (p. 10) Daarom zijn zij voorstander van een “internationaal juridisch kader dat duidelijk maakt dat commerciële waarden niet zomaar beschavings- en milieu-erfgoed aan de kant kunnen schuiven. Zonder een juridisch kader zou de wereld ten prooi kunnen vallen aan het dictaat van de economie en zouden sociale cohesie en duurzame ontwikkeling op de helling komen te staan.” (p. 10)

Over dit mondiaal juridisch kader gaat Ryngaerts boek. Het internationale recht staat centraal. Dit vlot en helder geschreven boek kadert in de serie Wereldvisie die als taak heeft “de activiteiten van de Verenigde Naties in ruime zin kritisch in kaart [te] brengen.” Aan de basis van deze monografie ligt de vaststelling dat het hedendaagse globaliseringsmodel, naast een heel aantal voordelen, ook een keerzijde heeft. Ongebreidelde economische expansiedrang kan nefast zijn voor arbeidsnormen, mensenrechten en het mondiale milieu.

In het eerste deel van het boek onderzoekt de auteur in hoeverre multinationale ondernemingen er kunnen toe gebracht worden zich maatschappelijk verantwoord te gedragen. Het tweede deel houdt zich bezig met de vraag of de vrijhandelsregels van de Wereldhandelsorganisatie verzoend kunnen worden met duurzame ontwikkeling.

De belangrijkste troef van dit werk is dat het een lezenswaardig overzicht geeft van wat de (inter)nationale wetgeving vandaag te bieden heeft ten aanzien van het reguleren van de globalisering. Anderzijds is de auteur mijns inziens te bescheiden in het formuleren van structurele oplossingen. Ryngaert is op zoek naar een middenweg: “We willen zo veel mogelijk recht doen aan de legitieme belangen van alle relevante actoren: het winststreven van ondernemingen, het recht op ontwikkeling van ontwikkelingslanden, […] de mensenrechten van lokale arbeiders en gemeenschappen, en het belang van het milieu als een globaal publiek goed.” (p.11) De vraag is echter of een reële duurzame ontwikkeling wel zo eenvoudig te realiseren is. Zijn er dan alleen maar winnaars?

Regulering van multinationale ondernemingen

In het eerste deel van het boek schrijft Ryngaert dat in principe multinationale ondernemingen vandaag al verplicht zijn de mensenrechten te respecteren en “het milieu niet te vervuilen” (p.69). Tal van landen hebben wetten uitgevaardigd die de activiteiten van ondernemingen moeten reguleren. Die wetten zijn meestal de implementatie van internationale regels, waardoor een staat tegenover andere staten de verplichting op zich heeft genomen om die regels na te leven en ervoor te zorgen dat geen enkele (rechts)persoon ze overtreedt. In die zin kan een onderneming aansprakelijk gesteld worden voor het schenden van de mensenrechten. De hamvraag luidt echter of ondernemingen rechtstreeks verplichtingen hebben op basis van het internationaal recht: “Kunnen ondernemingen het internationaal recht schenden, ook als de staat waar ze actief zijn hen niets ten kwade duidt en misschien zelfs niet eens gebonden is door internationale mensenrechtenverdragen?” (p. 69-70)

In het huidige juridische kader toont Ryngaert aan dat er erg weinig minimumnormen zijn die rechtstreeks verplichtingen scheppen voor ondernemingen. Het zijn immers staten die internationale regels maken en het zijn als dusdanig staten die er ook aan onderworpen zijn. Het debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van multinationals zou veel minder dringend zijn als staten zelf hun verantwoordelijkheid zouden opnemen. Helaas gebeurt dat te weinig, zo geeft Ryngaert toe.
Ofwel zijn staten te zwak om toezicht te houden op de eerbiediging van de mensenrechten op hun grondgebied; ofwel knijpen ze graag een oogje dicht om te voorkomen dat westerse multinationals hun investeringen terugtrekken.

Anderzijds wordt het al wel aanvaard dat ondernemingen vandaag reeds aansprakelijk zijn voor zeer ernstige schendingen van de mensenrechten zoals genocide, slavernij of foltering. Maar, zo oppert Ryngaert, ondernemingen zijn vandaag niet rechtstreeks aansprakelijk voor andere schendingen van de mensenrechten, zoals het naast zich neerleggen van fundamentele arbeidsnormen.

Ryngaert erkent dat vrijwillige initiatieven en zelfregulering, die eind jaren ’90 van de vorige eeuw onder druk van de andersglobaliseringsbeweging opkwamen, mogelijk niet het gewenste effect sorteren. Een dwingender juridisch kader is gewenst. Daarom lanceert hij enkele voorstellen, gaande van globale kernstandaarden, verplichte ‘mensenrechteneffectenrapporten’ (n.a.v. milieueffectenrapporten) tot het oprichten van een internationale rechtbank zodat ondernemingen verplicht worden verantwoording af te leggen aan de internationale gemeenschap. Dit is het meest uitdagende deel uit het boek. Na bijna drie decennia van ‘dereguleren’ is er opnieuw ruimte om te zeggen dat we juist behoefte hebben aan nieuwe (internationale) regulering.

Wereldhandelsorganisatie (WTO), vrijhandel en milieu

In het tweede gedeelte van het boek onderzoekt Ryngaert in hoeverre er een conflict bestaat tussen (internationale) vrijhandel en milieu. Hoe verenigbaar zijn de WTO-regels met handelsbelemmeringen voor milieudoeleinden (al dan niet gebaseerd op een Multilateraal Milieuakkoord (MEA))? Kunnen landen de import weigeren van bijvoorbeeld vis die op niet-duurzame wijze tot stand is gekomen of van elektrische apparaten die geproduceerd zijn op een klimaatonvriendelijke manier?

De auteur gaat er prat op dat de bestaande WTO-regels, anders dan heel wat activisten zouden denken, “niet per se vijandig zijn tegenover handelsbelemmerende maatregelen” (p. 87). Zo bevat de pre-ambule van het WTO-akkoord van Marrakech een verwijzing naar het belang van duurzame ontwikkeling.
Vooral artikel XX van de GATT-akkoorden (de voorloper van de WTO) is relevant inzake het milieu. Dit artikel bevat een aantal uitzonderingen op de verplichtingen die leden hebben krachtens GATT. Een WTO-lidstaat mag maatregelen nemen die “noodzakelijk zijn om leven en gezondheid van mensen, dieren en planten te beschermen.” (p. 88) Zoals bij elke wetgeving is dit helaas een vage uitdrukking, wat maakt dat de situatie in vele gevallen zeer onduidelijk is.

Ryngaert beschrijft vervolgens een aantal casussen die bekend in de oren zullen klinken bij vele andersglobalisten: het Tonijn-Dolfijn-dispuut tussen de VS en Mexico en het Garnaal-Schildpad-geschil tussen de VS en een aantal Aziatische landen.
In beide gevallen ging het over een VS-verbod op import van een ‘product’ (tonijn resp. garnalen) dat op een dieronvriendelijke wijze werd gevangen (ten nadele van resp. dolfijnen en schildpadden). Ryngaert voert aan dat de beslissing van de WTO in dit tweede geschil een mijlpaal vormt in de strijd voor meer erkenning van milieuoverwegingen in het internationale handelssysteem: “In 1991, in het ‘Tonijn-Dolfijn’-dispuut, had een GATT-panel nog beslist dat een land de import van een bepaald product niet kon weigeren onder verwijzing naar de wijze waarop dat product tot stand was gekomen, hoe onverantwoord die totstandkoming ook was vanuit natuurbehoudperspectief. Voor de GATT was de tonijn die met dolfijnvriendelijke visnetten gevangen was dezelfde als de tonijn die met dolfijnonvriendelijke netten gevangen was.” (p. 95) Volgens de GATT-akkoorden mochten landen immers niet discrimineren op basis van niet-productgerelateerde proces- en productiemethoden.

Maar, zo voert Ryngaert aan, in het daaropvolgende Garnaal-Schilpad-geschil heeft de WTO wél de deur opengezet voor de toelaatbaarheid van discriminatie op basis van die niet-productgerelateerde productiemethodes, zij het dan onder zeer strikte voorwaarden (non-discriminatie, transparantie, onderhandelingen). Deze evolutie is volgens Ryngaert het bewijs dat de WTO ‘het milieu’ wel degelijk belangrijk acht. Anderzijds geeft de auteur toe dat het jammer is dat de WTO een quasi-monopolie heeft over de beslechting van geschillen over de relatie tussen handel en milieu, omdat “de WTO-experten nu eenmaal een handels- en geen milieuachtergrond hebben.” (p. 107)

Verderop in het boek erkent de auteur ook dat er ernstige spanningen zijn tussen vele MEA’s en de WTO-regels. Op het vlak van klimaatverandering is het maar de vraag of bijvoorbeeld Europese landen belastingen (border adjustment taxes) mogen heffen op de invoer van klimaatonvriendelijk geproduceerde goederen uit landen die het Kyoto-protocol niet geratificeerd hebben. Ook tal van andere klimaatvriendelijke maatregelen, zoals subsidies voor hernieuwbare energie, energie-efficiëntiestandaarden, klimaatvriendelijke openbare aanbestedingen, enz, kunnen tot problemen leiden onder het WTO-regime omdat zij “de handelsstromen kunnen belemmeren” (p. 125) (sic).

Neoklassieke milieueconomie versus ecologische economie

Dit brengt me tot mijn grootste kritiek op het boek van Ryngaert en de hierin impliciet aangenomen basisveronderstellingen. De spanning tussen de WTO-regels en de noodzaak om een proactief klimaatbeleid te voeren, illustreert als geen ander dat het WTO-regime zelf achterhaald is. Het gehanteerde preanalytische uitgangspunt, om een term te gebruiken van de ecologische econoom Herman Daly, gaat al te gemakkelijk uit van twee betwistbare stellingen:

(1) Milieuproblemen kunnen worden opgelost door economische groei, nieuwe technologieën en internalisering van externe kosten.
(2) Vrijhandel leidt per definitie tot welvaart en economische groei: de hele wereld is beter af indien alle landen zich specialiseren in die goederen waarin zij een zogenaamd ‘comparatief voordeel’ hebben – de theorie van de klassieke econoom David Ricardo, begin 19e eeuw.

Oplossingen die vertrekken vanuit dit kader zijn ontoereikend voor een sociaalrechtvaardige en ecologisch duurzame wereldorde. Die boodschap is ook geventileerd in de jongste rapporten van het VN-milieuprogramma (Global Environmental Outlook 4) en het VN-ontwikkelingsprogramma (Human Development Report 2007/2008). UNDP-afgevaardigde Antonio Vigilante formuleerde het als volgt: “In het rapport van dit jaar worden alle begrippen in vraag gesteld. Ontwikkeling, vooruitgang, economische groei, welzijn en veiligheid, alles krijgt een andere invulling wanneer je het bekijkt vanuit het besef van de ecologische samenhang. De globale opwarming dwingt ons concepten die zo oud zijn als de Verlichting in vraag te stellen.” (De Walsche, MO*, (50), p. 18). De economie opnieuw in relatie brengen met de ecologie, dat is de uitdaging waar we voor staan. Dat vereist een paradigmawissel in het denken over economie en ecologie. Thinking outside the box, zoals in de ecologische economie.

Ecologische economen beschouwen de economie als een open deelsysteem van de aarde. Zonder een gezond functionerend Ecosysteem Aarde kan er geen gezonde economie zijn. Het Ecosysteem Aarde is op zijn beurt een energetisch open maar materieel gesloten, niet-groeiend, eindig systeem. De toename van de schaal van het economisch deelsysteem is gelimiteerd door de beperkte omvang van de aarde als grondstoffenleverancier (sources) en als buffer om afvalstoffen en emissies op te nemen en te verwerken (sinks).

De kern van de duurzaamheidproblematiek is dat de wereldeconomie sinds midden jaren ’80 de duurzame regeneratiecapaciteit van het Ecosysteem Aarde overschrijdt, met als meest gekende gevolgen de klimaatopwarming, het verlies aan biodiversiteit en het groeiende tekort aan zoetwater.

Volgens ecologische economen impliceert (sterke) duurzaamheid dat de mondiale economie opnieuw de beperkte draagkracht van de aarde moet respecteren. Om die maximale biofysische schaal te respecteren, zullen Westerse landen in de toekomst een ware duurzaamheidtransitie moeten ondergaan, waarbij hun totaal materiaal- en energiegebruik met een factor 10 moet dalen. Dit is een uitdaging van een totaal andere orde dan die van de klassieke “milieuvervuiling” waar milieueconomen – en ook Ryngaert – het over hebben. Het gaat niet langer op te stellen dat de ecologische duurzaamheidcrisis kan worden opgelost door een beperkte internalisering van externe kosten. De zogenaamde marktfaling op het vlak van het milieu is geen uitzondering op de regel maar is veeleer alomtegenwoordig. Het gaat over een fundamentele systeemfout (zie verder).

Ook de plaats van vrijhandel moet worden herbekeken. De theorie van de comparatieve voordelen, die ook Ryngaert herhaaldelijk gebruikt, is vandaag irrelevant. Ricardo wees er op dat zijn theorie onderhevig is aan een flink aantal voorwaarden. Vandaag is aan geen enkele randvoorwaarde voldaan: kapitaal is mobieler dan ooit, oligopolies en monopolies zijn alomtegenwoordig en externe kosten worden zo haast niet geïnternaliseerd (cf. klimaat- en gezondheidsgevolgen van snel toenemende langeafstandsvervoer).

Wanneer het gaat over landen die zeer natuurintensieve en exportgerichte groei nastreven, ontstaat een groot aantal andere ecologische schaduwkosten zoals habitatverlies, biodiversiteitsverlies, bodem-, water- en luchtverontreiniging, die helemaal niet opgenomen worden in de prijs die de (westerse) consument uiteindelijk betaalt. Ecologische economen wijzen er ook op dat naarmate de ruilvoet voor arme landen verslechtert, de mogelijkheid om externe kosten te internaliseren ook voortdurend kleiner wordt. Sommige auteurs stellen, enigszins sarcastisch, dat die ‘externaliteiten’ geen vorm van marktfaling zijn – zoals de theorie van de milieueconomie voorstelt – dan wel een ‘kostenverschuivend succes’, mogelijk gemaakt door asymmetrische machtsrelaties.

Conclusie: in de geglobaliseerde wereld van vandaag wordt niet voldaan aan Ricardo’s vereisten

Dit betekent dat de theorie van de absolute voordelen de scepter zwaait, veeleer dan die van de comparatieve voordelen. En dit levert een totaal ander plaatje op. Internationaal kapitaal gaat op zoek naar die landen met de grootste absolute voordelen. Om kapitaal aan te trekken zien sommige landen in het Zuiden zich dan genoodzaakt hun, op zich al armetierige, ecologische (en sociale en fiscale) normen verder te verlagen om op die wijze een absoluut voordeel te behalen. De econoom James Boyce spreekt in deze context van een ‘globalisering van de marktfaling’: economische integratie verbindt imperfecte markten op milieuvernietigende wijze. Het resultaat is dan oneerlijke competitie mét netto ecologische kosten.
Het voorbeeld van de assemblagefabrieken (maquiladoras) in Mexico is bekend. De lagere milieunormen in Mexico hebben wellicht een belangrijke rol gespeeld in de delokalisatie van Amerikaanse bedrijven naar de grenszone in Mexico, met als gevolg banenverlies in de VS en ernstige milieuschade en gezondheidsproblemen in Mexico. Dat is net het omgekeerde van wat Ryngaert beoogt: een verdere vrijmaking van de handel die “staten die goederen en diensten op de meest efficiënte manier produceren, bevoordeelt.“(p. 81) Zoals ook John Vandaele in zijn jongste boek, De stille dood van het neoliberalisme, heeft aangetoond, is handel helemaal niet het vermeende toverdrankje dat vanzelf tot ontwikkeling leidt: alles hangt af van de omstandigheden.

Vanuit het pre-analytische kader van de ecologische economie krijgt internationale handel dan ook een totaal andere plaats toebedeeld dan bij de WTO én Ryngaert. Veeleer dan het maximaliseren van de internationale handel is er behoefte aan een zekere vorm van ‘deglobalisering’ (cf. Walden Bello van Focus on the Global South), de heroriëntatie van de economieën van het Zuiden van een exportgerichte groei in het kader van de wereldwijde markt naar productie voor lokale markten.

In schril contrast met de karikatuur die er in het Westen vaak van wordt gemaakt, betekent deglobalisering zeker niet de totale ontkoppeling ten aanzien van de wereldeconomie. Dit is geen ultradefensief protectionisme. Wél wordt een stelsel van ‘economische subsidiariteit’ vooropgesteld: regio’s produceren de goederen die ze nodig hebben bij voorkeur zelf, vooral in het geval van voedingsmiddelen (cf. Dirk Barrez’ Koe 80 heeft een probleem), mits ze die kunnen produceren zonder al te exuberante kosten. In het andere geval is import op zijn plaats. De wereldeconomie moet zich ontwikkelen in een pluraliteit van ruimten (lokaal, nationaal, continentaal, mondiaal) die slechts gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn.

Essentieel is dat de landen in het Zuiden kunnen ontkomen aan de ‘specialisatieval’. Dit impliceert dat zij de export van biocapaciteit (tegen te lage prijzen) moeten afremmen ten voordele van de eigen lokale markten en autonome technologische ontwikkeling. Handel heeft alleen zin indien deze landen in staat zijn producten voort te brengen met een hogere toegevoegde waarde. Gezien de biofysische onmogelijkheid om het Westerse model te kopiëren, heeft het Zuiden behoefte aan alternatieve ontwikkelingspaden die aangepast zijn aan de specificiteiten van de lokale context. Met de woorden van de Indische Sunita Narain: “Omdat het Zuiden de pech heeft aan zijn ‘ontwikkeling’ te beginnen op een moment dat de wereld vol is, de grondstoffen uitgeput en de afvalputten verzadigd zijn, kunnen wij jullie model niet navolgen. Daarom is het ook de verdomde plicht van het Noorden om mee te zoeken naar een alternatief ontwikkelingsspoor, naar nieuwe vormen van moderniteit.“(De Walsche, MO*, (43), p. 42).

In die zin ben ik het wel volmondig eens met Ryngaert wanneer hij stelt dat het Noorden het Zuiden moet tegemoetkomen qua capaciteitsopbouw. Zelfs vanuit een verlicht eigenbelang doet het Noorden er goed aan te investeren in een (schone) technologieoverdracht naar het Zuiden, zoals ook uitdrukkelijk gevraagd wordt door vele klimaatwetenschappers en milieu-ngo’s. Dit is een conditio sine qua non voor het vermijden van een absolute klimaatcatastrofe (een opwarming van meer dan 2°C ten opzichte van de pre-industriële temperatuur) die vooral het Zuiden sterk zal treffen. Voor velen is anders globaliseren een kwestie van leven of dood.

(Uitpers, nr 98, 9de jg., mei 2008)

 

Peter Tom Jones is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde en Doctor in de Materiaalkunde. Hij is momenteel werkzaam als postdoctoraal onderzoeker aan de K.U.Leuven. Tevens is hij lid van Attac vlaanderen.
Hij publiceerde diverse artikels rond de milieuproblematiek en de globalisering. Hij is co-auteur van Ya Basta! Globalisering van onderop (2002, Academia Press, Gent) en co-redacteur van Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen (2003, Academia Press, ter perse).

Peter Tom Jones schreef begin 2006 voor Attac een studie over Ecologische Economie als oplossing voor het klimaatprobleem: Globaal Tenonder ? (Boekenfonds Attac Vlaanderen, 2006)
Samen met Roger Jacobs schreef hij Terra Incognita (Academia Press, 2006).
Beide boeken kennen ondertussen een 2de druk en kunnen nog steeds besteld worden.
In 2007 publiceerde hij samen met Els Keytsman het Klimaatboek (EPO, 2007).

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=722177&refsource=uitpers

(Visited 2 times, 1 visits today)
Deel dit artikel